|
tot 233.000 jaar geleden – Wat DNA leert over onze voorouders
Haplogroepen
De resultaten van zo’n DNA-onderzoek vertalen zich in
wat men een haplogroep noemt. Bij afstammelingen van wat wij de “Klein-Brabantse”
of de “Hombeeks-Leestse” stamlijn zijn gaan noemen, was het
resultaat van het DNA-onderzoek “I1*” of voluit “I-M253*”. Bij het
onderzoek van 2008 werd dit nog benoemd als “patroon I1a”.
Haplogroep I dateert van minstens 23000 jaar geleden en wordt vandaag de
dag gevonden in heel Europa, met lage frequenties in Noordoost Afrika,
centraal Siberië, het Nabije Oosten, de Kaukasus. De groep vertegenwoordigt
één van de oudste bevolkingen in Europa.
Intussen weten we ook dat enkele andere takken Lauwers als resultaat
haplogroep R1b opleverden.
De historische migratie van haplogroep I-M253

|
Geni-ale stamboom onderzoek (K.U.L.),
2017
|
National Geographic / Waitt Society
onderzoek, 2008
|
Andere bronnen
(WP = Wikipedia)
* Archeologische DNA-vondsten
|
|
|
-195000 homo sapiens (o.m. vondsten Omo-rivier,
Ethiopië))
|
-705000 BC gemeenschappelijke voorouder met Denisova
8 (-134000 > -103600 BC), Altai gebergte,
zuid-Siberië
-368000 BC gemeenschappelijke voorouder met Neanderthaler (-40000
Feldhofer grot in Neander vallei)
-233000 tot 200000 jaar geleden: stamouder op Afrikaans
continent (Homo sapiens)
|
|
|
-79000 tot -31000 jaar geleden in hedendaagse Ethiopië,
Kenia of Tanzania
|
|
|
-60000 jaar geleden uit Afrika (BF)
|
-60000 jaar
geleden migratie uit Afrika (naar Azië, via de kusten, BF)
|
|
|
Zuid-Azië (CF
> F)
|
-50000 jaar
geleden Euraziatische Adam (merker
M168) in Slenk /Rift vallei
|
-50000 einde IJstijd Noord-Europa
- merker M168 / Haplogroup CT (volgens Phylogenetic Ancestral Tree
R-Z9)
|
|
Midden-Oosten (IJ)
|
-45000 jaar
geleden migratie uit Afrika (merker
M89), tweede migratiegolf naar Midden-Oosten
-33000
jaar geleden (merker I-L758)
|
-40000 migratie
naar Europa (Cro-magnon mens, klimaatveranderingen)
-40000 tot -20000 jaar geleden werd de Sahara route
ontoegankelijk wegens woestijnvorming (geen terugkeer mogelijk)
|
|
-26000 jaar geleden migratie naar Europa vanuit het
Midden-Oosten
-23000 Haplogroep I ontstaan
-20000 jaar geleden gemeenschappen in de Balkan (merker M170)
-15000 jaar geleden einde IJstijd, migratie naar Noord-Europa
|
-27000 jaar
geleden ontstond I1 vanuit I* (WP)
-26000 gemeenschappelijke voorouders in Tsjechië [Praag, Zuid-Moravië], in Italië [Messina], in Duitsland [Baden-Württemberg], in België [Goyet], in Polen [Wilczyce], in Zwitserland, in Spanje [Burgos, Murcia, Solsona, Granada], in Bulgarije [Shumen, Sliven], in Hongarije [Szolnok], in Oostenrijk [Goldenen Stiege], in Montenegro [Duga], in Servië [Bor, Noord-Banat], in Frankrijk [Aisne], in Schotland [Dornoch], in Portugal [Lissabon], in Oekraïne [Zaporisja], in Engeland [Guernsey] (migraties binnen Europa)
-20000 hoogtepunt
nieuwe IJstijd (Gravettiaanse cultuur, Opper-Paleolithisch,
jagers-verzamelaars)
- Uit M170 ontstond M253 (WP)
- nauwelijks pre-Neolithische I1 sporen
|
|
-11000 jaar geleden uit Zuiden van Europa
("postglaciale expansie") (I
> I1a)
|
-6500 -5500 vondsten I1 DNA in Stora Karlsö (-5500
BC) Gotland, in Hongarije (-5300 BC), beiden uitgestorven takken, en
in Skåne (-2010 en -1750 BC)
-5500 -4500 (merker M253)
|
-18000 tot -5500 jaar geleden verdween het Doggerland onder de
zeespiegel [vermoed woongebied
haplogroep I1].
-12000 tot -6500 jaar geleden weinig sporen I1 (steentijdperk
of Neolithicum, ontstaan landbouw en domesticatie dieren)
-5600 tot -4250 BC Lineaire Aardewerk cultuur: deze
informatie is consistent met de Neolithische verspreiding van I1 vanuit
Hongarije van deze cultuur en de volgende Trechterbeker cultuur
(4000-2700 BC) in Noord-Duitsland en in zuidelijk Scandinavië.
-6970 > 6622 BC gemeenschappelijke voorouder Doggerland
9 in Doggerland
|
|
|
-2800 Strijdbijl
Cultuur Noord-Europa
-1750 Noorse Bronstijd (zuiden van Scandinavië en noorden van
Germaanse rijk, langhuizen)
|
-4500 tot -3500 Bronstijdperk
-4200-2650 BC Trechterbeker cultuur: zowel de Trechterbeker
cultuur als de Pitted Ware cultuur tonen een samengaan
tussen het Neolithisch ontstaan van landbouwgemeenschappen en
het Mesolithisch bestaan van jager-verzamelaar
leefgewoonten. Op het eind van deze cultuur won I1 aan
momentum.
-3638 > -3527 BC gemeenschappelijke voorouder
met Sonder Tastrup, Falster, Denemarken
-2900 > -2600 BC gemeenschappelijke voorouders
met Ajvide, Eksta,
Gotland, Zweden
|
Hoe komt het dat hedendaagse Scandinaviërs hoofdzakelijk behoren tot
de haplogroepen I1, R1a en R1b
(terwijl er zo weinig vondsten
van het DNA zijn in de middensteentijd na -10500
BC)
I1 zou de eerste groep zijn geweest die migreerde naar Scandinavië tijdens de overgang naar landbouw
gemeenschappen tussen -4200 en -2300 voor Christus.
Het
is aannemelijk dat de vestiging van I* en
I2 tijdens de steentijd in
de noordelijke landen, ook in Lapland en in
Finland, kwam door
enkele landbouwers en rundveehouders die
er gingen wonen. Die
waren bijna exclusief I1. Dit was ook de periode
dat het eerder genoemde “Doggerland” steeds verder onder de golven
verdween door het smeltende ijs.
Foto: voorbeeld van een strijdbijl uit
de Chalcolitische tijd uit -1500 en -1300 BC.
Een alternatieve hypothese gaat er van
uit dat voorouders van
de haplogroep I1 zich samen met voorouders van
de haplogroep R1a-2284 in Denemarken, in Zweden en in Noorwegen
vestigden tijdens de Chalcolitische tijd tussen -4000 en -3000 voor
Christus, en tijdens de vroege bronstijd tussen
-4500 en -3500 voor Christus. Men associeert dit met de
zogenaamde Stijdbijlcultuur.
Niettemin zijn er momenteel oudere sporen van
I1 DNA in Scandinavië tot 6500 jaar geleden.
Wat weten we van
de origine van I1-M235 en R1a?
De origine van
I1-M253 wordt doorgaans gesitueerd tussen -20000 en
-15000 jaar oud buiten Scandinavië.
Er zou pas tussen -11000 en
-9000 jaar geleden een migratie naar Scandinavische
landen hebben plaats gevonden. I1a of I1* zouden als eersten de noordelijke
landen hebben bewoond.
De ene theorie houdt het bij een vroege migratie, onder meer vanuit het
voormalige Doggerland na de
IJstijd, een andere kijkt iets recenter
en houdt het bij inwijking van de Baltisch
Slavisch sprekende Touwbeker cultuur tussen -2900 en -2450
VC, gelijktijdig met de migratie van R1a1ab1 Z282.
Recenter onderzoek wijst er op dat de ontwikkeling van
de I1a2 L22 variant,
de oorspronkelijke Y-haplogroep in Scandinavië,
vermoedelijk -20000 en
-15000 jaar geleden te situeren is
in Centraal Europa en dat de inwijking in Scandinavië minstens een 6500
tot 5500 jaar geleden plaats vond.
