© Laurentii.be, 2026

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

Inhoud (hoofdmenu)

 

·         Blog (deze reeks)

·         E-boeken (pdf)

·         Gezinsreconstructies (per gemeente)

·         Genealogie

·         Indices (zoekfunctie)

·         Startpagina (Home)

·         Thematisch

·         Verhalen (chronologisch)

·         Verwante families

________________________

Verwante stamlijnenontstaan

Voornaamste stamlijnen, datum ontstaan familiewapen is bij benadering

[*] rechtstreekse voorouders auteur

 

 Lauwens/ Lauwers Hombeek-Leest (Kleinbrabant)1568

 Lauwens/ Lauwers andere van voorouderlijke lijn1568

^

Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving1468 Lauwereyns van Watervliet

Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met tekst, logo, symbool, tekenfilm

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met symbool, embleem, wapen, insigne

Automatisch gegenereerde beschrijving1506  1540 Lauwereyns, Lauwerens, Lauwens, Lauwers

1571 Lauwers (graafschap Vlaanderen)

1550 Lauwers (Holland)

1636 Laureinsens

image0561464  Lauwereyns van Terdeghem

^

865-1247  Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)

Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving1468 Lauwereyns van Watervliet

Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met tekst, logo, symbool, tekenfilm

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met symbool, embleem, wapen, insigne

Automatisch gegenereerde beschrijving1506  1540 Lauwereyns, Lauwerens, Lauwens, Lauwers

1571 Lauwers (graafschap Vlaanderen)

1550 Lauwers (Holland)

1636 Laureinsens

image0561464  Lauwereyns van Terdeghem

^

image006.jpg865-1247  Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)

________________________

 

 

Blog - 16e-17e eeuw – Verdachte overlijdens en Criminaliteit in Mechelen

 

 

 Een bloemlezing van de geregistreerde begrafenissen in de stad Mechelen tot 1700 leverde fascinerend veel informatie op over verdachte overlijdens en criminaliteit[1]. De reden van het overlijden, en soms de omstandigheden, werden soms expliciet vermeld. Er waren op z’n minst gezegd merkwaardige voorvallen bij, zoals de verdrinking van zeven jonge vrouwen en een knecht aan de Volmolen in 1536, zoals de moord op soldaten, enkele terechtstellingen, en een tweetal keer meldde men dat een vrouw “dood uit haar bed” was gevallen.

 

Er waren ook meldingen van vluchtelingen uit omliggende parochies die in Mechelen overleden en van werkongevallen: een klokkenluider die van de toren viel in beschonken toestand, een bouwvakker die van een gebouw viel. Een enkele brand en de instorting van een huis kwamen in het lijstje voor.

 

Verdrinkingen gebeurden vooral in de zomermaanden wanneer het baden populair was. Zelf vond ik de overlijdensberichten van jonge meiden die in dienst waren bij notabelen ook wel intrigerend, maar het zou erg speculatief zijn om deze aan de lijst toe te voegen.

 

Heel wat soldaten overleden in de Mechelse stad, en ze waren vaak van buitenlandse komaf: Spaans, Hollands, Duits, Engels, Italiaans en Frans. Zij lieten behalve vrouwen en weduwen tal van naamloze kinderen achter in de Dijlestad die bij hun overlijden werden vermeld als soldatenkind “daar men geen naemen en heeft connen weten” (van de vader).

 

Talrijk waren de meldingen van mensen die overleden aan de pest, al hebben we die niet opgenomen in dit overzicht. De meldingen doorheen alle jaren toonden aan dat de ziekte zowat permanent aanwezig was in de binnenstad. Ook de overlijdens van geestelijke zonen en dochters werden uitvoerig gedocumenteerd: priesters, kapelaans, vicarissen, bisschoppen, zwartzusters, begijnen, … en kosters en hun familie. Er waren ook aardig wat vondelingen die overleden in de Dijlestad.

 

 

 

Verdachte overlijdens en criminaliteit in Mechelen

 

·         In 1390 werd de valsemunter Willem Vanders, afkomstig uit Namen, veroordeeld tot een gruwelijke straf: levend gekookt worden. Die bestraffing van valsmunters was eerder zeldzaam in Mechelen en kwam eerder voor in steden als Antwerpen, Gent en Brussel en er zijn ook meldingen uit steden als Vilvoorde, Aarschot en Tienen[2].

