|
ZEM
XIX - 001723 – GEZIN Lauwers – Silverans 1819 Zemst
Pieter
Jan Lauwers huwde op 29 juni 1819 in Zemst met Ann
Catherine Silverans. Pieter Jan Lauwers werd gedoopt op 24 maart 1792 in
Zemst Sint-Pieter als zoon van Jacques Lauwers en Barbara Walkiers [ZIE ZEM XVIII – 001582]. Hij was landbouwer in
Zemst en omstreeks 1834
opzichter van werken aan “de ijzeren weg” of spoorweg. Anna
Silverans was geboren op 10 februari 1793 in Berg als dochter van Jan
Silverans en Anna Sermeus en werkte bij het huwelijk als dienstmeid. Haar
vader was op 26 september 1817 op 51-jarige leeftijd overleden in Berg. Hij
maakte het huwelijk niet meer mee. Haar moeder bleef als weduwe wonen in
Berg, tot haar overlijden in 1832.
Het gezin
Lauwers-Silverans woonde omstreeks 1834 in de Geerdegemstraat 26 in
Mechelen vlakbij de toenmalige Geerdegemhoeve. De omgeving zou de
decennia daarna ingrijpend veranderen, zodat er in 2025 nog nauwelijks
sporen zijn van hoe die er uitzag omstreeks 1830. Pieter Jan Lauwers
overleed op 22 mei 1857 in Mechelen, 65 jaar oud. Anna Silverans overleefde
hem ruim drie jaar en overleed op 21 oktober 1860 in Mechelen op 67-jarige
leeftijd.
·
Joseph
Lauwers werd geboren op 18 mei 1827 in
Zemst. Hij huwde met Johanna Catherine Peeters [ZIE MEC XX – 001885]
en hertrouwde na haar overlijden op 30 oktober 1856 in Muizen met Elisabeth
Peeters [ZIE MUIz XX –
001909]. Joseph was werkman
“aan den ijzeren weg”
of spoorwegarbeider. In
1872 woonde het gezin aan de Half Galg 65 in
Mechelen terwijl Joseph als piocheerder, of
seingever bij werken
aan de spoorweg, werkte.
Hij was grondwerker in
1883 en woonde toen aan de Half Galg 107 in
Mechelen. Bij zijn overlijden in 1895 woonde het gezin aan de Half Galg 105 en werd de toen
68-jarige Joseph werd vermeld als meester-piocheerder.
|
1835 – Pieter Jan en zoon Joseph Lauwers,
werkmannen aan “den IJzeren weg”
Er werd vaart gezet achter de aanleg
van de spoorweg nadat deze in het pas onafhankelijke België groen licht
kreeg van de eerste regering in mei 1834. Kort na de beslissing om een
spoorweg aan te leggen, op 9 juni 1834, was al een oproep verschenen tot
grondwerkers, metsers, timmerlieden, vrachtvervoerders en schippers. Pieter
Jan Lauwers was bij de eersten geweest om daar gehoor aan te
geven.
Op 21 augustus 1834 loste het
Belgische schip “Leopold I” een lading spoorstaven in de Antwerpse haven.
Op 20 september 1834 werd de eerste stoomlocomotief er gelost en drie dagen
later een tweede. Deze lokten heel wat kijklustigen. In oktober 1834
volgden de eerste zes treinstellen, eveneens uit Engeland. Al op 12
november was “La Flèche” bedrijfsklaar, en de twee andere
locomotieven “Le Stephenson” en “l’ Eléphant” waren dat in
februari 1835.
De inhuldiging van het traject
Mechelen-Brussel volgde al op 5 mei 1835. Er was een halte (nog geen
station) op de zuidelijke oever van de Leuvense vaart naast het eigendom
Coloma in Mechelen. Enkele dagen later had men prijs. De locomotief “La
Flèche” belandde op 8 mei 1835 in de Leuvense vaart door een stuurfout
van de (Engelse) machinist. Twee andere locomotieven, “Le Stephenson”
en “l’ Eléphant” maakten verder de dienst uit. Op 10 mei was de
locomotief al terug geborgen en bedrijfsklaar.
Toch was de spoorlijn een succes. Tussen 7 mei 1835
en 31 juli 1835 werden bijna tachtig duizend reislustigen vervoerd van
Mechelen naar Brussel, en een evenredig aantal in de omgekeerde richting. In
de volksmond sprak men van een reis met “de vapeur” (stoomtrein). Het
vervoer- en postwagenbedrijf Van Gend van Engelbert Lauwers (1788-1872) opende op 7 mei 1835 een
postkoetsdienst tot Antwerpen, men bood op Coloma overnachting en
eetgelegenheid aan. Niet alles liep even vlot.
Afbeelding: spoorwegkaartje van 1835. De prijs varieerde
van 1 frank 50 centiem tot 2 frank 50 centiem. Men had de keuze tussen
luxueuze berlines, diligences, of wagons met overtreksels of open.
Een zekere De Motte belandde in de
gevangenis omdat hij vervalste spoorwegkaartjes aan de man bracht. Wie
vanaf het station de stad wou bereiken, was aangewezen op de bakboot (voortbewogen
langs een ketting) om de Leuvense vaart over te steken, moest dan door een
veld en dan de Oude Brusselse steenweg volgen tot aan de Oude Brusselse
poort.
Omdat de eerste spoorwegbedding al eens te laag lag, liep het spoor soms
onder water in Eppegem. Dwarsliggers in wit hout bleken te licht en moesten
worden vervangen, en ook de rails liepen wel eens breuken op. Er moesten
spoorwegbruggen aangelegd die de nieuwe staat handen vol geld kostten samen
met onteigeningen, in Laken, in Zemst, in Eppegem, alsook een draaibrug
over de Leuvense vaart in Mechelen. Ook al bleek het toenmalige Mechelse
stadsbestuur een koele minnaar van deze nieuwigheden, tijdens de eerste
treinrit stonden lang het hele traject bewonderaars in de handen te klappen
en te juichen.
De nationale overheden werden alsnog
in de stad onthaald met kanonschoten, het gelui van klokken en het spelen
van de beiaard. In een grote tent speelde de harmonie van Brussel en het
regiment van de gidsen, alsook de in Mechelen gekazerneerde Jagers-Te-Paard.
Toch werd er ook geklaagd over het
nieuwe vervoermiddel: er was een tekort aan treinen (aanvankelijk vier
ritten per dag) - Men moest soms reizigers weigeren en een plaats op de
terugrit was niet gegarandeerd, er werden spoorwegkaartjes aan
woekerprijzen herverkocht - de trein bracht een toevloed van
vreemdelingen mee (“Alle hotels zijn volzet!”), de rijtuigen vielen niet in
de smaak – Men bekloeg zich wel eens over de open rijtuigen: waarom
kregen die geen dekzeil? -
Het spoorwegavontuur ving aan met
reizigersvervoer. Pas in februari 1838 volgde een aanbod voor
goederenvervoer. Latere treinstellen zouden in het Arsenaal van Mechelen
worden vervaardigd, in het vroegere Predikherenklooster in de
Stassartstraat. John Cockerill in Seraing begon met de productie van
Belgische locomotieven in 1835. Deze kregen ronkende namen mee als “l’Anversois”,
“Le Belge”, “l’Escaut” en “Bayard”.
|