|
BRUg II – 000014 - GEZIN Lauwereyns 1295 Brugge [*]
Melding van N.N.
Lauwereyns (Johannes)
(Lauwerens,
Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys) die huwde met N.N.
omstreeks 1295 in Brugge. N.N. Lauwereyns werd geboren omstreeks 1271 als
zoon van Jan Lauwereyns en N.N. [ZIE BRUg IIb – 000011]. Hij overleed in 1322.
Hij was een tijdgenoot van Reinhoud van Gelre die in
1318 met Sophia Berthout van Mechelen huwde. Zijn volledige naam
werd bewust weggelaten in de kronieken van de Franse geschiedschrijving,
vermoedelijk omdat hij gesympathiseerd had met de Vlaamse zaak in de
periode 1302-1315. Hij werd vermeld
als Jan Lauwaerts, baljuw van Gent in 1302.
·
Arnold Lauwereyns werd
geboren omstreeks 1295 te Brugge [ZIE BRUg III
– 000015] [*].
·
Peter
Lauwereyns werd geboren omstreeks 1296 in Brugge [ZIE BRUg III – 000015b].
Afbeeldingen: stadhuis Brugge © laurentii.be,
1985 
|
Waarom de Dictionnaire de la
Noblesse de France Johan Lauwereyns niet vermeld
Jan Lauwereyns werd “verzwegen”, aangeduid
als “Nn.” of non-nommé (niet genoemd) in de genealogie van de
Franse adel omdat hij de Franse belangen niet had gediend. Maar
de man was bekend, met name ridder Jan Lauwereyns, een kleinzoon van
ridder Odin Lauwereyns van
Diepenhede . De niet-vermelding was bewust en had te maken met zijn
(dis)loyauteit tegenover de Franse kroon. Het had alles te maken met het
toenmalige conflict tussen het Graafschap Vlaanderen (en Engeland) met
leenheer Frankrijk.
Men kan stellen dat er sinds 1302 twee
fracties waren in het graafschap Vlaanderen: de zogenaamde “Leliaards”
die de Franse koning goed gezind waren en de “Liebaards“ of “Klauwaerts” die
aan de zijde van de graven van Vlaanderen stonden. De laatsten
waren soms de Engelsen, dan weer de Fransen genegen, en dat maakt dat de
fracties niet per sé als “Frans” of “Engels” kon worden bestempeld, dan
wel als Vlaams-autonoom gezind.
De genegenheid hing meestal samen met de
positie die door de Vlaamse adellijke families werd ingenomen, en zelfs
die kon verschillen. Sommige onderzoekers gaan er zelfs van uit dat het
eerder om een ideologische tegenstelling gaat die meer te maken heeft met
“conspiratio” en “coniuratio” versus “concordia”,
zeg maar gedreven door het individuele belang dan wel door het algemeen
belang zoals we dan
vandaag de dag nog herkennen in de vermeende tegenstelling tussen
“liberaal” en “sociaal”. Men kan de werkelijkheid van toen best door de
bril van politiek opportunisme bekijken: politieke macht trok de
patriciërs aan, baten in goed en geld (lenen en annuïteiten) spraken de
adel aan, sociale en economische belangen spraken de gilden en ambachten
aan, en anglofiele sympathie had veel te maken met commercieel belang van
de handelaars. Familiale en klandizie belangen speelden daarnaast voor
elke individu mee.
Het
Graafschap Vlaanderen wilde breken met Frankrijk
Het Graafschap Vlaanderen maakte tot 1525
officieel deel uit van Frankrijk, maar was van bij zijn oorsprong
relatief zelfstandig ten opzichte van de Franse leenheer. Het gebied werd
voor het eerst vermeld in 358 als de Vlaanderengouw toen de Franken het gebied
overnamen van de Romeinen. Het behoorde bij West-Francië bij
de splitsing van het Frankische rijk in 843, waarbij het noordelijk deel
in 855 onder Lotharius II terecht
kwam en het zuidelijk deel of de Brabantgouw onder Karel de Kale viel (en
in 880 tot Oost-Francië ging behoren).
Het graafschap was eeuwenlang één van de meest
economisch en cultureel ontwikkelde gebieden in Europa en een hoog
percentage van de inwoners woonde er al in steden. In 1297 keerde graaf
Gwijde van Dampierre zich tegen de Franse invloed en ging een militair
verbond aan met Engeland. De Slag van de Guldensporen in 1302 werd nog
door de Vlamingen gewonnen op de Fransen, met steun van het hertogdom
Brabant. De invasie van Zeeland door de Vlamingen in 1303 breide hier een
vervolg aan. De Fransen werden verdreven en dit leidde tot een
wapenstilstand in 1304. De wapenstilstand bood de Fransen de kans opnieuw
een leger op te bouwen.
