|
Verhalen - 1260
– (van) Praet en het boek van Reinaard De
Vos
In het episch
dierdicht "Van den Vos Reynaerde", algemeen beschouwd als
een hoogtepunt van de Nederlandse middeleeuwse literatuur, trad een zekere
Praet op, een eerder melancholisch en neerslachtige vriend van de
hoofdrolspeler, de sluwe vos Reinaert.
Afbeelding: een vos met menselijke trekjes,
uit een middeleeuws getijdenboek
Het boek werd
geschreven in het Middelnederlands in de dertiende eeuw door een zekere
Willem "die ook Madocke maecte" (van Boudelo?).
Het was een opmerkelijk boek omdat het een parodie was op middeleeuwse
auteursprologen en slotwoorden en omdat onder het voorwendsel van een
schelmenroman de draak werd gestoken met machthebbers, burgerij en clerus
en deze dus tal van verwijzingen bevatte naar historische figuren uit die
tijd. Het boek sloot literair aan bij een grotere verzameling
vossenverhalen, de 'Renart le Roman'
van Perrout de Sainte Cloude. Het was gebaseerd op het eerste verhaal van
deze verzameling, 'Le Plaid' (het pleidooi), verschenen in 1160.
Eén manuscript
van "Van den Vos Reynaerde" bleef integraal bewaard.
Het "Comburgse handschrift"
was een codex van tussen 1380 en 1425, vermoedelijk afkomstig uit een Gents
kopiistenatelier, dat Willems verzen bevatte. In dezelfde tijd
was er ook een dichter, Jan (van) Praet, die vooral bekend bleef door zijn
werk "Spieghel der Wijsheit" of "Leeringhe der Zalichede" (13e of 14e eeuw, datering
onduidelijk). Wij vermoeden dat het hier om Jan van Praet ging, onderdiaken en kanunnik van Sint-Donatius in Brugge, vermeld in 1226-1258, en zoon
van Boudewijn II van Praet. Tijdgenoot en schrijver Jan van Praet
moet model hebben gestaan voor de figuur van Praet in het boek over
de vos Reinaard.
De middeleeuwse
auteurs hanteerden een rijke beeldspraak. In "Den hoet van
Minnen" werd de betekenis uitgelegd van bloemen waaruit "de
krans der liefde moet worden gevlochten", een beeldspraak die ook Jan
Praet bijvoorbeeld gebruikte om de vijf deugden van Maria te beschrijven:
haar goedertieren werd gesymboliseerd door de kersouw, ootmoed door
de acolei, getrouwheid door de goudsbloem,
reinheid door de lelie en haar liefde door de roos. "De genade van
Maria", volgens Jan Praet, "verlicht het hart van de mens".
De gedichten van Jan Praet kenmerkten zich door een sierlijke en heldere
taal, in een welluidend Westvlaams. Hij
beheerste de meest uiteenlopende vers- en strofevormen, schreef in
kwatrijnen met gekruist rijm en in doorlopende verzen met gepaard
rijm.
Jan van Praet
was ongetwijfeld een dichter, die met dichterlijke visie en poëtisch gevoel
schreef en niet met naargeestig prozaïsch gemoraliseer. Het leerdicht van
Jan van Praet handelde nochtans over de strijd tegen de hoofdzonden,
voorgesteld als "de boom der zonden" (arbor vitiorum), een stam, hoogvaardigheid,
met zes takken. De priesters moesten het ontgelden wegens wellust, luiheid
en hebzucht. Het gedicht bevat ook een uitvoerig verhaal van het leven van
Jezus.
|
Blog - Beeldspraak
in bloemen: de vijf deugden van Maria
|

|

|

|

|

|
|
De “kersouw” of het madeliefje symboliseerde goedertieren.
|
De “akolei” symboliseerde ootmoed.
|
De “goudsbloem” symboliseerde getrouwheid.
|
De “lelie” symboliseerde reinheid.
|
De “roos” symboliseerde liefde.
|
|