Wanneer we dit schrijven, zijn er geen oudere historische vondsten
in Scandinavië. De sporen van
R1a dateren momenteel van de Touwbekercultuur 4900
tot 2400 jaar geleden. I1 was alleszins
prominent aanwezig in de Scandinavische landen in -1750
BC. We zitten dan in de noordelijke bronstijd,
en deze haplogroep wordt ook vaak bestempeld als voorouderlijk aan Germaanse volkeren.
Tijdens het
Viking tijdperk (800 tot 1100 nà Christus) was
er een ruime uitwijking van I-M253 vanuit Scandinavië.
Bij een onderzoek uit
2020 werden de overblijfselen van 442 Viking individuen
onderzocht uit meerdere archeologische sites in Europa en I-M253 bleek daarbij
de meest voorkomende haplogroep. Noorse en Deense
Vikings lieten bijvoorbeeld DNA-sporen na in Engeland en in
Ierland, terwijl de Zweedse Vikings sporen nalieten in Oekraïne, Rusland,
Finland en Estonia.
R1b,
de andere voorkomende haplogroep bij laurentii
R1b is
de meest voorkomende haplogroep in West-Europa,
met meer dan 80% in Ierland, de Schotse Highlands, westelijk Wales,
de Atlantische kust van
Frankrijk, Baskenland en Catalonië. Het is
ook vaak voorkomend in Anatolië en
de de Noordzeekust van Europa, met “hotspots” in
de Vallei van de Po in
Noord-centraal Italië (+70%), Armenië (35%), de Basjkirs van de Oeral regio van
Rusland (50%), Turkmenistan (+35%), de Hazara in
Afghanistan (35%), de Oeigoeren van
Noordwest China (20%) en de Newah in
Nepal (11%). Een subgroep R1b-V88 is typisch voor de
sub-Sahara in Afrika
en wordt gevonden bij 60 tot 95%
van mannen in Noordelijk Kameroen.
Wat
DNA ons vertelt, is geen exacte wetenschap.
In een stamboom kan het DNA-haplo
profiel
uiteraard wijzigen, bijvoorbeeld wanneer een ongehuwde moeder haar familienaam behield en kinderen
kreeg die de naam verderzetten in volgende generaties.
Buitenechtelijke en voorechtelijk vaderschap kon voorkomen, al toonde
onderzoek dat dit véél zeldzamer was dan algemeen wordt aangenomen. In zo’n geval
kregen nakomelingen soms
een ander “Y” profiel mee dan de officiële vader. Herkenbare fysieke kenmerken en
“familiale trekjes” bevestigen dan weer een vermeende verwantschap.
Geneografisch I-M253 – uit
het onderzoek van 2008
|
60 000 jaar geleden
Moderne wetenschap gaat hand in hand met genealogisch onderzoek.
Via het DNA kan men geografisch traceren van waar de voorouders komen.
Uit ons DNA bleek dat de voorouders in mannelijke lijn afstamden uit
Afrika. Deze voorouders migreerden tienduizenden jaren geleden via het
Nabije Oosten naar het Zuidoosten van Europa, om via de Balkan in
Noord-Europa uit te komen zo'n 15000 jaar geleden. De aanwezigheid in
Vlaanderen was van recentere datum, en werd gedocumenteerd ongeveer 1200
jaar geleden.
DNA onderzoek
Het DNA-onderzoek identificeerde de Lauwens/Lauwers afstammelingen
van de stamlijn Hombeek-Leest als behorende tot haplogroep I in
mannelijke lijn (Y-chromosomen). De genetische kenmerken gingen terug tot
60 000 jaar geleden, naar de bekendste ‘merker’ van alle
niet-Afrikaanse mannen, M168, de ‘Euraziatische Adam’, en volgde dan een
stamlijn tot de hedendaagse afstammelingen die behoren tot de haplogroep
M170, ook wel haplogroep I genoemd. De Y-chromosomen volgden
de merkers: M168 > M89 > M170.
|
Vanaf 60 000 jaar geleden - Wat genetisch
onderzoek ons leert
Ieder van ons draagt DNA die een combinatie is van
genen geërfd van zowel moeder als vader, die onze fysieke kenmerken en ons
voorkomen bepalen: kleur van de ogen, grootte, gestalte,… Eén uitzondering
is het Y-chromosoom dat van vader op zoon onveranderd wordt geërfd,
generatie na generatie. Onveranderd, tenzij een mutatie plaatsvindt: dit
wordt een unieke ‘merker’ die toelaat doorheen generaties de afstamming in
kaart te brengen. Het DNA Y-chromosoomonderzoek waaraan we deelnamen, liep
in de schoot van een ruimer onderzoek van de Waitt Family Association met
steun van de National Geographic Society.
|
Het DNA-onderzoek identificeerde de Lauwens/Lauwers afstammelingen
als behorende tot haplogroep I 1. De genetische
kenmerken gaan terug tot 60 000 jaar geleden, naar de bekendste
‘merker’ van alle niet-Afrikaanse mannen, M168, de ‘Euraziatische Adam’,
en volgde dan een stamlijn tot de hedendaagse afstammelingen die behoren
tot de haplogroep M170, ook wel haplogroep I genoemd. De
Y-chromosomen volgen de merkers: M168 > M89 > M170.
|
|
Soms is er meer dan één mutatie-element dat
meespeelt in een specifieke genetische tak. Dit is het geval
bij haplogroep I, waarvoor twee merkers kenmerkend zijn, of M170, of
P19. Beide merkers komen altijd samen voor. Beide merkers kunnen dus
worden gebruikt om de afstamming na te gaan. Wanneer een merker
wordt geïdentificeerd, wordt nagegaan wanneer deze het eerst voorkwam, en
in welke regio in de wereld. Elke merker is in essentie het begin van een
nieuwe tak in de familiestamboom van het menselijk ras. Die merkers gaan
ver terug in de tijd, en nog niet alle merkers zijn geïdentificeerd om
het plaatje volledig te maken.
Vandaag de dag vindt men leden van deze
haplogroep in het zuidoosten van Europa en centraal Europa, met relatief
hoge concentraties onder de Scandinavische bevolking. Volgens sommige
studies zouden 40 tot 50% van de noorderlanden
van Scandinavië tot deze haplogroep behoren. Een gelijkaardige
frequentie van voorkomen vindt men onder de bevolking van het noordwesten
van de Balkan in de Dinarische Alpen,
een bergketen in Zuid-Europa die door landen als Slovenië, Kroatië,
Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro, en Albanië loopt. Relatief
hoge frequenties komen voor in sommige delen van Zuid-Frankrijk en in
Normandië.
|
De
vroegst bekende voorouder werd geïdentificeerd via merker M168, ongeveer
50 000 jaar geleden, in Afrika. Deze zogenaamde ‘Euraziatische Adam’
leefde in de IJstijd in het warmere en vochtige klimaat van Afrika. Deze
verre voorouder leefde meest waarschijnlijk in het
noordoosten van Afrika, in de regio van de Grote Rif vallei, ook wel de
“Grote Slenk” genoemd.
|
Volgens schatting ging het om een 10 000 individuen. Zij gebruikten
stenen werktuigen, en er waren vroege sporen van kunst en ontwikkelde
conceptuele vermogens. Archeologisch en skeletonderzoek doen vermoeden
dat de moderne mens anatomisch ontwikkelde in Afrika zo’n 233 000
jaar geleden, dat deze stelselmatig uit Afrika emigreerde en de rest van
de wereld begon te koloniseren zo’n 60 000 jaar geleden. Op dit
migratiemoment begon het verhaal van de voorouders van onze familie.
Deze verre voorouder leefde meest
waarschijnlijk in het noordoosten van Afrika, in de regio van de
Grote Rif vallei, ook wel de “Grote Slenk” genoemd, in het hedendaagse
Ethiopië, Kenia of Tanzania, zowat 31 000 tot 79 000 jaar
geleden. Wetenschappers houden het op meest waarschijnlijk 50 000
jaar geleden. Zijn nakomelingen werden de enige die deze migratie buiten
Afrika zouden overleven, waardoor hij de gemeenschappelijke voorouder is
van iedere niet-Afrikaanse man die vandaag de dag leeft.
Afbeelding: de Olduvai-kloof
in Tanzania, 2006
De Rif vallei of de Slenkvallei is
bekend vanwege antropologische vondsten van de eerste mensen en
aapmensen, vooral in de Olduvaikloof
("wieg van de mensheid").
De moderne mens kwam als
Cro-Magnonmens circa 40.000 jaar geleden naar Europa, maar bestond in
Afrika al langer. Deze 'Afrikanen' worden wel gezien als voorlopers van
de Neanderthaler en Cro-Magnonmens. Met de vondst van de twee schedels
bij de Omo-rivier in 1967 werd deze theorie onderbouwd.
