Afbeelding met tekening

Automatisch gegenereerde beschrijving

© Laurentii.be, 2026

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

Inhoud (hoofdmenu)

 

·         Blog

·         E-boeken (pdf)

·         Gezinsreconstructies (per gemeente)

·        Genealogie (deze reeks)

·         Indices (zoekfunctie)

·         Startpagina (Home)

·         Thematisch

·         Verhalen (chronologisch)

·         Verwante families

________________________

Verwante stamlijnenontstaan

Voornaamste stamlijnen, datum ontstaan familiewapen is bij benadering

[*] rechtstreekse voorouders auteur

 

 Lauwens / Lauwers Hombeek-Leest (Kleinbrabant)1568

 Lauwens / Lauwers andere van voorouderlijke lijn1568

^

Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving1468 Lauwereyns van Watervliet

Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met tekst, logo, symbool, tekenfilm

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met symbool, embleem, wapen, insigne

Automatisch gegenereerde beschrijving1506  1540 Lauwereyns, Lauwerens, Lauwens, Lauwers

1571 Lauwers (graafschap Vlaanderen)

1550 Lauwers (Holland)

1636 Laureinsens

image0561464  Lauwereyns van Terdeghem

^

image006.jpg865-1247  Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)

________________________

 

 

ZEM XX – 002148 GEZIN Lauwers – Verdoodt 1905 Zemst

 

Afbeelding met Menselijk gezicht, portret, schets, Retrostijl

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.Maarten Lauwers  huwde op 17 mei 1905 in Zemst met Catherine Adèle Verdoodt. Maarten Lauwers werd geboren op 4 januari 1876 in Zemst als zoon van melkverkoper Jan Baptist Lauwers  en Marie-Thérèse De Roeck [ZIE ZEM XIX – 001970]. Hij was veldwachter in Zemst[1]. Catherine Adèle Verdoodt was geboren op 7 september 1881 in Hombeek als  dochter van Felix Verdoodt en Ann Catherine Peeters.

Afbeelding met kleding, hoofddeksels, pet, hoed

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Catherine Adèle Verdoodt overleed in 1960. Maarten Lauwers overleed in 1961. Zij vonden hun laatste rustplaats op het kerkhof van Zemst-Laar aan de Sint-Bernardusstraat [zie foto’s grafplaats “Hier rust”, niet precies gedateerd en foto kepie veldwachter uit Wolvertem]. 

 

·         Paula Lauwers  werd geboren op 4 maart 1920 in Zemst. Zij huwde met Isidoor Van der Aa, een zoon van Joseph Louis Marie Van der Aa en Clara Marie Henriette Silverans. Zij hadden een zoon Joseph Hubert Van der Aa (generatie XXII). Paula hertrouwde met Albert Adriaens en overleed op 7 mei 1943 in Weerde.

 

 

 

 

1914 – Oorlogsgruwel in Zemst

 

Zemst kreeg het tijdens de Eerste Wereldoorlog verhoudingsgewijze zwaarder te verduren dan sommige van de nadien erkende ‘martelarensteden’. In juli 1914 verdeelden Alex Grauwels en veldwachter Maarten Lauwers oproepingsbrieven in Zemst voor de jongens die onder de wapens moesten. Het dorp stond in rep en roer omdat duidelijk werd dat er oorlog kwam. Waar sommigen dachten dat het Duitse leger Luik niet voorbij zou raken, verdween die hoop toen honderden vluchtelingen door Zemst passeerden.

 

In augustus 1914 nam de ongerustheid bij de bevolking in heel Zemst toe over de oprukkende Duitse troepen. Men wist dat de terugtrekkende Belgische troepen zich verschansten in de forten rond Antwerpen. Mogelijk kon men in de stad een toevlucht zoeken. Er waren Belgische soldaten Zemst gepasseerd, waren er kort verbleven zoals boven het café van Van Boxum, op hun weg naar de Antwerpse fortengordel. Soldaten als Leon De Keyser waren naar huis gekeerd na de Slag aan de Gete, en brachten verhalen van de strijd mee. Hij zou uiteindelijk sneuvelen in Zonnebeke op 15 oktober 1918.