Bij de Slag van Pevelingen datzelfde
jaar keerden de kansen en de Franse koning verstevigde zijn gezag. Een
invasie van de Fransen in 1316 mislukte niettemin. Vanaf 1322-1323 ging
de Vlaamse kuststreek in het verzet tegen grafelijke belastingen, en die
opstand werd vijf jaar later door Lodewijk van Nevers met
Franse steun tijdens de Slag van Kassel de kop ingedrukt. Het is in deze
periode dat Jan Lauwereyns kwam te overlijden. De Vlaamse graaf
Lodewijk van Nevers steunde ook nadien Frankrijk tijdens
de Honderdjarige Oorlog. Dat leidde er toe dat de Engelsen de aanvoer van
wol en levensmiddelen staakten.
In Gent brak in 1337 een opstand uit tegen de
Fransgezinde graaf onder leiding van Jacob van Artevelde en men
verklaarde zich neutraal. In 1336 en in 1337 bezetten de Engelsen het
eiland Cadzand. Toen in 1345 Jacob Van Artevelde werd vermoord
na zijn terugkeer van gesprekken met de Engelse koning Eduard III door
andersgezinde Gentenaren veranderde de situatie opnieuw.
In 1369 raakte het graafschap Vlaanderen
onmiskenbaar onder Franse heerschappij door het huwelijk van
Margaretha van Vlaanderen en de Bourgondische hertog
Filip de Stoute. Deze laatste kwam zijn schoonvader Lodewijk van
Male te hulp bij de Gentse opstand van 1382 (Slag
van Westrozebeke) en werd in 1384 zelf graaf van Vlaanderen. Dat was
de start van de Bourgondische periode. Ook in 1384 en in 1404 zouden de
Engelsen het eiland van Cadzand bezetten.
Kaart: de oorspronkelijke
gouw Vlaanderen omstreeks 862 toen Boudewijn I “met de Ijzeren arm” eerste gouwgraaf werd. Door
zijn huwelijk met Judith, de dochter van de West-Frankische koning Karel
de Kale, breidde het gebied uit met de landen rond Gent, het
Waasland, Terwaan en Aardenburg
(voorheen Rodenburg genoemd). Zijn zoon Boudewijn II de Kale vergrootte
het bezit door gronden te verwerven en door moord op tegenstanders zoals
de aartsbisschop van Reims en Herman de Vermandois.
Kortrijk, Artesië, Bonen en Doornik werden toegevoegd. Merk dat naast dit
“Kroon-Vlaanderen” het gedeelte rond Aalst en Zeeland
(“Rijks-Vlaanderen”) nog deel uitmaakte van het Heilig Roomse Rijk in
leen van de Duitse keizer. Er ontstonden nieuwe citadellen (vestigingen)
en oude Romeinse kampplaatsen werden versterkt. Al vanaf het eind van de
9e eeuw voerde het graafschap Vlaanderen een
onafhankelijke koers ten opzichte van zijn leenheer, de Franse koning [© Bewerking kaart Vlaamse gouw van Sir Lain,
2008 (origineel onder Creative Commons licentie CC-BT-SA 3.0).].
Intussen
in het hertogdom Brabant
Het hertogdom Brabant was gegroeid uit het
graafschap Leuven. Het graafschap Leuven kwam in het jaar 1000 via huwelijk
in handen van de graven van Leuven. Het maakte deel uit van het Duitse
keizerrijk. Godfried van Leuven “met de baard” verwierf in 1106 Antwerpen
en werd markgraaf van Antwerpen en hertog van Neder-Lotharingen.
De Grimbergse oorlogen in 1139
gooiden roet in het eten. De heren van Grimbergen en Berthout stonden er
tegenover de heren van Brabant. Hendrik I van Brabant was in 1183 hertog
van Brabant, waaraan inmiddels ook het graafschap Aarschot was toegevoegd.
In 1204 startten de oorlogen tussen het Prinsbisdom Luik en het hertogdom
Brabant die tot 1378 zouden aanhouden.
In 1267 wijzigde de hoofdstad van Leuven naar
Brussel. Het huwelijk van Margaretha van Brabant, een dochter
van Jan III van Brabant, die huwde Lodewijk van Male,
de graaf van Vlaanderen vormde in zekere zin een voorbode van een fusie
van het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant. Het huwelijk van
haar dochter Margaretha van Male met de Bourgondische
hertog Filips de Stoute leidde in 1396 tot de hereniging, al was er
sterke tegenstand bij de Raad van Brabant.