Wetenschappers hadden deze twee schedels op 130.000 jaar gedateerd. Nieuw
onderzoek leek aan te tonen dat twee schedels van Homo sapiens mogelijk
veel ouder (195.000 jaar) zijn.
De Cro-Magnonmens was een latere
tijdgenoot van de Neanderthaler. De Cro-Magnonmens verscheen blijkens
archeologische vondsten ca. 40.000 jaar geleden in Europa. Hij was
anatomisch niet te onderscheiden van de moderne mens, maar wel van de
Neanderthaler die na zijn verschijnen langzaam zeldzamer werd en
uiteindelijk uitstierf.
Vergeleken met de Neanderthaler
was de Cro-Magnonmens qua lichaamsbouw tengerder en minder gespierd. Hij
werd bekend door de merkwaardige beendervondsten in onder meer
Cro-Magnon, Aurignac en La-Madeleine.
Zijn gestalte was aanzienlijk groter dan die van de Neanderthaler,
gemiddeld mat hij 1,75 m. tot 1,80 m. De schedels vertonen grotere
verschillen met die van de Neanderthalers dan met die van huidige mensen.
De oer betekenis van
mens komt
overeen met de wetenschappelijke naam Homo sapiens (Latijn:
"verstandige" of "denkende" mens). Het woord homo, hominis is mogelijk verwant met humus:
"aarde, bodem". Het Franse homme wordt zowel
gebruikt voor "mens" als voor "man", hetgeen het
bekende woordenspel "Madame, vous êtes un homme"
mogelijk maakt. Het Hebreeuwse adam: "mens" wordt
wel verbonden met adamah:
"aarde", hetgeen een parallel met homo oplevert.
Dit alles verwijst naar de oude mythe dat de mens uit klei was gekneed.
De Afrikaanse IJstijd werd
gekenmerkt door droogte eerder dan koude. Omstreeks 50 000 jaar
geleden begonnen de ijskappen van Noord-Europa te smelten. Een periode
van warmere temperaturen en hogere vochtigheid brak aan in Afrika. Delen
van de onherbergzame Sahara werden bewoonbaar. De woestijn veranderde in
een savanne, het wild breidde zijn territorium uit naar de aangroeiende
groene corridor van graslanden. Onze voorouders volgden het goede weer en
de wilde dieren waarop ze jacht maakten. In die periode evolueerde de
intellectuele capaciteit van de ‘moderne mens’: verbeterde gereedschappen
en wapens, het vermogen om vooruit te plannen, samenwerking, en een
betere kennis om met natuurlijke bronnen en levensmiddelen om te gaan.
Dit leidde tot migratie naar een nieuw territorium, dat werd
geëxploiteerd, en waarbij andere hominidae of mensachtigen soms
werden verdreven.
|
|
Zo’n 45 000 jaar geleden volgde een verdere uitwijking naar
Noord-Afrika en naar het Midden-Oosten.
|
|
Naar schatting tienduizenden mensen bevolkten
de halfdorre graslanden. Zij bewerkten steen, ivoor en hout. Deze
voorouders met merker M89, komen voor in 90 tot 95% van alle
niet-Afrikanen. De eerste mensen die Afrika verlieten, volgden een
kustroute die uiteindelijk in Australië zou eindigen. Onze voorouders
volgden evenwel de uitbreidende graslanden en kwamen in het Midden-Oosten
en verder terecht. Zij behoorden tot de tweede grote migratiegolf uit
Afrika.
Zo’n 40 000 jaar geleden veranderde het
klimaat opnieuw. Het werd kouder en strenger. Droogte sloeg toe in Afrika
en de graslanden werden woestijn. De volgende 20 000 jaar zou de
Sahara route ontoegankelijk worden. Dit liet onze voorouders geen andere
keuze dan of in het Midden-Oosten te blijven, of verder te trekken.
Terugkeren naar het zuiden was geen optie meer. Terwijl heel wat
nakomelingen van M89 in het Midden-Oosten bleven, volgden onze voorouders
de kuddes buffels, antilopen en mammoeten met ander wild naar
het hedendaagse Iran, en een grote groep
migreerde naar de steppen van Centraal-Azië. Men zou de halfdorre
graslanden als een soort oude snelweg kunnen bekijken, uitgestrekt tussen
Oost-Frankrijk tot Korea. Deze voorouders migreerden vanuit het Noorden van
Afrika naar het Midden-Oosten en vervolgens zowel naar het oosten als het
westen (via de zogenaamde ‘Centraal-Aziatische snelweg’).
Afbeelding: vondsten van de Gravettiaanse
cultuur
|
Het was een kleinere groep die er voor koos naar het noorden te
verhuizen, naar Anatolië en de Balkan. Zij wisselden het traditionele
grasland voor wouden en hoger gelegen land. Dit is
de groep waarvan wij afstammen.
|
|
Zo’n
20 000 jaar geleden woonden onze voorouders in het zuidoosten van
Europa, op het hoogtepunt van een nieuwe IJstijd. Het ging om
honderdduizenden mensen, gerekend tot de Gravettiaanse cultuur, of ook
Opper-Paleolithisch. Deze cultuur vertegenwoordigde een tweede
technologische fase in het prehistorische West-Europa. Ze werd genoemd
naar La Gravette in Frankrijk, waar heel wat
nieuwe werktuigen werden gevonden ten opzichte van de voorafgaande Aurignac cultuur. Het Gravettiaanse wapentuig bevatte
bijvoorbeeld smalle stenen bladen gebruikt voor de jacht op groot wild.
Deze cultuur werd ook gekenmerkt door weldadig kraswerk op rotsen en
afbeeldingen van volronde vrouwen – die ook wel eens ‘Venus’ figuren
werden genoemd (zie foto: een bekende 'Venus' uit de
Gravettiaanse cultuur is het Venusbeeld van Willendorf).
Het kleine beeldhouwwerk, vaak niet groter dan een hand, stond in het
teken van vruchtbaarheid, en beeldde vaak zwangere vrouwen uit. Mogelijk
ging het om godinnen.
Onze vroege Europese voorouders gebruikten
gezamenlijke jachttechnieken, creëerden schelpenjuwelen, en gebruikte
beenderen van mammoeten om hun huizen te bouwen. Recente vondsten wijzen
er op dat deze Gravettiaanse voorouders de kunst verstonden om kleding te
weven met natuurlijke vezels, al zo’n 25 000 jaar geleden, lang voor
de veronderstelde ‘uitvinding’ van weefkunst die tot voor kort werd
gesitueerd ongeveer 10 000 jaar geleden.
|
|
De voorvader die de merker M170 toevoegde aan het DNA, werd zo’n
20 000 jaar geleden geboren. Hij moet geboren zijn in één van de
geïsoleerd levende gemeenschappen die de laatste trekken van
de IJstijd wisten te overleven. Dat was vermoedelijk in de Balkan.
|
|
Foto: De
hoogste berg van de Dinarische Alpen is de Dinara
en ligt in de provincie Split, noordelijk van Split en Šibenik in Kroatië. De Dinara
is 1.831 meter hoog.
De ijskappen die het grootste deel van Europa
bedekten, begonnen te smelten zo’n 15 000 jaar geleden. In die
periode koloniseerden onze voorouders Noord-Europa. Uit deze lijn kwamen
de Vikings voor. Het genetisch onderzoek toont aan dat de Lauwens/Lauwers
families in de mannelijke lijn verwant waren met 'Noormannen'.
Het waren vooral Deense Vikings die
Vlaanderen aandeden, alsook Engeland, Frankrijk (Normandië) en Nederland;
de Zweedse Vikings spitsten zich toe op het Oosten, en zouden hun naam
geven aan het grootse gebied dat zij aandeden ('Rus'-land). Er zijn
meldingen van plunderingen te Antwerpen in 836, waarna de Rupelstreek,
Gent, Kortrijk, Doornik, Leuven en de Maasstreek volgden. De
Vikings hielden thuis op de Britse eilanden en in het Zuiden van
Frankrijk, en dat is de verklaring voor het voorkomen van genetisch
verwanten in onder meer de Keltische bevolking en in het Zuiden van
Frankrijk.
