|
BRUg
IIb – 000011 - GEZIN Lauwereyns 1270 Brugge [*]
Johan
Lauwereyns (Lauwerens,
Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys) werd vermeld in 1270 te
Brugge. Hij was ridder, en was geboren omstreeks 1248 als zoon van Odin Lauwereyns van
Diepenhede (Othon)
en Johanna van Velthuysen [ZIE BRUg I – 000001]. Het familiewapen bestond uit
drie zwanen, niet gebekt en gepoot, zgn. merlettes.
·
N.N. Lauwereyns (Johannes) werd geboren omstreeks 1271 in Brugge [ZIE BRUg II – 000014] [*].
·
Vermoedelijk
Gielis Laureyns . Hij werd vermeld tussen 1260-1321 in Steenhuffel, thans deelgemeente van Londerzeel. In de melding van 1321 was
hij cijnsman van de hertog van Brabant in Steenhuffel. Er was ook de
melding van Lauwensdries te Tildonk, Haacht. Dat de naam gelinkt was aan
Lauwers/Lauwens, is slechts
een assumptie. Maar het zou kunnen
wijzen op een vroegere aanwezigheid van de familie in het hertogdom Brabant (zie ook meldingen Laurens te Londerzeel in deze periode).
Het was bij kleinzoon Arnold Lauwereyns
dat de laurierboom in sinopel werd
toegevoegd aan het familiewapen van de drie merlettes. We weten niet met
zekerheid of de niet-genoemde Lauwereyns het familiewapen van zijn vader
voerde, met zilveren merlettes op een zwarte achtergrond. Mogelijk was er
onzekerheid over de heraldische kleuren, waardoor de kleur van de onderlaag
(rood) werd overgenomen in het familiewapen van zijn zoon Arnold.
De naam van de zoon wordt verzwegen (vermeld
als “Nn.” of non-nommé, niet genoemd) in de genealogie van de Franse
adel. Maar de vader is bekend, met name ridder Jan Lauwereyns,
een zoon van ridder Odin Lauwereyns van Diepenhede en heer de Planques. De niet-vermelding lijkt bewust en moet
of te maken hebben gehad met een disloyauteit van de zoon ten opzichte van
de leenheer Frankrijk in het conflict met de Vlaamse edelen rond Gwijde van
Dampierre rond de eeuwwisseling – denk maar aan de Slag der Guldensporen in
1302 en de Brugse metten, of het ging gewoon om een buitenechtelijk kind
waarvan ook de naam van de moeder bewust niet werd vermeld.
Afbeelding: herdenkingszegel “Slag der Gulden Sporen”, uitgebracht in
1977 in België.
Onder: een
prent uit 1534 hoe een rijke wordt beroofd. Macht en geld, “rijk” of
“arm” zijn eeuwenoude thema’s. Evenwaardige behandeling en inspraak waren
uitgesproken thema’s in de Lage Landen in de dertiende eeuw die met de pen
(petities) en het zwaard werden beslecht.
“Geld maakt niet gelukkig. Dat heeft het
met armoede gemeen”, schreef Simon Carmiggelt in de 20e eeuw
[© Foto’s Patrik Lauwens, Brugge,
1985 – © postzegel uit private collectie, 2023 – © prent “Rijkdom” van Hans
Weiditz, 1534 uit private collectie, origineel
onder publiek domein.].
|
1280
– De Lage Landen, het “paradijs” van de sociale conflicten
Protesteren zat in het bloed van de gemene Vlamingen.
Zowel de welvarende koophandelaars, de vernuftige ambachtslieden als de
kunstenaars uit de middenklasse bundelden hun krachten om in het verweer te
gaan tegen hun gemeenschappelijke vijanden, veelal de vooraanstaande
families die het in de steden voor het zeggen hadden. De opstandige meentucht of
wat we nu als “het gewone volk” zouden beschrijven, typeerden de
sociale strijd die tot 300 jaar nadien kenmerkend zou zijn in het
graafschap Vlaanderen, en bij uitbreiding de Lage Landen. Een overzicht
houden is op zich al geen sinecure. Diverse gemeenschappen, steden, aan
macht winnende partijen, strijd binnen de elite, opstanden van de gilden, …
Gegeven dat geschiedschrijving meestal veralgemeende wanneer het over
steden of streken ging en dat het een uitdaging blijft om te doorgronden
welk belang welke mensen wanneer verbond, maakt het er niet eenvoudiger op.
De officiële kronieken beschreven opstandelingen
in weinig lovende bewoordingen en er zijn nu eenmaal minder geschreven
bronnen van de rebellen kant, omdat velen minder geletterd waren en omdat
hun geschreven nalatenschap werd vernietigd. Wel bewaard zijn een aantal
petities waarin grieven werden verwoord en die geven ook wel eens de
identiteit van de klagers weer. De heersende klasse kon immers de sociale
en economische macht, en soms het militaire potentieel, zeg maar de “emancipatie”
van sommige groepen [(ge-)meenten] niet ontkennen.
