|
Blog/Verhalen – 1708 - De erfenis van een zeevaarder
Op 14 januari 1708 vermeldden de boeken
van notaris Van Nijen in Lippelo dat afstammelingen van
Frans De Maeyer, een zeevaarder die een vrachtschip voer, erfden in
Middelburg, NL, de thuishaven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Als erfgenamen werden vermeld: Maria
Lauwers , dochter van Gielis Lauwers en wijlen Anna De
Maeyer, gehuwd met Jan Ceurvelts; Hendrick Van Keer, zoon van Louis Van
Keer en van wijlen Maria De Maeyer; Jan Moortgat, zoon van Gillis Moortgat
en Maria De Maeyer. Wat de Middelburgse erfenis precies inhield, werd niet
vermeld.
Afbeelding: de haven van Middelburg in 1775.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie
De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had aan duizenden mensen
werk geboden. De compagnie, met als thuishavens Amsterdam, Rotterdam,
Delft, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, werd opgericht op 20 maart 1602 in
Middelburg door de Staten-Generaal onder Johan van Oldenbarnevelt om
Nederlandse handelsposten op te richten en de concurrentie met de
Portugezen aan te gaan.
Afbeelding: de wapens van de Verenigde Oost-Indische Compagnie van de
stad Batavia (huidig Jakarta), olieverfschilderij van
Jeronimus Becx uit 1651.
Op 17 maart 1798 kwam een einde aan de VOC
na de vierde Engelse zeeoorlog. Corruptie, mismanagement, concurrentie van
de grote Europese mogendheden en het verlies van de winstgevende
opiumhandel aan Engeland, deden de rest.
In de twee eeuwen van haar bestaan, waarin de VOC het grootste
handels- en scheepvaartbedrijf ter wereld was, waren in totaal bijna 1
miljoen mensen uitgevaren op ongeveer 4700 reizen. Er stierven gemiddeld
300 tot 500 personen per jaar tijdens de reis. Een reis duurde gemiddeld 8
maanden en storm, ongedierte en scheurbuik werden heel wat bemanningsleden
fataal. Eerder handelden de ongeveer 1772 schepen, waarvan er 629 vergingen
of verdwenen, vooral in peper, foelie, kruidnagel, nootmuskaat, kaneel, porselein,
later ook koffie, thee, suiker, textiel en opium. De schepen waren van het
type spiegelretourschip, fluit, jacht, pinas, fregat, hoeker, galjoot, en
de handelsposten omvatten de tussenstations Kaap de Goede Hoop en Mauritius
op weg naar Batavia (Jakarta), Ceylon, Bengalen, Nederlands Malakka,
Nederlands Formosa, India en Dejima (in
Japan).
De VOC verdiende niet alleen aan de
geïmporteerde goederen, maar vooral ook aan de handel tussen de Aziatische
landen. In de 18e eeuw nam de handel tussen Europa en Azië verder toe.
Koffie, thee, suiker en textiel werden nieuwe belangrijke handelsgoederen,
maar er werd minder winst op gemaakt dan op de specerijen uit de beginjaren
van de VOC.
Door toename van Engelse en Franse
concurrentie ging de VOC gedurende de 18e eeuw achteruit. De vaste kosten
waren hoog vanwege de vele garnizoenen, die bemand moesten worden en door
de sterke oorlogsvloot, die nodig was om het imperium in stand te houden en
uit te breiden. De intra-Aziatische handel, in het begin een belangrijk
financieringsmiddel voor de VOC, bracht sinds het eind van de 17e eeuw
minder winst op. In de tweede helft van de 18e eeuw verschoof bovendien de
handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dit ging ten
koste van de winst.
De VOC had een grote bijdrage geleverd aan de welvaart en de
ontwikkeling van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dankzij de
VOC was de kleine Republiek in staat de handel over de hele wereld uit te
breiden. De 17e eeuw werd beschouwd als de Gouden Eeuw voor de
Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. In de 18e
eeuw leunde de VOC op de winsten die met de verkoop van goederen werden
gemaakt. Maar toen door vier Engels- Nederlandse Oorlogen de retourschepen
de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. De
invasie van de Fransen en de oprichting van de Bataafse Republiek,
betekenden het einde van de eerste 'multinationale' onderneming.
Door het stopzetten van zoutleveranties
door Spanje werden de Hollanders gedwongen om zelf zout te halen uit het
Caribische gebied. Daarmee werd de basis gelegd voor de latere
'West-Indische Compagnie' (WIC).