 

Pastoor Bernaerts had instructies gekregen om burgerkleding te dragen en zijn onderpastoor Cornelis had zich verkleed als hovenier [zie foto 1914][2]. E.H. Schoeters van Zemst-Laar had burgerkleding aangetrokken en had het gehucht verlaten. Deze aanbeveling van kardinaal Mercier was één van de vele tekens dat er iets ernstigs stond te gebeuren. E.H. Bernaerts raadde zijn parochianen bovendien aan om Zemst te verlaten.  Vooral degenen die geen landbouwbedrijf moesten onderhouden, pakten hun koffers. Met de trein vertrokken sommigen richting kust, soms met het idee om een boot te nemen naar Engeland. De onderpastoor was verhuisd naar het ouderlingengesticht aan de Hoogstraat en naar verluid liet hij er zich aanspreken als “mijnheer de hovenier”. Dokter De Mayer ging elke avond, met de fiets, in Niel overnachten. Op 20 augustus lagen Duitse troepen in de omgeving van Brussel en Zemst lag tussen het oprukkende leger en de fortengordel rond Antwerpen. Het duurde dan ook niet lang dat Duitse voorposten en verkenners Zemst aandeden.

 

De Zemstse burgemeester Ernest Sterckx was gegijzeld en naar een Duitse voorpost aan een schuur van Van Messem, aan de brug over de afleiding van de Leibeek gevoerd. Hij moest overnachten bij Bosmans aan de toenmalige Broekstraat (thans Heidestraat). Het café “De Roos[zie foto links, 1905] en de kruidenierswinkel van Cluckers[3] kregen bezoek van Duitse soldaten. Bij Cluckers waren bovendien twee obussen ingeslagen waarvan er één bleef steken, afgevuurd door Duitse artillerie vanuit Elewijt [zie foto Jan Cluckers rechts, 1918]. Ulanen te paard patrouilleerden door de Zemstse straten. Toen Jan Van Asbroeck aanbood om als gijzelaar de burgemeester te vervangen, gingen de Duitse bezetters akkoord. Burgemeester Sterckx vluchtte   vervolgens naar Mechelen en daarna naar Engeland en Jan Van Asbroeck werd de eerste oorlogsburgemeester [zie foto rechts].

 

Het oorlogsgeweld bleef niet uit. Op 23 augustus waren Ulanen op verkenning richting Hombeek in Leest op verzet gestoten van Belgische soldaten. Twee Ulanen werden aan het café ‘De Kroon’ neergeschoten. Een officier zag zijn paard onder zich sneuvelde en werd vervolgens neergeschoten – Zemstenaar Jef Mertens was hiervan getuige toen hij op terugweg was van Mechelen. Een Ulaan die langs de spoorweg wilde ontsnappen, werd vanop de trein door een Hombeekse soldaat neergeschoten. Ook in de omgeving van Coloma waren Duitse verkenners onder vuur genomen en lieten enkelen het leven. In Zemst begon men te vrezen voor represailles op de burgerbevolking, en deze bleven niet uit nadat Duitsers ‘half aangeklede’ soldaten voor burgers aanzagen bij een schietpartij op 25 augustus – Belgische soldaten waren ’s morgens verrast geweest door een Duitse aanval en hadden het vuur geopend ter hoogte van de hoeve van De Vos.

 

Op 24 augustus hadden Belgische verkenners, van de Jagers-te-Paard en de Karabiniers de voorpost in Zemst en Ulaanse ruiters beschoten. Verschillende inwoners waren getuige geweest van de schermutselingen aan de spoorwegberm en aan de Brusselse steenweg. Florent Jacobs, die op het Hof van Beieren, ook wel het hof van Baerdeghem, in Zemst had gewoond, maakte deel uit van het regiment dat het gehucht De Brug vervolgens veroverde op de Duitsers. Een frontlijn kreeg vorm tussen Zemst en Mechelen. Nadat koning Albert vanop de Sint-Romboutstoren het front had geïnspecteerd, kwam er een Belgische uitval uit de Fortengordel en enkele divisies hadden opdracht om tussen Zemst, Hofstade en Elewijt door te stoten.