Afbeelding: Vikinggebieden en reizen
De nederzettingen aan de Franse kust leidden
tot de naam "Noormannen- gebied", of "Normandië". De
naam Normandië werd overigens pas in 911 gegeven toen Karel III, koning
van toenmalig Frankrijk, het gebied afstond aan Rollo, de leider van een
dreigende Vikingmacht. Willem de Veroveraar (1027 - 1087) was - hoewel
een 'bastaard' - een afstammeling van Rollo. Zijn vader was Robert I,
Hertog van Normandië en Arlette, zijn moeder, was de dochter van een tin
bewerker. Willem zelf huwde Mathilde, een dochter van Boudewijn V, Graaf
van Vlaanderen. Op 28 september 1066 versloeg hij de troepen van de
Engelsman Harold bij Hastings en
toen lag voor hem de weg open naar de Engelse kroon. In het leger
van Willem de Veroveraar bevonden zich overigens heel wat Vlaamse
krijgslieden. In het gevolg van de Normandiërs emigreerden heel wat
Vlamingen in de 11e eeuw naar Engeland.
Ook in Brugge hadden de Noormannen een "brygghia"
of "aanlegplaats" gemaakt van waaruit ze het binnenland
plunderden.
Afbeelding:
Viking bodemvondsten van de 7e-9e eeuw uit het Oostzeegebied: fibula,
kruisjes en riembeslag. (Privé collectie Laurentii)
Hier eindigt het geneografisch onderzoek. De
voorouders van de Lauwens en Lauwers families in onze stamlijn, begon,
althans langs vaderlijke lijn, lang voor de eerst geïdentificeerde
voorouders in de 13e eeuw in het Graafschap Vlaanderen en
het hertogdom Brabant, bij nakomelingen van Vikings in Zuid-Engeland en
in de Nederlanden.
|
|
Toen ik in 2008 voor het eerst deelnam aan een
DNA-onderzoek, had ik geen idee tot welk nieuw inzichten dat kon leiden.
Het ging om een geneografisch onderzoek van National Geographic en de Waitt
Society. Op basis van veranderingen in het Y-chromosoom over meerdere
generaties, wilde men achterhalen wie de voorouders in mannelijke lijn
waren.
Het
resultaat stemde verrassend overeen met wat we al wisten uit genealogisch
onderzoek. Er waren de voorouders die we in kaart hadden gebracht. Er waren
ook wapenschilden en heraldische symbolen ontdekt waarvan de geschiedenis
ons eeuwen terugvoerde in de tijd. Zowel het stamboomonderzoek als de
wapenkunde leken al te wijzen op een Viking verwantschap ergens in de 9e en
10e eeuw.
In
2017 stond ik opnieuw DNA af voor een onderzoek van de K.U. Leuven. Er
kwamen nieuwe inzichten in historisch DNA-onderzoek naar boven. Haplogroep
I1* wordt als een typerende Scandinavische haplovariant beschouwd. Ook bij
haplogroepen als R1a en R1b is er een indicatie in die richting. Dit wil niet per definitie zeggen dat er
voorouders bij Vikings moeten worden gezocht. Haplogroep I1* kwam volgens
het Leuvense onderzoek “De Geni-ale stamboom” sporadisch ook al voor
in onze contreien aan het eind van de laatste IJstijd (-15000 jaar
geleden). Dat er in deze periode nauwelijks sporen van I1* waren gevonden,
wees in de richting van het verdwenen “Doggerland”, een landbrug tussen
Engeland, de Nederlanden en Scandinavië. Dat was een woongebied dat na de
laatste IJstijd verdween onder water.
We
wisten al dat de stamboom vóór de Mechelse Joris Lauwerens in het
hertogdom Brabant terug ging tot de families Lauwereyns in het Graafschap
Vlaanderen. De Mechelse Joris was in 1570 in Mechelen
Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle gehuwd met Christine van Dormael.
Zijn voorouders kenden we inmiddels ook, vanaf het huwelijk van Odin
Lauwereyns van Diepenhede met Johanna Van Velthuysen in 1247 in
Brugge. En de voorouders van ridder kruisvaarder Odin kenden we ook, met
voorouders uit Engeland en Cadzand tot in 865. Een flinke sprong in de
tijd.
Het
familiewapen van Odin was ontleend aan de heren van Cadzand en
bevatte heraldische elementen van voorouders in onder meer Suffolk,
Engeland. Er waren in die voorouderlijke lijn opvallende verwantschappen
met gekende Viking geslachten. Nóg
verder terug in de tijd zouden de heren van Cadzand afstammen van de
koningen van Wales die door de Engelsen werden verdreven. Dat bleek uit het
oudst bekende familiewapen van deze familie. Nakomelingen van Odin – liet
dat nu net een echte “Viking” naam zijn – voerden tot in onze tijd
familiewapens met afgeleide heraldische kenmerken.
Alvast
één afstammingslijn van de heren van Cadzand behoorde tot de R1b haplogroep,
terwijl ook haplogroep I-M253 in een andere gedocumenteerde tak voorkwam.
Bij
hedendaagse Lawrence families weten we dat Y-chromosoom DNA-onderzoek zowel
Haplogroep I-M253 (in Sussex, VK, Schotland en Frankrijk) opleveren als
andere (E-M2, E-M35, G-M201, J-M269, R-L21, R-M269 elders in de
Angelsaksische wereld). Er zijn behalve I-M253 ook varianten als I-M170 en
I-L170 bekend bij uitwijkelingen aan de oostkust van de VS. We beschikken
dus ook over een breed referentiekader om mee te vergelijken.
In de rand van dit
Y-chromosoom onderzoek naar voorouders moet ik toch vermelden dat het om de
afstamming in mannelijke lijn gaat. Mitochondriaal X-chromosoom onderzoek
is veel rijker, maar laat helaas niet toe om rechtlijnig verder in de tijd
te zoeken. Geen stamboomonderzoek is volledig zonder ook de voormoeders te
bekijken die sporen nalieten in onze genen. Tegenover deze anonimiteit
staat evenwel dat men in mitochondriaal onderzoek de percentages van
‘etnische’ afstamming wel kan terugvinden. Mannelijk of vrouwelijk, we zijn
een smeltkroes van vele genen.
Bekende voorbeelden van I-M253
Bekende I-M253 personen uit
geneografisch onderzoek zijn onder meer:
·
de grondlegger van
de Verenigde Staten Alexander Hamilton,
·
de Varangiaanse Simon, stamouder van
de Russische Vorontsov familie met prins Mikhail Semyonovich, de Rurikid prins Sviatopolk, zoon van Vladimir de Grote,
·
Birger Jarl, “hertog
van Zweden” van het huis Bjälbo en stichter van
Stockholm (stoffelijk overschot onderzocht in 2002). Het
huis Bjälbo leverde ook
drie koningen van Noorwegen en een van Denemarken in
de 14e eeuw.
·
William Bradford, gouverneur van
de Mayflower,
·
William Brewster, passagier van de Mayflower,
·
generaal Robert E. Lee en andere Lee’s van
Virginia,
·
Robert I van Schotland,
ook bekend als Robert the Bruce,
en leden van de clan Bruce,
·
mannelijke leden van het Huis van Grimaldi,
·
VS-president Andrew
Jackson,
·
de Russische schrijver Pyotr Tolstoj,
·
de IJslandse dichter Snorri Sturluson,
·
wetenschapper Emanuel
Swedenborg en andere leden van de familie Swedenborg,
·
Siener van Rensburg uit de
Boer oorlogen in Zuid-Afrika,
·
de Finse zakenman Björn Wahlroos,
·
de Finse wiskundige Rolf Nevanlinna,
·
uitvinder Samuel Morse,
·
de voetballers Svante en Sebastian Larsson,
·
de Zweedse Youtuber Felix Kjellberg,
·
de Zweed Björn Andrésen, wiens voorouder Johan Andrésen aan de Zweeds-Noorse grens leefde,
·
acteur Chris Pine.
Verwantschappen van voorouders
met andere Viking-families
Aangetrouwde families bij de
voorouders van Joris Lauwerens uit Mechelen waren vóór de 13e
eeuw onder meer:
·
Wessynton (Washington),
·
Torfin “de Deen”,
·
de Tafford,
·
Wallace,
·
kruisridder Robert
Lawrence,
·
Capet de
France,
·
de Warenne,
·
Rurikid de Kiev,
·
het huis
van Ivrea, de Suffolk,
·
de Deense koning Rollo via Rognvald
(Ragnar) Eysteinnsson, “Jarl” of stichter van een Viking koninkrijk,
·
Eysteinsdottir.
Bij recent vergelijkend onderzoek duiken onder meer nauwe (DNA-)verwanten op
met families in Schotland, Ierland, Engeland en in
Scandinavische landen. Zo vonden we bijvoorbeeld matchen met
DNA-profielen bij families Stevenson, Stephenson, Griffin, Deverick, Frank, Hall en Crone, Foulger in vergelijkende databases
met een Engelstalig publiek (VK en VS, 37 tot 46
strings).