Terwijl het graafschap Vlaanderen al in 1384
in handen kwam van Bourgondische erfgenamen, volgden Brabant en Limburg
pas in 1430. Vanaf dat moment kon men spreken van de Bourgondische
Nederlanden (de zogenaamde “Zeventien Provinciën”).
In 1548 werden de, inmiddels Habsburgse,
Nederlanden één staatkundig geheel.
|
|
1316 - Sociale klassen in het graafschap
Vlaanderen
en kroniek in 1316 van
abt Jacob van Muevin (1296-1339)
beschreef de Vlaamse bevolking in verschillende klassen: potentes
(machtigen), nobiles (adel), divites (rijken), mediocres
(middenklasse, ook mediani, medii) en pauperes (armen). De
laatste categorieën behoorden tot het “gepeupel” of het “gewone
volk” tegenover hen die de macht hadden, ook wel eens benoemd als de
“patriciërs” van de stad. Het is een opdeling van de klassen in een stad
als Brugge die we ook terugvinden in andere steden als Doornik, waar de
klerk Gillis de Muisit in 1307 de bovenste klasse beschreef als de “magnis”
(heersers, ook wel gubernatores, cives en majores civitates)
tegenover de “mediocribus” en de “parvis” die door de
heersers onder de duim moesten worden gehouden.
De kroniekschrijvers van het begin van de
veertiende eeuw waren zich bewust van de sociale diversiteit in de stad, en
de meesten sympathiseerden onmiskenbaar met de heersende klasse. Dat was
zeker zo wanneer sociale onrust aan bod kwam, en die was er in deze periode
van sociale ontvoogding naarmate het feodale stelsel van lijfeigenschap
afbrokkelde. Al in 1270 schreef Thomas Aquinas over drie klassen in zijn
“Summa Theologica”: “suppremi” (heersers, patriciërs), “medii”
(een vrije middenklasse) en “vilis populus” (de laagste sociale
klasse). De gelijkenissen met de Romeinse stedelijke bevolking zijn niet
veraf, al sprak men daar ook nog van de “slaven”, vergelijkbaar met
lijfeigenen in de vroege middeleeuwen. Het was wel eens wat anders dan de
opdeling in religieuzen, krijgers, adel, ambachtslui, handelaars en armen,
burgers en poorters, die we in onze schoolse geschiedenis van de
middeleeuwen kregen voorgeschoteld.
Prent:
oude man in lompen, 1650. Een tijdloos beeld (uit private collectie, onder
Publiek Domein).
Het gepeupel of ‘gewone volk’ werd ook wel eens
bestempeld als de “krijsers” of “krijters” omdat ze hun
misnoegdheid vaak op die manier uiten. Zij konden op sympathie rekenen van
de klerk Jacob van Maerlant in Damme aan het eind van de 13e eeuw
omdat hij oog had voor hun morele en politieke grieven tegenover de
patriciërs en de clerus (en in het verlengde daarvan rechtsgeleerden en
klerken die hen naar de mond praatten). De meeste geschiedschrijvers uit
die tijd dienden het belang van hun broodheren en lieten een denigrerend
beeld na van het gepeupel.
Ambachtslui verenigden zich in gilden en
hanteerde solidariteitsprincipes, en het gewone (“gemeen”) volk
wist zich ook wel eens te verenigen in belangengroepen, (ghe)meenten (“mentucht”)
of communes om voor hun rechten op te komen of zamelde gelden in (“bus”) om
dat te bewerkstelligen (een middeleeuwse variant van “crowdfunding”).
Onrecht had niet zelden te maken met broodprijzen, belastingen en
klassenjustitie.
Ook op het platteland was er die sociale
opdeling. Jacob van Maerlant
beschreef het treffend in zijn “Strophische gedichten”: “Twee woorde in die werelt
sijn, dats allene ‘mijn’ ende ‘dijn’. Mocht men die verdriven, pais ende vrede bleve
fijn; het ware al vri, niemen
eighijn. Manne metten wiven.
Het ware ghemene tarwe ende wijn.”
. Eén van de grootste politieke tegenstellingen was die tussen een
“sociaal” en een “liberaal” gedachtengoed. In essentie ging het vaak om de
tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen macht en onmacht, en de
ongelijkheid die daardoor ontstond.
De antwoorden lagen in verantwoording opnemen
(en ter verantwoording kunnen geroepen worden), in participatie en in
vertegenwoordiging als bouwstenen voor een laatmiddeleeuws
samenlevingsmodel.
|