|
|
Verhalen
- 1710 - Gaspar
Lauwens, "chirurgien" (Mechelen)
Gaspar Lauwens De
kinderen uit dit huwelijk werden gedoopt tussen 1677 en 1693 in de
Sint-Katelijne parochie in Mechelen. De eerstgeboren zoon heette ook Gaspar. Hij werd
gedoopt op 15 januari 1677 en overleed op 8 december 1690 in Mechelen op
dertienjarige leeftijd. Kaart: situering van de Lange Nieuwstraat in Mechelen in 2023.
Zogenaamde
chirurgijns stonden aan het begin van de 18e eeuw vaak lager op de
sociale ladder van de medische wereld dan later in die eeuw. Zij stonden
meestal de doctores medicinae bij, terwijl de medische wetenschap zich
ontwikkelde en zich vooral toespitste op epidemieën – waarvan de zogenaamde “pestdokters”
een voorbeeld waren – en op de verzorging van oorlogswonden - soms amputatie
om koudvuur te vermijden - en accidentele wonden. De chirurgijn legde zich
toe op aderlating, wondverzorging en botbreuken. Laudanum en alcohol werden
gebruikt als verdovingsmiddel. Gaspar was een tijdgenoot van Luis
Arroyo, de Mechelse stadsdoctor en chirurgijn die het huis “De Vier
Emmerkes” verbouwde in de Befferstraat in 1683-1699[1]. In
het gasthuis Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle van Mechelen had de chirurgijn in
de 17e eeuw een eigen verbandzaal, waar zij werden geassisteerd
door zaalknechten en zaalmeiden. Hij kreeg zijn opleiding in chirurgie in een
anatomisch theater – een plaats waar voornamelijk terechtgestelde
misdadigers werden ontleed. In de 17e eeuw kwam het beroep naar
verluid voort uit het werk van de barbiers – die zich toelegden op het
scheren, knippen en verzorgen van baarden en snorren. Van tijdgenoot en
Brugse chirurgijn Jan Palfijn wisten we dat
hij zijn instrumentarium kon ontlenen van de Brugse gilde voor
chirurgijn-barbiers. Dit was in Mechelen allicht niet anders want de
instrumenten waren duur.
Ook
voor de geesteszorg groeide de aandacht, met de eerste krankzinnigen opvang
in “dolhuizen” bijvoorbeeld. De gezondheidszorg werd vooral op het
lokale niveau georganiseerd, in navolging van de “gasthuizen” die door
katholieke congregaties waren ontstaan. Steden als Mechelen hielden lijsten
bij van erkende chirurgijns, dokters en apotheken.
De
lugubere rol van chirurgijns in de middeleeuwen In de middeleeuwen had de rol van een chirurgijn naast heelkunde ook
een veel donkerder kantje. In de 13e tot 15e eeuw
stonden zij in het Graafschap Vlaanderen de beul bij tijdens de “tortuur”
(marteling) in een tijd dat pijniging als een wettig middel van onderzoek en
van lijfstraf werd beschouwd. Van de eed van Hippocrates had men blijkbaar
niet gehoord. De chirurgijn ging de bewegingen van de beul na en gaf de ideale
plaats voor de amputatie van een vinger of een hand aan als lijfstraf en hij
greep in wanneer het leven van de gefolterde in het gedrang kwam. De tortuur
in al haar variaties bestond uit geselen, brandmerken, het afsnijden van de
neus of van de oren, het afhakken van handen of vingers, het doorsteken van
de tong, het uitsteken van één of beide ogen[3].
De chirurgijn was enkel aanwezig bij lijfstraffen, niet bij de doodstraf of
bij de vaststelling van het overlijden. In 1297 kreeg Jan Quaethaer drie pond van de Brugse
stadsmagistraat om zich na zijn veroordeling tot “ophanging aan de duimen”
te laten verzorgen door een chirurgijn. In 1520 werd de tortuur van de Brugse
brouwersknecht Jan Neyts uitgesteld op vraag van de chirurgijn omdat
het te koud was: “midts
de groote coude ende vorst ende alvoorens gehad hebbende tavijs van de
medecijnen ende chirurgienen endat by dien bevonden es datter dangier inne
ghelegen soude zyn in d’executie van den lyve es de zelve executie
ghediffereerd toter veranderinghe van den wedre”.