De
deelname aan genealogisch DNA-onderzoek heeft de afgelopen decennia
veel aan populariteit gewonnen. Dat leidt tot nieuwe inzichten in
de migratie van mensen over de
eeuwen heen. Overigens: er is niet zoiets als een
“Viking” DNA-profiel. Wanneer men
de geschiedenis van volkeren bekijkt, is
de diversiteit van DNA onlosmakelijk verbonden met
de geschiedenis van de mensheid. Zoals eerder gesteld,
blijkt dat ook uit het veel rijkere mitochondriaal onderzoek, waarin de
voormoeders ook aan bod komen.
11000
jaar geleden - Het verdwenen Doggerland
Een team van
wetenschappers heeft een verborgen stuk van prehistorisch Europa in kaart
gebracht. Doggerland, zoals het ‘Britse Atlantis’ wordt genoemd, ligt op de
bodem van de Noordzee en strekte zich uit van Schotland en Denemarken tot
aan Bretagne. Het gebied verdween tussen 18.000 en 5.500 vóór Christus
onder water door de langzaam stijgende zeespiegel en een tsunami.
Wetenschappers hebben het
onderzeese landschap Doggerland genoemd, naar een grote zandbank voor de
Engelse kust. Doggerland (een enkele
keer Doggersland genoemd) is vernoemd naar de Doggersbank. Dogger is
een oud Nederlands woord voor een vissersboot waarmee op kabeljauw werd
gevist (oud Nederlands: 'dogghe').
“Uit onderzoek van
3D-reliëfkaarten van oliemaatschappijen waar we mee samenwerken, blijkt dat
een groot gedeelte van het gebied was bedekt met ijs, zo’n 20.000 jaar
geleden. Toen het ijs smolt, kwam meer land vrij, maar tegelijk steeg het
zeewater. Het stijgen van de zeespiegel is dus niet nieuw, het is een
cyclus die al dikwijls heeft plaatsgevonden op Aarde.”, citeert een
onderzoeker.
Het onderzoek naar
Doggerland loopt nog verder. Wetenschappers buigen zich onder andere over
mogelijke menselijke grafheuvels, een mammoetmassagraf en intrigerende
rechtopstaande stenen die op de zeebodem zijn ontdekt. Het is zeer
waarschijnlijk dat er verwanten hebben gewoond in dit onder de zee
verdwenen gebied. Het was een landmassa tussen de landstreken waar vroege
voorouders voorkwamen, in wat nu Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en de
Nederlanden zijn.
Al
in 1913 schreef de Britse paleo botanicus
Clement Reid dat de Noordzeebodem
archeologische voorwerpen moest bevatten waaronder oude menselijke resten.
Destijds waren er te weinig mogelijkheden om de zeebodem goed te
onderzoeken. Doggerland was een uitgestrekt gebied tussen
Engeland en continentaal Europa. In periodes met een lage zeespiegelstand
was dit gebied onderdeel van de droogliggende bodem
van de Zuidelijke Noordzee. Dit was het geval tijdens elk glaciaal. De
laatste keer vond dat plaats tijdens het Weichselien,
de koude periode die zo'n 11.000 jaar geleden eindigde. Regelmatig vinden
vissers in dit gebied botten in hun netten wanneer die over de zeebodem
slepen, van mammoeten, leeuwen, neushoorns, hyena's en andere uitgestorven
of uitgeweken dieren.
2500
jaar geleden - Voorouders aan de Zenne en de Dijle
De Brabantse Lauwers- en
Lauwens familie woonden vanaf de 15e eeuw voornamelijk in
de omgeving Hombeek-Leest, aan de oevers van de Zenne, waar zij verwant
werden met andere families die de Zenne- en de Dijlevallei bevolkten.
Afbeeldingen: Het
"stamgebied" van de Brabantse families van Leest en Hombeek. Uit
archeologische vondsten o.m. te Hombeek en Leest, weten we dat het gebied
aanvankelijk werd bewoond door Nerviërs, een Germaanse stam
die het gebied al bewoonde in 200 voor Christus, hoewel de meeste volkeren
in het gebied dat nu 'Vlaanderen' heet een eerder Keltische oorsprong
hadden. De families die de Zennevallei bewoonden, hadden een
voorgeschiedenis die minstens 2200 jaar teruggaat in de tijd.
De
oorspronkelijke Keltische stammen, die het gebied al bewoonden in 450
voor Christus, hadden geen duidelijk afgebakende woongebieden met grenzen
zoals we die vandaag kennen. Julius Caesar sprak eerder van "confinium" voor gemeenschappelijke stroken
waar geen van twee buurvolkeren vaste afspraken konden laten gelden, en van
"fines", gebieden waar een
bepaalde groep het voor het zeggen had. Daartussen lagen niemandslanden,
moerassen of wouden bijvoorbeeld, die men moest doorkruisen om het gebied
van een andere groep te bereiken. Enkel dichtbevolkte streken, waar
invloedssferen elkaar raakten, hadden min of meer grenzen, en dus ook
grensconflicten. De situatie bestond op alle niveaus, tussen groepen van
stammen, tussen stammen of volkeren onderling, tussen kleinere groepen of
gemeenschappen, tussen families en gehuchten.
Kaart: Caesar maakte zelf een
inventaris op van de krijgers van stammen der Belgae
die hem confronteerden: 60000 Bellovaci, 50000 Suessiones, 50000 Nerviërs, 15000 Atrebaten, 10000 Ambiani,
25000 Morini, 9000 Menapii,
10000 Caleti, 10000 Veliocasses,
10 000 Viromandui, 19000 Atuatuci, 40000 Condrusi, Eburonen, Caerosi, Paemani die als "Germani"
werden bestempeld.
Caesar kwam tot de
vaststelling dat deze stammen bezwaarlijk allemaal als "Galliërs",
als synoniem voor Kelten, konden worden beschouwd. Blijkbaar hadden ook
heel wat Germanen de Keltische cultuur geassimileerd. Stammen als de
Nerviërs en de Trevieren die belangrijke posities
bekleedden in Belgica, gingen zelfs prat op hun
Germaanse oorsprong (zijnde "afkomstig van over de Rijn"),
en ook archeologische vondsten lijken dit te bevestigen. Volgens sommige
bronnen bewoonden de Nerviërs al in 400 vóor Christus het gebied tussen de
Zenne en de Dijle. De plaatsnaamkunde bevestigt dit ook: bewaarde
toponiemen verraadden een Germaanse klankstand, behalve bij de meest
zuidelijke stammen die een Keltische 'klankkleur' vertoonden. Over een
groot gebied rondom de Rijn werd nog ten tijde van Caesar een taal
gesproken die zeer oude Indo-Europese bestanddelen had bewaard. Daarin
hadden zich al rond 250-200 vóór Christus Germaanse
invloeden voorgedaan.
De Nerviërs waren veruit
de grootste Belgische stam en boden ook het meeste verzet tegen Caesar. Ze
waren gevestigd in de streek tussen Samber en het Kolenwoud, tussen
Schelde, Dijle en Samber. Zij boden hardnekkige weerstand onder de leiding
van Boduoguat bij de
rivier Samme (bovenloop van de Zenne), een bijrivier van de
Boven-Schelde in 57 voor Chr.. Bij deze veldslag dreven ze Caesar tot op de
rand van een nederlaag. Caesar wist echter de bovenhand te houden. In 54 voor Chr.
vormden ze opnieuw een leger en kwamen weer in opstand. De streek was in 51
voor Chr. volledig onderworpen door Caesar. Belgica
werd een provincie van Gallië, met als hoofdstad Durocortorum Remorum (Reims). Julius Caesar beschreef de
typische hagen waarmee Nerviërs de wegen en velden afzoomden: zij hadden
geen noemenswaardige ruiterij en streden vooral te voet. Ook 'kanten' en
houtwallen waren typische afzoming van velden en
wegen. Deze speelden met name in het voordeel van de opstandige Nerviërs.
Afbeelding: Nervische 'stater'
munten van het epsilontype: op de voorzijde, een rudimentair stuk van een
hoofd, op de keerzijde, een paard met een driehoekig hoofd met daarboven
een wiel met vier spaken. Sommige stammen bleven met instemming van
Rome munt slaan. De Gallische muntheren grepen
terug naar de voor hen vertrouwde beelden- en propagandataal en gaven op
die manier de indruk nog steeds vrij te zijn en niet onderworpen aan de
Romeinse heerschappij. De munthervorming van keizer Augustus (23 – 17
v. J.C.) voorzag in de oprichting van keizerlijke muntateliers, verspreid
over heel Gallië en in een voldoende, gecontroleerde uitgifte van Romeinse
munten. Kort daarop, viel de Gallische aanmunting voorgoed stil.
