|
BOOm XVII – 001166 - GEZIN Lauwers –
Vermeren 1761 Boom
Peter
Lauwers
huwde op 24 mei 1761 in Boom met Anna Catherine
Vermeren. Peter Lauwers was gedoopt op 2 juni 1727 in Boom als zoon van Willem
Lauwers en Anna Maria Vertommen [ZIE NIEl XVI – 000759]. Anna
Catherine Vermeren was geboren in 1734 in Meise als dochter van Hendrik Vermeren
en Anna Maria Emmerechts. Zij overleed op 30 maart 1828 in Antwerpen.
·
Anna Theresia Lauwers werd gedoopt op 26 september 1763 in Boom.
Zij overleed kort na de geboorte op 5 oktober 1763.
·
Maria Theresia Lauwers werd gedoopt op 23 november 1764 in Boom.
Zij overleed op 4-jarige leeftijd op 8 september 1769 in Boom en een
volgende dochter kreeg dezelfde voornamen.
·
Anna Maria Elisabeth Lauwers werd gedoopt op 25 augustus 1766 in Boom.
·
Anna Maria Lauwers werd gedoopt op 12 mei 1768 in Boom.
·
Maria Theresia Lauwers werd gedoopt op 19 februari 1770 in Boom.
Zij huwde op 8 september 1792 in Antwerpen met Jacques Paeshuys [ZIE ANT XVIII – 001588].
·
Willem Lauwers werd gedoopt op 16 oktober 1772 in Boom.
·
Petronilla Lauwers werd gedoopt op 25 mei 1775 in Boom.
·
Gielis Lauwers werd gedoopt op 17 november 1776 in Boom [ZIE BOOm XVIII – 001617].
·
Anna Catherine Lauwers werd gedoopt in 1779 in Boom. Zij huwde
Jan Huybers [ZIE ANT XVIII – 001632].
|
1761 – Het gezin Lauwers – Vermeren in
Boom
In
Boom en omgeving vonden we sporen van de Brabants- hertogelijke
families Lauwens en Lauwers uit het Mechelse, naast sporen van eerdere en andere migraties vanuit het
graafschap Vlaanderen naar
het hertogdom Brabant.
Niet alle Lauwers-families zijn noodzakelijk verwant aan de Mechelse
families. De oudste melding van
Lauwers vonden we
omstreeks 1598, de oudste melding van verwanten aan de Hombeeks-Leestse of Klein-Brabantse stamlijn ,
vonden we in 1761 bij Peter en Ann Catherine. Hij was afkomstig uit
het naburige Niel, zij uit Meise.

Over de geschiedenis van
Boom
Boom ontstond op de weg die Rumst (aan de bron)
en Schelle (aan de monding) verbond
aan de Rupel. Daar moet ergens
een opmerkelijke boom hebben
gestaan in of nabij de moerassige overstrook van
de Rupel. Boom werd al bewoond in de Romeinse periode. De plaats maakte tot in 1290 deel uit van de bezittingen
van de familie Berthout en hun tak de heren van
Grimbergen. Samen met Rumst, Terhagen, Willebroek, Ruisbroek en Heindonk behoorde het vervolgens tot het “Land van
Rumst” en de heren van Vianden, de Ligne, de Béthune, het
huis Bourbon en het huis Nassau. De parochie behoorde oorspronkelijk, tot
1309, tot de parochie Kontich. De Bourgondiërs vestigden er een bolwerk om
de vaart op Mechelen te controleren naar aanleiding van de stapelkwestie
tussen de havens van Antwerpen en Mechelen. Dat was in 1410.
In 1663 verkocht Karel van Baume de
plaats Boom aan Joris Bosschart (Bosschaerts), los van het land van
Rumst. In mei 1766 vestigde de Oostenrijkers twee forten tussen Rumst en
Boom om de Rupellinie tegen de Fransen te verdedigen. In de periode van de
Franse revolutie, vestigden de boerenkrijgers er in oktober 1798 een
hoofdkwartier. Tijdens de fusies van 1976 bleef Boom een zelfstandige
gemeente, zonder deelgemeentes. Sinds de 19e eeuw had Boom
een eigen ziekenhuis, maar in 1959 kwam dit in Reet (deelgemeente Rumst)
terecht, net over de gemeentegrens.
Boom is vooral bekend
door de baksteennijverheid. De vroegste sporen daarvan dateerden uit de
Romeinse tijd, en de nijverheid zou opnieuw aan belang hebben gewonnen toen
omstreeks 1235 de Sint-Bernardusabdij van Hemiksem er opnieuw bakstenen
liet bakken voor de bouw van hun abdij. Van een echte industrie is pas
sprake nadat de eerste ringoven in gebruik werd genomen in 1868. Nadien nam
deze nijverheid industrieel een hoge vlucht en in 1896 telde Boom al 48
steenbakkerijen en 42 fabrieken waar ‘Boomse’ (dak)pannen en ‘Boomse’
tegels werden gemaakt. Vanaf de 20e eeuw kwam er ook een
verder gaande mechanisatie van het klei baggeren op dreef. In de
periode dat Peter Lauwers en Anne Katrien Vermeren er woonden, was
steenbakkerij nog een handmatige ambacht.
|