 

Dan volgde de eerste gijzeling van burgers. De vader van de hoger vermelde dokter De Mayer werd aangehouden en dokter De Mayer ontsnapte via de Cleempoel naar Niel. Zijn vader zou eveneens ontsnappen toen hij zich gewond voordeed nadat een soldaat vlakbij hem was neergeschoten en hij zich in de jongensschool – die toen als Duitse Rode Kruispost was ingericht – had weten te verbergen. Louis Frans De Boeck uit de Kerkstraat [zie foto rechts] werd op weg naar zijn werk in Het Arsenaal in Mechelen neergeschoten op 25 augustus 1914, onder de ogen van blokmaker Du Tré. Louis was 47 jaar, was gehuwd met Victoria ,, en vader van vier kinderen. Dochter Marie Philomène De Boeck was het jaar voordien op 25 oktober 1913 in Zemst gehuwd met Ben Jozef Janssens. Zoon Willem De Boeck huwde twee jaar later op 4 november 1916 in Hofstade met Marie Seraphine Coppens. Zijn echtgenote Victorie Coosemans bleef 19 jaar weduwe en overleed op 3 oktober 1933 in Zemst, 65 jaar oud. Het lichaam van Louis De Boeck werd door de buren naar het klooster gedragen en vervolgens, met de kruiwagen naar huis gebracht. Pastoor Bernaerts en Charel Van Camp begroeven hem op het kerkhof.

 

Louis Frans De Boeck had een tweelingzus Marie Colette De Boeck die op 3 mei 1893 in Mechelen was gehuwd met ketelmaker Jan Jozef Ceuppens, die in het eerste oorlogsjaar van de Tweede Wereldoorlog op 10 februari 1941 in het Onze-Lieve-Vrouw gasthuis van Mechelen zou overlijden, 72 jaar oud. Een dochter Rosalie Ceuppens zou in het laatste oorlogsjaar op 19 oktober 1918 in Mechelen huwen met Jacques De Donder.

 

Het huis tegenover café Van Boxum werd door de Duitsers in brand gestoken nadat de Belgische soldaten het hadden ontruimd. In het ruime herenhuis van Jan Baptist Meysmans en Marie-Louise Bal, een zus van de verder vermelde Jean Henri Bal, in de Hoogstraat schuilden heel wat mensen, anderen sloten zich op in hun huizen toen de brand was aangestoken.

 

Een huizenblok op de hoek van de Binnenweg en de Brusselse steenweg werd beschoten en nadien werden de gevels in brand gestoken. Mensen die er  verscholen zaten werden gevangengenomen. Anderen zoals beenhouwer Armand Van der Heyden [zie foto rechts], Frans Van Grunderbeek en de meid Marie Boey verschansten zich in de brandende beenhouwerij die zij uitbaatten. Armand zou alsnog worden neergeschoten in zijn schuilplaats op de hooizolder toen hij polshoogte nam door een dakpan te verschuiven om buiten te kijken, terwijl de anderen de vuurschoten in het keldergat – zij hadden zich daar verschanst na de dood van Armand – zouden overleven. De oom van Armand zocht de stoffelijke resten van zijn neef in het smeulende puin, vond deze en bracht ze samen in een ketel. Hij bracht ze naar pastoor Bernaerts om te begraven op het kerkhof.

 

Tijdens een schermutseling aan hun hoeve geraakten melkventer Jan Van Releghem en zijn echtgenote Fannie De Rey zwaargewond. Jan had zich verzet toen Duitse soldaten zijn paard probeerden afhandig te maken. De hoeve werd nadien in brand gestoken. Jan Van Relegem en zijn echtgenote werden naar het klooster gebracht. Jan zou niet meer genezen en een jaar later op 28 augustus 1915 overlijden. Fannie had vreselijke schotwonden maar zou haar man nog overleven[4].