Dat de gronden in
Hombeek, Leest en Heffen sinds lange tijd permanent werden bewoond, werd
aangetoond in 1939 met archeologische vondsten teruggevonden in de
Zennebedding. Het betrof IJzertijdvaatwerk, en Romeins en Middeleeuws
aardewerk. Het staat vast dat het gebied nog voor onze tijdrekening door
Nerviërs werd bewoond. Deze stammen hadden een nederzetting gesticht aan de
monding van de Zennebeek en de Leibeek. Deze nederzettingen werden
gesticht op de hoger gelegen linkeroever. De rechter Zenneoever bestond
immers bijna volledig uit drassig moerasgebied .
De Nerviërs die onze gewesten bewoonden, hadden wellicht een eigen
naamgeving voor de hedendaagse dorpen en gehuchten, maar die kon tot nu
niet worden achterhaald. De eerste naamgevingen stammen uit
de Frankische periode (eveneens een Germaanse stam)
vanaf 370 na Christus, toen volgens sommige bronnen een grote
volksverhuizing plaatsvond.
In de 4e-5e eeuw werd er
in Hombeek, net als in de omliggende gebieden, op zijn minst één Frankische
nederzetting gesticht, Eggelgem . De meeste van
deze nederzettingen bevonden zich op de linkeroever van de rivier. Ze zijn
langsheen de waterloop te vinden vanaf het Zennegat tot in het Brusselse.
Deze nederzettingen waren afzonderlijke herenwoningen. Sommige van deze
hoven zijn later uitgegroeid tot dorpen, zoals Eppegem, andere behielden
hun karakter van herenwoning, zoals het Hombeekse Eggelgem. We kennen ze nog uitsluitend via
overlevering, achternamen of lokale plaats- of gehuchtnamen. Binnen de
grenzen van Mechelen, Zemst en Hombeek vinden we Eglegem, Berbelgem, Zwivegem,
Adegem, Ouwergem, Releghem, Heisegem en Prolegem.
Vanaf de 9e eeuw, na het
hoogtepunt van het Karolingische rijk dat aanving in de 7e eeuw, zijn er
sporen van Deense koningen (Vikings) die zich in de streek
kwamen vestigen, zoals Onulfus van Wolvertem en diens
vader Volkaard I van Anderlecht in de 11e eeuw, die op gelijke voet stonden
met de heren van Grimbergen.
Pas in de hoge
Middeleeuwen wordt ook het Brabantse deel van Hombeek bewoond, zij het veel
minder dichtbevolkt dan het Mechelse. Het Brabantse deel heet Smalbrabant
of Klein Brabant, terwijl het Mechelse de naam Hombeek draagt. Andere, meer
gebruikte, benamingen waren Ophombeek en Neerhombeek.
Neerhombeek hoorde bij de heerlijkheid Mechelen,
terwijl Ophombeek onder het gezag stond van de hertog van Brabant. In de
Karolingische periode werd de latere vrijheid van Mechelen (inclusief Neerhombeek) overgedragen aan de kerk van St-Lambertus
te Luik.
1500
jaar geleden – Frans of Vlaams? Germaans of Keltisch?
In het West-Vlaams komen
blijkbaar nog de meeste Ingvuoonse invloeden voor, eigen aan
Saksen die zich tijdens de Germaanse volksverhuizingen in de 4e tot 6e eeuw
aan de kusten vestigden.
Andere volkeren die onze
gewesten aandeden die worden vermeld: (Germaanse) Vandalen, Goten,
overwegend (Salische) Franken. De Frank Clovis stichtte in de 6e eeuw het
'Frankenrijk' in onze gewesten. Toen de Romeinen onze gewesten aandeden
goed 6 eeuwen eerder, woonden in Vlaanderen nog vooral "Belgae", een Keltische bevolking, die - althans
cultureel - verdrongen werd door de Germaanse en Saksische invallers,
vooral in Vlaanderen.
Behalve de
volksverhuizingen, speelden ook de rooftochten van Magyaren en
Vikings (8e tot 10e eeuw) en de bijna permanente interne oorlogsvoering een
rol in de ontwikkeling van het 'Vlaanderen' van de vroege middeleeuwen. De
omschrijving 'Vlaanderen' zou overigens pas voor het eerst voorkomen in de
7e eeuw.
Afbeelding: Een
groep enthousiastelingen brengt de "Kelten" opnieuw tot
leven.
De oorspronkelijke
Keltische stammen hadden geen duidelijk afgebakende woongebieden met
grenzen zoals we die vandaag kennen.
Boven Germaanse en
Keltische accenten in de taal, stond blijkbaar een "algemeen
Keltische" taal die door de handelaars en leiders werd gebruikt. In
deze klasse bevoorrechten werden vaak Keltische namen gebruikt.
De Romeinse schrijver
Tacitus vermeldde dat Germanen in Gallië als het ware "Galliërs"
waren geworden (assimilatie van de Keltische cultuur), terwijl de Griekse
schrijver Strabo de Germanen aanduidde
als een volk ten oosten van de Rijn, die zich onderscheidden omdat ze
"nog groter, nog woester en nog blonder" waren.
Hij vermoedde dat deze
"Germani" (Latijns voor
"echt") beweerden dat zij "ras Kelten" waren. Eén en
ander maakt duidelijk dat het niet eenvoudig is om de oorsprong van
volkeren eenvoudig in hokjes te plaatsen.
Afbeelding: Publius
Cornelius Tacitus, ca.55-117 na Christus
Julius
Caesar had er, ter verantwoording van zijn veroveringspolitiek, alle belang
bij te beweren dat beneden de Rijn enkel "Galliërs" woonden en
dat de "Germanen" enkel boven de Rijn gevestigd waren. Het
Romeinse rijk deed er in ieder geval alles aan om Germaanse volksverhuizers
te beletten de Rijn over te steken, terwijl de Germaanse Franken
bondgenoten werden in een machtsuitbreidend
gebied onder de Rijn, dat in de 6e eeuw
tot de Frankische Merovingse dynastie
zou leiden. Het was allicht ook geen toeval dat Julius Caesar het meest
ongenadig tekeer ging tegen stammen met een 'Germaanse' signatuur: Atuatuci, Eburones, Usipetes en Tencteri.
Toen
de Romeinse keizer Caligula (37-41) in
zijn zegetocht ook Germanen wilde laten paraderen, maar er geen vond onder
de krijgsgevangenen, zocht hij de grootste exemplaren van de Galliërs uit,
die hun haar moesten laten groeien en het rossig kleuren. Aldus de Romeinse
geschiedschrijver Suetonius in zijn
circa 120 na Christus geschreven boek "Levensbeschrijving der
Romeinse Keizers" (De vita Caesarum).
Hieruit bleek nog eens dat de Gallische Kelten niet zover hebben afgestaan
van hun 'Germaanse' naburen.
Afbeelding: Romeinse re-enacters van het I Röhmercohorte
Opladen (DE) en het Legio IX (BE) reconstrueren de geschiedenis van de
Romeinen in het oude Gallië7.
|
Foto's re-enacters (c)
re-eanacters gezelschappen (zie refertes hoger)
- Foto munten uit nationale collectie Nationale Bank van België (Public
Domain) - Kaartbewerking Zenne- en Dijlevallei van (c) integraal
waterbeleid.be onder gebruiks-voorwaarden -
Historische kaart Belgica onder Creative
Commons licentie CC BY-SA 3.0, Feitscherg,
2005 (Bron: Wikipedia DE). - Beeld Tacitus onder Public Domain (Bron:
Wikipedia). - Familiewapen Laurentii - De kaart is een eigen
bewerking van een kaart van Wereldatlas De Dag Antwerpen uit
1938. Afbeelding fragment tapijt van Bayeux van 1068 onder
licentie Creative Commons CC BY-SA 3.0 / Public domain -
Bron: Wikipedia.
|
1000
jaar geleden - Vikings in de lage landen
Met wat we nu weten, is
de oorsprong van de Laurentii in
België te vinden in de omgeving van Brugge in het voormalige graafschap
Vlaanderen kan deze teruggaan tot tussen de 9e en de 12e eeuw.
Een DNA-onderzoek via de mannelijke lijn leidde tot Haplogroep H1-a, wat
wijst op een genetische verwantschap met Deense Vikings, maar er waren geen
aanwijzingen dat dit verband hield met de aankomst van Vikingen in de
streek van Brugge.
In
het eerste kwart van de 9de eeuw teisterden de noormannen
de Vlaamse kust, maar een plaatselijk garnizoen zou deze dreiging hebben
kunnen afslaan. Zo verhaalde het Liber de gestis regum Francorum.