Foto’s: munten van de Verenigde
Oost-Indische Compagnie
|
Naamgenoten
bij de opvarenden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tussen 1633-1794
|
melding
|
naamgenoot
|
toelichting
|
|
1675
|
Jan Lauwens uit Antwerpen
|
Hij voer onder het
bevel van David Bessevin uit op 13 april 1675 als soldaat op
de Prins Willem Hendrik vanuit Wielingen, Zeeland via de Kaap,
welke het schip op 12 januari 1676 bereikte. Op 10 mei 1676 kwam het
schip aan in Batavia. Er waren 250 zeemannen en 123 soldaten aan boord.
Op 14 september 1675 had het schip een tussenstop gemaakt in Plymouth
met een gebroken mast. In Plymouth waren 102 zeemannen en 55 soldaten
gedeserteerd.
|
|
1677
|
Matthijs Lauwers uit Antwerpen
|
Hij voer op 5 januari
1677 uit onder het bevel van Adam van Breen (die zou
overlijden) als adelborst (militair die tot zeeofficier wordt opgeleid)
op de Hendrik Maurits vanuit Wielingen, Zeeland. Het schip
bereikte Batavia op 19 juli 1677. Het schip had 193 zeelui aan boord en
114 soldaten. Dit schip voer via Engeland, waar 8 opvarenden en 1
soldaat deserteerden en waar Adam van Breen werd vervangen
door Leendert Laurensz. Het schip meldde zich niet op de Kaap
omdat er toen een oorlogsdreiging was. Eén opvarende bleek een vrouw te
zijn.
|
|
1678
|
Jeentie (Johanna) Lauwens

|
Zij werd vermeld als moeder
en begunstigde van scheepskorporaal Jacob van Bincsten uit
Middelburg, die uitvoer op het schip Kortgene op 11 december
1678 vanuit Wielingen, Zeeland. Het schip was op 25 mei 1679 aangekomen
op de Kaap, er op 15 juni vertrokken en op 21 augustus 1679 aangekomen
in Batavia. Er waren 178 zeelui en 86 soldaten en het schip voer via
Saint Vincent, waar één zeeman deserteerde en een bemanningslid
soldaat werd.
|
|
1701
|
Matthijs Lauwerensen uit
Delft
|
Matthijs vertrok als
bootsgezel op
de Donkervliet op 21 december 1701 vanuit Goeree (Kamer van
Delft). Hij was gehuwd met Liesbet Mathijs. Het schip bereikte, na een
verblijf te Duins tussen 27 december 1701 en 15 januari 1702, de Kaap
op 1 juni 1702, waarna het op 24 juni koers zette naar Batavia om er op
5 september 1702 aan te komen. Matthijs keerde op 1 december 1706 terug
met de jacht Wateringen en monsterde af op 19 september 1707 in Texel.
Op de terugvaart, onder het bevel van Arnoldus van der Straten, was Jan
Koenraad de Lamer, schout-bij-nacht, eveneens aan boord.
|
|
1721
|
Willem ‘Guiljaam’ Lauwers uit Willebroek
|
Willem vertrok op 26
juni 1721 als timmerman op de Heinkenszand uit Rammekens,
Zeeland, onder het bevel van Kornelis Centsen. Het schip kwam aan
op de Kaap op 21 december 1721, waar het op 25 januari 1722 vertrok om
op 19 april 1722 aan te komen in Batavia. Op de terugvaart met
de Everswaart, die in Batavia op 11 december 1725 vertrok, werd
hij gerepatrieerd. Hij ging uit dienst bij de aankomst op 6 juli 1726
in Zeeland.
|
|
1724
|
Hans Lauwers uit Atena
|
Hans vertrok op 1 juni
1724 als matroos met het schip Hof niet Altijd Winter
uit Rammekens, Zeeland onder het bevel van Abraham Van
den Busse. Hij overleed op 10 september 1724 aan boord van het
schip, nog vóór de Kaap werd bereikt. Nog 17 andere bemanningsleden van
de 171 haalden de Kaap niet.
|
|
1741
|
Adriaan Lauwers uit Schoondijke
|
Adriaan voer uit op 27
oktober 1741 als opperstuurman op de Pallas
vanuit Rammekens, Zeeland onder het bevel van Bastiaan Koolmans.
Het schip bereikte op 14 maart 1742 de Kaap, waar het op 7 april
vertrok om op 20 juni 1742 aan te komen in Batavia. Adriaan was gehuwd
met Sara Elewout. De Pallas voer via
San Tiago tussen 24 december 1741 en 1 januari 1742. Er waren
116 zeemannen, 61 soldaten en 3 ambachtslui aan boord. De Pallas
zou uiteindelijk worden verkocht in Batavia op 25 april 1747. Adriaan
maakte de terugvaart op 5 april 1743 op het schip Leeuwerik
onder het bevel van Hendrik Gerrtisz. en kwam aan op 16 november 1743
in Texel, waar hij afmonsterde (uit dienst ging).
|
|
1742
|
Pieter Joseph Lauwers uit Reijningarts
|
Pieter vertrok op 3
januari 1742 als soldaat op de Nieuwvliet naar Batavia
vanuit Rammekens, Zeeland onder het bevel van Pieter Koor. Hij zou
de reis niet helemaal meemaken, want op 7 februari 1742 kwam hij
te overlijden. Er waren 117 zeemannen en 70 soldaten, van wie
er 34 zouden overlijden vóór de aankomst op de Kaap op 16 april 1742.