 

Felix Bouwens, de 18-jarige leerjongen van velomaker Emiel Cloetens, afkomstig uit Gilly, werd gevangen genomen, gemarteld en de werd de ledematen afgehakt. Aan de uitgebrande smidse zorgden de stoffelijke resten van de leerjongen voor afschuw – “Heel de buurt stond er bij te wenen”.

 

Het gehucht De Brug lag als een vooruitgeschoven post van de Duitsers aan de frontlijn. Mensen die er woonden werden uit hun kelders gejaagd. Felix Alcide kreeg een flink pak slaag en kreeg een bajonetsteek in de rug. Zijn huis werd in brand gestoken. Hij was in 1911 gehuwd met Catherine Van Asbroeck – familie van de hoger vermelde oorlogsburgemeester-, werd werkman aan de IJzeren weg en brouwersgast en overleed in 1959. Zijn broer Louis Alcide zou het treffen met de Duitse Ulanen evenwel niet overleven [zie verder]. Jean Henri Bal werd voor zijn huis doodgeschoten en zijn bejaarde vader Louis kreeg slagen op het hoofd. Zoon Jules deelde het lot van zijn vader [zie foto’s] en werd meedogenloos afgemaakt met een bajonet toen hij zich verzette[5].

 

Ook het café ‘De Roos’ van de familie Van Regenmorter en het huis van de familie Pesendorfer werden in brand gestoken. De brand sloeg niet aan in het huis van de familie Paulus, nadat de inwoners uit de kelder waren gejaagd. Landbouwer Jan Buelens moest toezien hoe zijn paard werd gestolen. François Peeters had zich tussen de kolen in een kolenhok verstopt en kwam er ongeschonden uit toen een Duitse soldaat herhaaldelijk met zijn bajonet in de steenkolen had gestoken. De familie De Win was er vanuit hun schuilplaats getuige van dat een Duitse officier gevechtsonwillige Duitse soldaten neerschoot.

 

Een nicht van de hoger vermelde Jean Henri Bal, melkverkoopster Marie Catherine Bal, was op 28 december 1904 in Zemst gehuwd met melkverkoper Joos Louis Lauwers , een zoon van Nicolaas Lauwers  en Josephine Van Steenwinkel - die in het laatste oorlogsjaar zou overlijden, op 29 mei 1918, kort na haar 65e verjaardag. De familie Lauwers-Bal kreeg ook Duitsers over de vloer die water eisten voor de gekwetsten en voor de paarden. Vlakbij de woning stond een kanon opgesteld dat de Sint-Romboutstoren onder vuur nam.

 

Foto: het verder vermelde gezin Somers-Nobels na de oorlog. Hoewel Louis Isidoor werd gegijzeld, wist de familie een onderkomen te vinden bij familie in Hombeek. Zijn zus Marie-Thérèse Somers was op 23 oktober 1889 in Zemst gehuwd met plankzager Jan Baptist Lauwers , een zoon van Corneel Lauwers  en Elisabeth Van Moer uit Humbeek.

 

Bij zonsopgang was ook het centrum door de Duitsers ontruimd. Schoolmeester Louis Smets zat met zijn vrouw Marie Michiels en dochter Hélène in de jongensschool aan de Schoolweg met hovenier Louis Isidoor Somers. De laatste wilde vrouw Elisabeth Nobels en kinderen in veiligheid te brengen, maar werd aangehouden, en naar het hoveniershuis van het, inmiddels verdwenen, kasteel Malfiante van de familie Godderis-Theunis aan de Brusselse steenweg gebracht [zie foto]. Zo verging het ook handwerker Willem De Boeck, een zoon van de hogervermelde Louis Frans De Boeck uit de Kerkstraat, die zich op zolder had verstopt en tevoorschijn was gekomen. Zijn moeder Victoria Coosemans, wilde de kinderen naar de kerk brengen, maar dat werd haar ontraden.