Vanaf
halfweg de 9de eeuw dook de naam Brugge op in documenten en op munten. De
allereerste vermelding kwam voor in een inventaris van kerkschatten van de
Sint-Baafsabdij in Gent uit de periode 851-864, Breviarum de thesauro Sancti Bavonis. Daarin
werden kerkschatten vermeld die uit angst voor de invallen van de
Vikingen in veiligheid werden gebracht.
De oorspronkelijke naam
van de nederzetting ‘Brugge’ zou Rogia zijn,
een afgeleide naam van de Reie. Vanaf de 8e of
de eerste helft van de 9e eeuw onderging de naam een
taalkundige evolutie die alleen door invloed van het Oudnoors is te
verklaren. Er zou toen een contaminatie hebben plaatsgevonden met het
Noorse bryggia dat
“aanlegplaats” betekende. Deze naam was enkel te verklaren vanuit intense
en langdurige contacten met Vikings, een Scandinavisch volk, of zelfs de
aanwezigheid van een belangrijke vreemde kolonie. Heel wat woorden in het
scheepsjargon werden ontleend aan het Oudnoors, zoals stag, beting
(van beitass) en kiel (van kjörl).
Afbeelding: beeld
van Boudewijn I van Vlaanderen, met de ijzeren arm, aan de gevel van het
stadhuis van Brugge
Wanneer
Boudewijn I met de Ijzeren Arm in 862
volgens de legende Judith, de dochter van de Franse koning Karel de Kale
schaakte en met haar naar Brugge vluchtte, moest hij naar verluid vooral de
streek beschermen tegen de invallen van de noormannen.
Daarvoor werd een burcht op de huidige "Burg" in Brugge gebouwd.
Boudewijn werd de eerse graaf van
Vlaanderen en regeerde als dusdanig van 877 tot 879. Ook zijn zoon,
Boudewijn II de Kale, die gehuwd was met Elfridis,
dochter van de Engelse koning Alfred de Grote (rex 871-899), had als graaf
van Vlaanderen de handen vol met het beteugelen van invallen van noormannen. Dit bleef duren tot Arnulf van
Karinthië, koning van Germanië, de
Noormannen defintief versloeg in de Slag
van Leuven aan de oevers van de Dijle in 891. Het vervolg speelde meer
op Engelse bodem, maar Brugge en Vlaanderen raakten er bij betrokken.

|
██ Vikinggebieden in de 8e eeuw - ██ Vikinggebieden in de 9e eeuw - ██ Vikinggebieden in de 10e eeuw
██ Vikinggebieden
in de 11e eeuw - ██ gebieden die
slachtoffer van regelmatige rooftochten door Vikingen waren
|
|
|
Sweyn Gaffelbaard
(960-1014), de zoon van Harold Blauwtand (910-986/7), koning van
Denemarken, huwde een eerste keer met Gunhilde van
Polen en hun zoon Harold IV (994-1018/9 is de vader van Cnut (995-1035) de Grote, koning van 1016
tot 1035. Uit zijn tweede huwelijk met Sigrid werd een dochter geboren,
Astrid, die trouwde met Richard II, de hertog van Normandië. Tijdens zijn
bewind bezocht Cnut de Grote met
zijn tweede vrouw Emma Brugge in 1026. Emma, dochter van Richard I van
Normandië, was weduwe van de Engelse koning Aethelred II.
Wanneer Cnut stierf en Harold I Hazevoet,
zoon uit zijn eerste huwelijk, ten onrechte koning werd, vluchtte Emma van
Engeland naar Brugge. Wanneer haar eigen zoon Harthacnut,
die ze had met Cnut, dan koning werd in
1040, keerde zij terug naar Engeland. Bij het overlijden van Harthacnut werd hij opgevolgd door een zoon die
Emma had met haar 1e man, koning Aethelred II.
Het werd Edward de Belijder, koning van Engeland van 1042 tot 1066.
Edward
was getrouwd met Edith, de dochter van Gytha en
Harold Godwin, earl of Wessex.
Wanneer Harold Godwin zich teveel ging
bemoeien, verbande Edward de familie naar Brugge. Enkel Harold II Godwineson, één van de zonen, ontsnapte hieraan en werd
de opvolger van Edward in 1066. Hij werd in de Slag bij Hastings verslagen
door Willem I, de Bastaard (de Veroveraar) genaamd, die gehuwd was
met Mathilde van Vlaanderen, dochter van graaf Boudewijn V van
Rijsel.
Cnut de
Grote was de oom van Sweyn II Estridson (° 1020 ?-koning 1047-1074). Zijn zoon
werd koning Cnut IV de Heilige
(°1040 ?) in 1080, tot hij vermoord werd in 1086. Hij was gehuwd met Adela,
dochter van Robrecht I de Fries. Hun zoon was Karel de Goede (° 1083
?), die als Deense prins graaf van Vlaanderen werd van 1119 tot hij
vermoord werd in 1127.
Brugge was overigens niet
de enige Vlaamse stad met een Vikingverleden. Deense Vikings die in
Engeland door Alfred de Grote waren verslagen, staken in 879 het
Kanaal over en gebruikten Gent als uitvalsbasis. Zij trokken in 881
naar Asselt aan de Maas in Midden-Limburg om van daar uit
strooptochten uit te voeren tot in Keulen, Bonn, Koblenz en Trier. De Frankische
vorsten trachtten kwaad met kwaad te bestrijden en beleenden kustgebieden
aan Deense Vikings als Harald en Rorik, die
al vóór 840 door Lodewijk de Vrome als leenman werden aangesteld in
Dorestad en omgeving. Dit bleek weinig effectief, ook bij de opdeling van
het Karolingische rijk in 843, omdat de Viking leenmannen slechts een
kleine militaire bovenlaag uitmaakten van de samenleving, en vaak afwezig
waren omdat zij deze lenen niet permanent bewoonden.
Niet alle Deense Vikings
waren krijgsmannen, en het is duidelijk dat velen zich integreerden in de
cultuur van hun nieuwe thuisland en opgingen in de inheemse bevolking. Hoe
dan ook kon de aanstelling van Deense leenmannen niet bewerkstelligen dat
de Vikingaanvallen ophielden na het uiteen vallen van het Karolingische
rijk.
Afbeelding: Viking omega fibula`s
en Viking Kruishangers, twee gedecoreerd met mythische draak figuren, uit
de 8e tot 11e eeuw. Datering:
Vroeg middeleeuws - Viking periode - 8e/11e eeuw.
Op lange termijn was
hun invloed op het economisch en staatkundig vlak nochtans
onmiskenbaar. De handel viel niet stil maar verlegde zich, de
zeevaartkunde verbeterde, en de versterkte vestigingen, vaak ontstaan als
vluchtplaatsen, vooral aan de kust, met de militaire versterking door
lokale heersers, werden steeds effectiever – het centrale gezag was immers
aanzienlijk afgebrokkeld en deze omstandigheden versnelden de desintegratie
van het Karolingische rijk.
De aanwezigheid van
Deense Vikings in Vlaanderen boeide ons omdat een Y-chromosoom onderzoek op
mannelijke descendenten Lauwens in de 21e eeuw wijst op een
Deense Vikingoorsprong. Deze genetische lijn
werd ook ontdekt in een mitochondriaal onderzoek van een stammoeder van de
familie Hernandez op de Canarische
eilanden. Deze stammoeder heette Juana Lorenzo
en was een Vlaamse immigrante uit Brugge wiens naam oorspronkelijk als Johanna
Lauwens/Lauwers werd
gespeld.
|
Vikings
in het hertogdom Brabant
Vanaf
de 9e eeuw, na het hoogtepunt van het Karolingische rijk dat aanving in
de 7e eeuw, zijn er sporen van Deense koningen
(Vikings) die zich in de streek kwamen vestigen, zoals Onulfus van Wolvertem en
diens vader Volkaard I van Anderlecht in de 11e eeuw, die op gelijke voet
stonden met de heren van Grimbergen.
|
1066
- Mathilde van Vlaanderen, Koningin van Engeland
De
geschiedenis van Vlaanderen en Engeland was sterk verweven vanaf de vroege
middeleeuwen. Eén van de meest markante gebeurtenissen vond plaats twee
eeuwen voor we een spoor vinden in de familiegeschiedenis via Odin
Lauwereyns van Diepenhede ,
gehuwd in Brugge in 1247. Zijn voorouders waren mogelijk verwant met de
'Lawrence' families in Engeland, en we weten van
nakomelingen die naar Engeland terugkeerden.