In 1537 kreeg de Brugse gezworen chirurgijn Claeys van den Leene
een compensatie van zes pond omdat hij de scherprechter assisteerde toen de
veroordeelde Andries Willems de hand werd afgehouwen. Er werden
gelijkaardige terechtstellingen opgetekend waarbij de chirurgijn aanwezig
was, zoals die van Joos Qaille (Van Coillie) in 1540. Om de
misdaad aan te duiden sprak met niet van een hand, maar van “de rechtse
vuist” van de terechtgestelde. De vuist stond voor agressie. Nog in 1638 kregen in Brugge de geneesheren Caestecker en Uttenberghe
twaalf karaffen wijn omdat ze gedurende zes uur de folteringen van de
vermeende heks Jeannette De Vos hadden bijgewoond. Tijdens de
oorlogsgruwelen van de daaropvolgende eeuwen kenden we de beelden van chirurgijns
die aan het werk waren in veldhospitalen. De vaardigheden van chirurgijns waren al bekend van de Grieken en de
Arabieren en gingen terug op een eeuwenoude traditie en kennis. De rol van chirurgijns
evolueerde uiteraard in de tijd – denken we maar aan de behandeling van schotwonden
tijdens krijgsdaden vanaf de 16e eeuw[4] -, tot wat in de
“moderne tijd” een nobel heelkundig beroep is geworden. |
Verhalen – 1723 – Waar woonden de families
Lauwens in Leest? In de lijst van communicanten in de parochie Leest van (september)
1723, werden verschillende Lauwens vermeld. De pastoor was Jan
Frans Van Heijmbeke, afkomstig van Brussel. De koster was Frans
Elias, een zoon van Katrien Van Regenmortel en Peter
Elias. Peter Elias was geen onbekende: hij trad onder meer op
als getuige bij het huwelijk van Liesbeth Lauwens De lijst gaf inzicht in de woonplaats van de gezinnen Lauwens, en hun
samenstelling.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
[1] Aan het begin van de 20e
eeuw was het een kapperszaak, aan het begin van de 21e eeuw een
koffiehuis. Een bekende voorganger als Mechelse stadsgeneesheer was botanicus Rembert
Dodoens tussen 1542 en 1574.
[2] “L’Arcenal de chirurgie, nouvellement traduit en
François” van Jean Scultet.
[3] Zie onder meer Johan Mattelaer
in het Museumbulletin 2011, Brugge.
[4] Zie onder meer de vertaling
van Ambroise Paré in 1556 van “Chirurgia ofte Veldt-Boeck, van den beroemden
meester Scheel-Hans.” uit 1517. De
Nederlanden waren voor die tijd vooruitstrevender dan bijvoorbeeld de Fransen
of Engelsen in het voorzien van hulp voor soldaten op het slagveld zie o.m. “Geneeskundige
Zorg in het Staatse Leger” van Ronald De Graaf, Leidschrift, 2002 en het
gelijknamig proefschrift van A.H.M. Kerkhoff, Nijmegen, 1976.
[5] Dit is het huidige dorp
van Leest, via de Kouter verbonden aan Hombeek dat 3 km verder ligt (via
Hombeek ging de weg richting Zemst), en via de brug over de Zenne verbonden met
Battel en Mechelen op 5,5 km afstand. Hedendaagse straatnamen als de
Molenstraat, de Molenweg en de Molenbeekstraat (aan de gelijknamige beek)
herinneren nog aan de molen. Noordelijk was er een uitvalsweg naar Heffen, dat
2 km verder ligt.
[6] Het gaat hier om het
zuidelijk gebied van Leest, ten westen van de Kouter. De Kapellebaan bestaat
nog onder die naam, andere hedendaagse straten zoals de
"Tiendeschurestraat" verwijzen naar vroegere plaats benamingen, zoals
de vermelde hoeve "Thiende Schuer" die in 1723 werd bewoond
door de familie De Laet. Ook de huidige "Winkelstraat" situeert zich
in dit gebied dat in 1723 als "Winckel" werd aangeduid.
[7] De "Kleine
Heide" situeert zich zuidwestelijk en grenst aan Kapelle-op-den-Bos.
[8] Enkel de "Oude
Tisseltsebaan" herinnert nog aan deze uitvalsweg naar Tisselt, ten westen
van het dorp. Tisselt ligt op 5 km van Leest. De straat veranderde van naam
(momenteel Dorpsstraat-Juniorslaan die overgaan in de Moerstraat-Hoogstraat te
Tisselt). De "Grote Heide" ligt ten noorden van de vroegere
Tisseltsebaan, richting Blaasveld op 5,5 km afstand (en Willebroek).
[9] Blijkbaar zou het om de familie Brant gaan,
verwant met Isabelle Brant, echtgenote van de bekende schilder Pieter Paul
Rubens (o.m. kwartierstaat Apers te
Leest).