 

De gijzelaars moesten een levend schild vormen om de Duitse aftocht te dekken. Zij werden meegevoerd van Zemst, via Eppegem en via Houtem naar Peutie , en de colonne werd onderweg enkele keren beschoten door Belgische soldaten. De gijzelaars werden vervolgens opgesloten  in de Sint-Maartenkerk van Peutie [zie foto Hilde Kennes, 2003 onder Creative Commons licentie CC BY 4.0].

 

In het gezelschap was pastoor Engelbert Beelaert. Hij zou de laatste zegen geven aan de mannen die buiten de kerk koelbloedig werden geëxecuteerd op 25 augustus 1914 om 15h, nadat ze hun eigen graf hadden moeten delven:

 

·         Corneel Van Messem, 48 jaar, een zoon van Jan Baptist Van Messem en Ann Catherine Van Steenwinkel;

·         Peter De Greef, 40 jaar, fabriekswerker, een zoon van Jan Baptist De Greef en Anne-Marie Rampelbergh, in Diegem in 1901 gehuwd met Elisabeth Verhulst en in 1905 in Diegem hertrouwd met Marie Françoise Heyvaert;

·         Louis Alcide, 30 jaar oud, fabriekswerker, op 18 oktober 1905 in Zemst gehuwd met Ann Catherine Puttemans en vader van vijf kinderen van wie er drie voor augustus 1914 waren overleden. De oudste Georges Alcide, geboren op 12 mei 1907 in Zemst, werd religieus en onderwijzer en woonde aan de Alexianenstraat 16 in Brussel in 1927. Louis was een broer van de hoger vermelde Felix Alcide, beide zonen van Frans Alcide en Rosalie Moons.

·         Jan Buelens, 63 jaar, hovenier, zoon van Philip Buelens (Beullens) en Marie-Ann De Win, herbegraven in Zemst in 1915;

·         Jan Frans De Wit, 58 jaar, landbouwer uit Leest, in Hombeek gehuwd met Colette Verlinden, vader van drie kinderen. De aangifte gebeurde op 30 augustus 1914 in Leest door veldwachter Isidoor Constant Van Hoof.

·         Van Oppens, een Mechelaar die in Eppegem verbleef en toevallig op de Zennebrug was opgepakt.

 

In Zemst-Laar werden op ongeveer dezelfde manier twee andere gijzelaars om het leven gebracht: Joseph Diddens, 31 jaar oud, echtgenoot van Marie Pelagie De Craen en vader van drie waarvan één kind jong overleden, vermoord op 22 september 1914, en Jan Frans De Buyser, 49 jaar oud, echtgenoot van Catherine Emmerechts (Emmeregs).

 

 Door het Zemstse gehucht De Pikkerie marcheerden honderden soldaten [zie foto gemeenteplaats Zemst-Laar omstreeks 1920]. De hoger vermelde veldwachter Maarten Lauwers  had er met zijn gezin een toevlucht gezocht en er was een voorpost van het Belgische leger vlakbij de woning van zijn ouders. Een eerste Duitse aanval werd afgeslagen, maar ook hier zouden represailles op de burgers niet uitblijven. De hoger vermelde Joseph Diddens en Jan Frans De Buyser waren met Jozef Verhaeren bij de eerste gijzelaars. Enkel de laatste kon het navertellen – naar verluid werd hij herkend door een Duitse soldaat die als pik- en zeisverkoper het Laar had aangedaan – de Duitse verkopers die de dorpen in ‘onverdachte tijden’ aandeden, werden nadien vaak als Duitse spionnen ontmaskerd – en had hem weggestuurd. Joseph Diddens en Jan Frans De Buyser werden zonder meer tegen de muur van de afspanning Larekam gefusilleerd.

 

De wijnkelder van pastoor Schoeters werd geplunderd door Duitse soldaten. De 41-jarige Jan Verbeeck[6] was aan het werk in zijn stal en bood Duitse soldaten melk aan. De melk bekwam en slecht na de wijnconsumptie en hij werd beschuldigd hen te hebben willen vergiftigen. Hij kreeg een bajonetsteek in zijn borst, ze sleepten hem naar buiten en gooiden hem in de waterput. Jan klampte zich vast aan de stenen en de Duitsers duwden hem onder tot hij verdronk. Volgens ooggetuigen waren de krassen van zijn nagels op de stenen van zijn overlevingsstrijd nog te zien.