Op
28 september 1066 landde de Normandische Hertog Willem 'de
Veroveraar' met een vloot van meer dan vijfhonderd schepen
bij Pevensey Bay. Hij wilde het
koningschap van Engeland opeisen. Bij de Slag bij Hastings,
ontmoetten zijn 10000 manschappen de 7000 soldaten van de Angelsaksische
Koning Harold. 14 oktober 1066 woedde er de befaamde Slag
bij Hastings waarin Harold sneuvelde. Op Kerstdag 1066 werd
Willem in de Westminster Abbey in Londen tot koning van Engeland
gekroond. Willem 'De Veroveraar' was getrouwd met Mathilde, de
oudste dochter van Boudewijn V, graaf van Vlaanderen. In Willems leger
zaten veel Vlamingen, naast Bretoenen, Normandiërs, en Fransen van
Parijs en het Ile-de-France. De Vlamingen vormden met hun schitterende
wapenschilden en heraldische praal de trotse rechterflank bij Hastings.

Afbeelding: op
het tapijt van Bayeux zijn de Vlamingen herkenbaar door hun lange schepen
en maliënkolders
Het
wereldberoemde Tapijt van Bayeux toonde de gehele Normandische
verovering van Engeland, vanaf het vertrek uit Frankrijk en de waarneming
van de komeet van Halley tot aan de landing in Engeland en de beslissende
slag bij Hastings in 1066. Het tapijt zou gemaakt zijn tussen
1066 en 1077, dus onmiddellijk na de verovering. Het is niet zeker of
Willem de Veroveraar zelf de opdracht had gegeven tot het vervaardigen van
het tapijt. Vermoedelijk was het Odo, de bisschop van Bayeux en een
halfbroer van Willem, die de opdracht gaf ter voorbereiding van de
inwijding van de kerk van Bayeux in 1077.
Het
tapijt werd in het Frans "La Tapisserie de la Reine Mathilde"
genoemd, wat speculatie uitlokte of de koningin het zelf zou hebben
geborduurd op
linnen met gekleurde wol en gouddraad. Door het
huwelijk werden de machtigste leenheren van de koning van Frankrijk, de
hertog van Normandië en de graaf van Vlaanderen, verwant. Voor Willems
aanspraak op de troon, was overigens niet onbelangrijk dat Mathilde
afstamde van zowel Karel de Grote, "de Heilig Roomse Keizer",
als van Alfred de Grote, de koning van Engeland in dezelfde (9e)
eeuw. Mathilde was bovendien de kleindochter van de Franse koning Robert
II.
Willem
beloonde zijn Vlaamse strijders vorstelijk. Zo werd Gilbert van
Gent, een streek- en generatie genoot van Razo van Melle,
als heer van Folkingham beleend met uitgestrekte gebieden
in het noorden van Engeland. Er was zelfs sprake van een Vlaamse
gemeenschap in Northumbrië, en onder Willems opvolger Hendrik I werd een
groep Vlaamse kolonisten uit Northumbrië overgeplaatst naar het district Rhos in Pembrokeshire in
Wales. Hij plaatste verwanten van zijn Vlaamse vrouw
op sleutelposities. Ook in Schotland kregen steeds meer Vlamingen vaste
voet aan de grond, vooral nadat David I in 1124 de Schotse troon besteeg.
Zijn vrouw Koningin Maud was een achternicht van Willem de Veroveraar.
Mathilde kwam in mei 1068 naar Engeland, werd er in Westminster gekroond
tot koningin van Engeland, en schonk haar Vlaamse bloedverwanten tal van
Schotse domeinen.
In
de 12e eeuw werd Vlaanderen zwaar geteisterd door overstromingen, en ook
dat was een aanleiding om naar Engeland te trekken. Hendrik I van
Engeland bracht heel wat van hen onder in een boerennederzetting in
Pembrokeshire, in het zuiden van Wales. Dat had er plaatselijk invloed op
de Welshe taal die in die periode bijna volledig leek te verdwijnen.
Vlaamse emigratie over het
Kanaal
Uit
de gegevens van het Domesday Book blijkt
dat de Vlamingen die zich na de slag van Hastings in Engeland vestigden,
vooral in de zuidelijke graafschappen Essex, Hertford, Bedford,
Northampton en Somerset. Vlamingen kregen grondgebied in de Welsh Marches,
en in Pembrokeshire verdrong het Vlaams zelfs het Welsh. Ook
noordelijker werden Vlamingen vermeld in Yorkshire en Lincoln.
Nog
vóór 1066 was er al sprake van migratie van Vlamingen. In de wolindustrie
waren er al Vlaamse handelaars actief. In de 12e eeuw waren
er meldingen in de Schotse regio Galloway, toen ook bekend als Walweitha.
Willem van Ieper, die in de 12 eeuw verbannen was naar Kent, was één
van de iets meer bekende Vlamingen die in de eeuw nadien naar Engeland
emigreerden.
Ook
zilversmid Robert Lauwereyns (Lawrence), een zoon van de Vlaming Laurens
van Cadsant, geboren in 1120 in East Sussex, ging omstreeks 1150
werken voor de heer van Lancaster. Op het eind van de 13e eeuw was er
sprake van een echte Vlaamse Hanze, een groep van Vlaamse handelaars, in
Londen. Er waren meldingen van de confiscatie van goederen van Vlamingen in
Dundee, Perth, Berckwick-on-Tweed in
Schotland. Er waren meldingen van Vlamingen verspreid wonend in Engeland,
Wales en Schotland. Een Hugo Oisel van
Ieper werd door Koning John beloond met het ereburgerschap van de stad
Londen in de 13e eeuw. Vlamingen behoorden tot de meest welgestelde
geldschieters van de Engelse koningen. In East Anglia werd
beroep gedaan op Vlamingen (en Hollanders) bij het droogleggen van
moerassen. Een plaatsje als Kings' Lynn heeft typische trapgevels en
steenconstructies die zondermeer als 'Vlaams' konden worden bestempeld.
In Schotland ingeweken
Vlaamse ridders werden de voorvaderen van een veelvoud aan beroemde Schotse
geslachten zoals de families Fleming (nazaten
van Baldwin the Fleming, wellicht uit Gavere),
Lyle (vroeger Lille), Bruce (met
wortels in Leuven), Campbell (vroeger Erkenbald), en Douglas (afstammelingen
van Theobald the Fleming uit
het Ieperse). Zij bouwden, in de traditie van de
Nederlanden, op militair kwetsbare plaatsen versterkte kastelen, die ‘burgh’ werden genoemd. Ook families Lumbard [Lombaerts],
Johnston, Stevenson /
Stephenson, Crothers/Carothers/Carruthers, Matheson [Matthijsen],
Evans zouden in die tijd van uitgeweken
Vlaamse families afstammen.
Heel
wat topografische namen en landgoederen verwezen naar Vlaamse bindingen.
Niet minder dan 5 Schotse domeinen droegen ‘Flemington’ in hun naam.
Ook het Nederlands liet zijn sporen na. Een knappe meid heet nog steeds
een ‘felle bonnie’. Een kind dat
weent, wordt ‘Yammering’ genoemd. Een
sterke wind heet ‘snelle wind’ en de kleinste vinger heet ‘pinkie’.
In de 16e eeuw
ontvluchtten Vlamingen de godsdienstige conflicten in Vlaanderen en
tienduizenden kozen voor emigratie naar Canterbury, Londen, Sandwich en
Norwich. Heel wat van deze uitwijkelingen keerden terug toen het klimaat
beterde in de Lage Landen.
Ook in latere eeuwen zijn
er onmiskenbaar migraties. Robert Lauwers, zoon van Jan
Lauwers, werd ingeschreven op 29 oktober 1481 als poorter van Gent. Hij
was getrouwd met Jeanne Van der Stichelen en was geboren in
Engeland. Zijn inschrijving droeg de melding "Hooiaerd in
den Inghele". Jan Lauwens
was uit Zierikzee, Zeeuws-Vlaanderen, in 1436 naar Engeland getrokken.
De krijgers die met
Willem de Veroveraar naar Hastings trokken, met King John naar Bovingen, met Willem van Ieper naar Kent,
met Marlborough naar Oudenaarde, met
Wellington naar Waterloo, met Generaal Allenby naar
leper, met veldmaarschalk Lord Gort naar Duinkerke, tot de achtste Armoured Division en
de bevrijding van Gent, Antwerpen. Sommige van deze soldaten bleven ter
plaatse. Zij stichtten in Engeland een gezin en vormden daardoor een nog
hechtere band tussen deze en gene zijde van het Kanaal. Handelaren waren
aanvankelijk vooral bedrijving in de wolsector.
Later breidde de handel zich uit tot laken, luxegoederen, wandtapijten,
lederartikelen, boeken, brandschilderwerken, miniaturen, kleding.
|