Op de Kaap verlieten nog eens 36 zeevaarders en 34 soldaten, het schip,
terwijl er 48 zeemannen en 14 soldaten aanmonsterden op de Kaap voor de
reis naar Batavia.
|
|
1744
|
Nicolaas Lauwers uit Naalbaag
|
Nicolaas voer af op 9
december 1744 als huistimmerman op de Reigersdaal vanuit Rammekens,
Zeeland onder het bevel van Kornelis Van Zwanenberg. Het schip
arriveerde op de Kaap op 7 april 1745, waar het vertrok op 2 mei 1745
om op 7 juli 1745 aan te komen in Batavia. Het schip telde 145 zeelui,
168 soldaten, en 17 ambachtslui.77 zeelui overleefden de oversteek naar
de Kaap niet, en daar monsterden 18 zeemannen af, 60 soldaten en 3
ambachtslieden. Op de Kaap voegden zich 15 nieuwe zeemannen en 11
soldaten bij hen. Nicolaas keerde terug op 11 oktober 1751 met de Bredenhof,
via Robben Eiland en de Kaap, en nam ontslag bij zijn aankomst op 23
juli 1752 in Rammekens, Nederland.
|
|
1756
|
Jan
Hendrik Lauwerensen uit Lubbeek
|
Jan Hendrik monsterde
aan als soldaat op 24 oktober 1756 op het schip Walcheren,
maar hij zou de reis over de Kaap naar Batavia nauwelijks meemaken.
Zijn overlijden werd vermeld op 29 oktober 1756 en met hem stierven nog
eens 10 opvarenden van de 358 koppige bemanning voor het schip de Kaap
bereikte.
|
|
1759
|
Hendrikus Lauwers uit Antwerpen
|
Hendrik vertrok als
soldaat op 16 november 1759 te Texel op de Lapienburg onder
het bevel van Jean de la Voie. Hij overleed op 14 februari 1760
aan boord, nog vóór het schip op 18 maart 1760 de Kaap bereikte. Nog 28
andere opvarenden van de 326 koppige bemanning overleefden de reis naar
de Kaap niet.
|
|
1761
|
Andries Lauwersen uit Waasbergen
|
Andries vertrok op 29
maart 1761 met het schip Vosmaar uit Rammekens,
als kwartiermeester onder het bevel van Laurens Houtepen. Het schip
kwam aan op 25 juni 1761 op de Kaap, van waar het op 13 juli 1761 koers
zette naar Batavia. Het schip telde bij vertrek 158 zeemannen, 79
soldaten, 5 ambachtslui, waarvan er 36 overleden nog voor het schip de
Kaap bereikte, en het kwam aan op 25 september 1761 te Batavia. Op de
Kaap hadden 26 zeevaarders, van wie 4 deserteurs, en 9 soldaten
afgemonsterd. Andries zou niet terugkeren naar de Nederlanden. Hij
overleed op 10 februari 1765 in Batavia.
|
|
1764
|
Pieter Lauwerense uit Luik
|
Pieter ging in dienst
als hoogloper (helper van de matrozen) op het schip Jonge Samuel
op 19 juni 1764 vanuit Rammekens, Zeeland. Het schip, onder het
bevel van Johannes Van Boom, telde 153 zeemannen, 82 soldaten, 1
ambachtsman en 2 passagiers, en bereikte op 4 november 1764 de Kaap,
waar een aantal opvarenden werden gearresteerd, en vertrok er op 19
december, om op 6 april 1765 aan te komen in Batavia. Pieter zou nooit
terugkeren. Hij overleed in Batavia op 7 oktober 1765.
|
|
1766
|
Jacques Albert Lauwers uit Ieper
|
Jacobus Albertus
vertrok op 7 november 1766 als soldaat op de Pallas onder het
bevel van Jakob Boekhout. Het schip voer over de Kaap naar Batavia,
maar Jacobus zou de Kaap niet bereiken met de rest van de bemanning op
2 april 1767. Hij overleed aan boord op 23 februari 1767, en met hem
overleden nog 62 andere opvarenden van de 363 koppige bemanning voor
het schip de Kaap bereikte. Na aankomst te Batavia op 28 juni 1767,
zette de Pallas koers naar China.
|
|
|