 

Veldwachter Maarten Lauwers  [7], een zoon van Jan Baptist Lauwers  en Marie-Thérèse De Roeck [ZIE ZEM XIX – 001970], was inmiddels teruggekeerd naar het Laar om zijn varkens eten te geven. Zijn vrouw Catherine Verdoodt was in de schuilplaats aan de Pikkerie gebleven. Ook hij werd er belaagd door de Duitse soldaten die Jan Verbeeck hadden vermoord, - althans volgens de getuigenis van zijn buurman Antoon Van Steenwinkel, die met Marie Colette Doms een gezin vormde - maar hij wist te ontkomen en zijn huis werd niet in brand gestoken. Een veertigtal inwoners van Zemst-Laar waren naar het fort van Breendonk gevlucht en daar zag men een kind geboren worden. Marie Catherine Rens,  de echtgenote van Corneel Isidoor Emmeregs, beviel er op 25 september 1914 van Juliana Emmeregs[8].

 

De groep vluchtelingen trok via Willebroek – waar zij de ’s avonds de vuurgloed van de brandende petroleumtanks in de Antwerpse haven konden waarnemen - naar Boom en Deurne. Vervolgens kwamen ze terecht in Hoboken. Onder de vluchtelingen bevond zich Louise ‘Wiske’ Bal die onder voorbijtrekkende soldaten haar man Jan Baptist Meysmans herkende met wie zij tien jaar was gehuwd. Deze wisselde zijn uniform voor burgerkleding - in essentie deserteerde hij - en bleef bij zijn vrouw. Marie-Louise Bal was een dochter van Louis Bal en Appolonia Buelens en was verwant met de hoger vermelde, vermoorde, Jean Henri Bal en met melkverkoopster Marie Catherine Bal. Zemstenaar maalder Van Steenwinkel bevond zich ook in de groep en spoorde aan om terug te keren naar huis. Met een schip staken ze de Schelde over omdat de brug was vernield, passeerden een Duitse controlepost en keerden terug naar Zemst(-Laar).

 

Onderpastoor Cornelis, de ‘hovenier van het rusthuis’ ging elke dag naar de kerk om de Heilige Mis op te dragen, diende de laatste sacramenten toe, en verving de gevluchte pastoor Bernaerts. De Sint-Pieterskerk werd in september 1914 verwoest door brand, aangestoken door het Belgisch leger, naar verluid omdat men van op de toren het fort van Walem kon observeren [zie foto na de brand][9]. Enkele jongens brachten de torenhaan na de brand naar het rusthuis. Na de val van Mechelen en het fort van Walem, zou het bezettingsleger van de Duitsers zich naar verluid beter gedragen ten opzichte van de burgers dan de aanvalstroepen die dood en verderf hadden gezaaid. Ook de molen aan de Hoogstraat [zie foto 1910 van de voormalige molen] en twee aanpalende woningen werden afgebrand, dit maal na een Duitse beschieting. In het kasteel Malfiante van de familie Godderis-Theunis aan de Brusselse steenweg werd de plaatselijke ‘Kommandatur’ gevestigd. De Zemstse gouw werd apart bestuurd van de Mechelse.

 