Vlaamse steden als Gent, Brugge, Ieper en Rijsel
verwierven al aan het begin van de 12e eeuw meer autonomie
en erkenning door de Graaf van Vlaanderen en de Franse Koning. De elites,
meestal welvarende kooplieden, verwierven geleidelijk aan meer eigendom in
de steden en politieke macht. Geschoolde arbeiders en middenklasse
kooplieden sloten in het midden van de 13e eeuw aan bij
deze tendens, via religieuze genootschappen en gilden die sociaal
emancipeerden tegenover de macht van de oorspronkelijke elite. Dat was niet
anders in de steden van het hertogdom Brabant en het noorden van Frankrijk,
nŕŕst het graafschap Vlaanderen. Sociale onrust
vertaalde zich onder meer in stakingen in Douai
in 1245 en 1276, in Gent in 1252 en 1274. In Gent namen deze in 1275 het
bestuur over door de verkiezing van nieuwe ouderlingen in het stadsbestuur,
al werd dat twee jaar later al teniet gedaan door de patriciërs (elite).
Vanaf 1270 beroerde de neergang van de wolhandel
met Engeland de gemoederen in 1280 brak een algemene opstand uit onder de
ambachtslui, bijgestaan door de wol handelaars, in onder meer Doornik,
Sint-Omaars, Gent, Ieper en Brugge. Vaak was de aanleiding het misbruik van
macht van de gevestigde elite. In Brugge en Gent ging het vaak om de “nieuwe
rijken” (“nouveaux riches”) die opstanden initieerden. Naarmate
deze laatsten rechten verwierven, desintegreerde de samenwerking met de
ambachtslieden al te vaak en dat leidde tot nieuwe onvrede – zoals de Guldensporenslag in
1302 aantoonde.
Uit petities leren we dat machtsmisbruik en
financiële excessen zoals zware belastingen, uitbuiting van eigendommen en
werk, corruptie en wanbestuur, ongelijke bevoordeling via regels en
ongelijke gerechtelijke beoordeling en het met de voeten treden van
rechten, aanleiding waren om protest aan te tekenen. Deze bronnen van
frustratie leidden soms tot gewelddadige conflicten. Meer nog dan de
belastingen, wekten wanbeheer en bevoorrechting wrevel op. In oktober 1280
schreef de “meente” van Damme een petitie
aan Robert de Béthune, zoon van de graaf van Vlaanderen die in Frankrijk
verbleef, over van het machtsmisbruik van baljuw Jan van den Stene. Nog in
1299 kreeg de Damse baljuw een petitie
voorgeschoteld omdat burgers waren gearresteerd buiten de poorten, zonder
proces. In Brugge kloegen petities wanbeheer aan
met de melding dat men een gelijke behandeling verdiende omdat ze allen “van
der poorten” (inwoners van de stad) waren. Petities gingen
net zo goed over het gebruik van de openbare ruimte: bestrating die
er niet kwam ondanks dat daarvoor belastingen waren verhoogd,
kanaalboorden die waren vernield om er huizen te bouwen, eisen voor
zeggenschap in de bouw van de gemeenschappelijke gebouwen als de
lakenhallen, vleeshallen, omwallingen of de inrichting van marktpleinen.
Belastingen werden geheven door plaatselijke
heren, de graaf of de hertog, door bisschoppen en door koningen. De gemeente,
of in steden de burgerij, ageerde vanuit het algemeen belang
tegenover de (stedelijke) administratie die in dienst stond van de
(nakomelingen van de 12e eeuwse) elite. De clerus sprak
soms van de belangen van de minores tegenover
die van de meliores of majores.
Sommige kronikeurs spraken van “armen”
versus “rijken”, van plebejers versus patriciërs.
Dat laatste doet niet onterecht denken aan het onderscheid in de stedelijke
bevolking van het oude Rome.
Thomas van Aquino
sprak in zijn Summa Theologica omstreeks 1270 van drie categorieën:
patriciërs (supremi of optimates), de middenklasse (medii of populus
honorabilis) en de lagere klasse (infimi of vilis populus),
aanduidingen die tot in onze tijd nog voorkomen. De Gentse patriciër Willem
Utenhove hield het in 1280 bij handelaars,
bourgeois en de gemenen, die allen de erfgenamen
waren van de stichters van de stad en die rechten hadden, met daarnaast de
armen (povres gens)
die er geen hadden. Clericus Jacob van Maerlant sympathiseerde aan het eind
van de 13e eeuw (1271) met het sociale protest tegen de
wereldlijke en kerkelijke heersers.
Wie op zoek gaat naar genealogische bronnen in
deze tijd, komt onvermijdelijk deze tegenstellingen tegen. Niet elke leven
van voorouders is even goed gedocumenteerd. Heel wat voorouders verdwenen
in de anonimiteit van het ongeschreven woord. Anderen werden doelbewust
gewist of overleverde geschiedschrijving werd gemanipuleerd.
|