Inwoners begroeven hun koper omdat dit werd opgeëist door de Duitse bezetter, net zoals ijzer en staal en notelaars … voor de aanmaak van geweerkolven. Vanaf 1915 was er sprake van een “zwarte markt”. Om smokkelen tegen te gaan, stonden er Duitse wachtposten tussen Zemst en Mechelen en tussen Zemst en Vilvoorde. Ook kranten werden gesmokkeld vanuit Nederland. Corneel Van Steenwinkel [zie foto omstreeks 1918] maakte vervalste Duitse Markbiljetten op de zolder van zijn vader, die hij vervolgens uitgaf in Zemstse herbergen, maar hij werd gevat en zou dertig maanden gevangenisstraf krijgen in Kassel-Welheiden en in Rheinbach in Duitsland. Vanaf 1916 werden paarden opgeëist. Een boerenwacht moest verhinderen dat de velden werden geplunderd. In Zemst-Laar werd die aangevoerd door Jef Mertens. In Zemst weken ook vluchtelingen in vanuit het West-Vlaamse oorlogsgebied, zoals de familie Staes uit Menen. Zij brachten een, weinig succesvolle, tabaksteelt mee. In de zaal “Van Dijck” werden bals georganiseerd. Er was ook een kegelbaan aangelegd. Orgeldraaiers zorgden voor vertier.  En er werden kermissen georganiseerd. Het was niet alles kommer en kwel.

 

In de tijd was er overigens ook al zoiets al ramptoerisme: na de gruwelijke gebeurtenissen zakten Brusselaars af naar Zemst om het slagveld te bekijken (…). Anderzijds werden vluchtelingen van Zemst in de omgeving van Antwerpen gastvrij onthaald. Velen trokken verder en staken de grens met Nederland over om aan de oorlog te ontsnappen. Via Nederland ging de reis soms verder richting Frankrijk of Engeland.

 

 

 

 

 

 



[1] Zie ook verhaal 1914, Oorlogsgruwel in Zemst.

[2] Bronnen: o.m. “Een dorp in een wereldoorlog”, Roger Van Kerckhoven; heemkring De Semse “Verhalen uit Wereldoorlog 1”; krantenartikels in De Nieuwe Rotterdamsche Courant; genealogisch onderzoek laurentii.be.

[3] Jan Cluckers werd nadien secretaris van het Kommiteit voor hulp in Zemst. In zijn huis, later een garage, werden hulpgoederen als kleding, klompen, rijst, bloem, koffie, vet, (Amerikaans ‘Wilson’) spek, confituur en honing opgeslagen en bedeeld. Op het Laar vond de plaatselijke Kommiteit een onderkomen in het schoolhuis bij Eugene Van der Kuylen. Daar waren de oorlogsschade en behoeften beperkter dan in het centrum.

[4] Grootvader Willem De Rey was op 28 april 1856 in Vilvoorde gehuwd met Johanna Antonie Lauwers , een dochter van Frans Lauwers  en Geertrui De Becker. Jan Baptist Van Releghem huwde op 19 juli 1922 in Weerde met Anne-Marie Lauwers , een dochter van Jan Baptist Lauwers  en Ann Catherine Segers.

[5] Het noodlot wil dat een verwante, verzetstrijdster Marie Bal uit Zemst, op 31 maart 1944 door de Gestapo van Antwerpen werd opgepakt en werd vermoord op 25 april 1945.

[6] Hij was een zoon van Jan Baptist Verbeeck en Marie-Thérèse Cauwenbergh. Een verwante, Marie Elisabeth Verbeeck, was op 15 april 1863 in Zemst gehuwd met Jan Baptist Lauwers , een zoon van Lambrecht Lauwers  en Johanna Monica Van den Brande.

[7] Zijn broer Eduard Lauwers  was in 1897 in Zemst gehuwd met Regine Van Asbroeck, zijn zus Rosalie Lauwers  was in 1897 in Zemst gehuwd met Peter Antoon Coosemans, zijn zus Marie Clementine Lauwers  was in 1900 in Zemst gehuwd met handwerker Eduard Dubin. Zij waren allen landbouwers in Zemst.

[8] Haar vader was verwant met Catherine Emmerechts, wiens man Jan Frans De Buyser was gefusilleerd door Duitse soldaten op 22 september 1914, drie dagen voor de geboorte. Julia Zij zou op 23 april 1941 in Zemst, bij de aanvang van de tweede wereldoorlog, huwen met Frans Louis Potoms.

[9] Dat het Belgische leger zelf de brand had aangestoken, werd enige tijd geheim gehouden. Tot één van de  onvrijwillige brandstichters uit wroeging bekende – wat men later als ‘klokkenluider’ zou benoemen (…).