·         Aart Verbeke werd doodgeschoten in oktober 1521 te Mechelen Sint-Rombout. Hij woonde in de Schipstraat.

·         Tussen 1537 en 1556 werden in Mechelen zes vrouwen en één man terechtgesteld door middel van verdrinking. Dit gebeurde in een ton of kuip. Er was ook één geval bekend van terechtstelling door levend begraven te worden, een straf waarmee dievegges vaak werden bedreigd maar die zelden werd uitgevoerd. Ook ophanging was een strafmaat. Mechelen had een galgenveld, de zgn. “Rommekensberg”, dat zich in de late middeleeuwen op Bruinekruis, tussen Battel en Walem bevond. Tussen 1392 en 1691 werden er zeven vrouwen opgehangen. In de 14e en 15e eeuw werd de brandstapel acht keer aangesproken, in de 16e eeuw zelfs 33 keer. Nog een gruwelijk levenseinde gebeurde door radbraken als straf. Dit kwam in Mechelen tussen 1378 en 1419, 23 keer voor, en tussen 1562 en 1570 werd de straf opnieuw ingevoerd. “Vierendelen” als straf kwam in Mechelen niet voor.

·         In 1538 belandde Jan Thijs op de brandstapel op de Grote Markt in Mechelen na een proces, omdat hij het protestantse geloof aanhield. Het ouderlijk gezin Thijs woonde in de Sint-Katelijne parochie in Mechelen.

·         Op 23 december 1555 kwamen de broers Frans en Nicolaas Thys[3] om op de brandstapel op de Grote Markt[4]. Zij werden veroordeeld omdat zij het Lutherse geloof aanhielden. Na hun overlijden worden hun assen uitgestrooid in de Binnen-Dijle. In 1538 was de oudste broer Jan om dezelfde redenen al tot de brandstapel veroordeeld geweest, en het gezin was toen naar Engeland gevlucht. Frans en Nicolaas waren na enkele jaren teruggekeerd naar de Dijlestad. De ouders, Andreas en Catharina, zouden in Engeland blijven. Het vonnis werd uitgevoerd door schout Willem de Clercq, ridder en heer van Bouvekercke[5] na een proces dat al in oktober was begonnen. De inquisiteurs van de katholieke universiteit onder leiding van Ruart Tapper van Enkhuizen hadden de veroordeling uitgesproken. De ‘gemeente’ (protestantse parochie) waartoe de broers behoorden, zou pas in 1567 in Mechelen worden verboden en tussen augustus en oktober 1572 en tussen april 1580, na de Engelse Furie, en juli 1585, was er zelfs even een protestants bestuur.

·         Andries Van Loven (Van Leuven) werd in november 1566 doodgesmeten “metten molen roijen[6]. Hij was van Mechelen Sint-Jan.

·         Anna Van Heyst was “dood van haar bed gevallen” in september 1571. Dat was op z’n minst een verdachte omstandigheid (…).

·         Anneken Rijmenants (Rijmenams) werd in augustus 1597 gekwetst door een musket op de grote kermis. Zij overleed aan haar verwondingen.

·         Antoon, de klokkenluider van Sint-Jan, viel uit het klokgat tijdens het luiden voor het lof in juli 1550. Hij was “wel bij de dranck wesende”, zeg maar dronken.

·         Antoon Op de Beeck verdronk in juli 1599 buiten het winket[7]. Hij was een zoon van Adam Op de Beeck, afkomstig van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle[8].

·         Augustijn Van Roy was een jonge gezel die werd doodgestoken in april 1574. Hij was afkomstig van de parochie Sint-Rombout.

·         Een naamgenoot Van Roy uit de parochie Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk was verwond door Jan Goyers in augustus 1590 en overleed aan zijn verwondingen.

·         Baptista Van de Hoeve werd doodgestoken in november 1559. Zij was van de parochie Sint-Rombout.

·         Katrien Smeijers werd op 14 september 1550 dood gevonden op de Heilig-Kruisdag. Zij was van Mechelen Sint-Jan.

·         Katelijne Baecx (Bax) werd in april 1598 “haestelijck verrast van de doot”. Zij was van Mechelen Sint-Rombout, en woonde met haar man Peter Lijbosch in de Moriaan.

·         Klaas Cools was een jonge gezel, doodgestoken op 28 september 1572. Hij was van Mechelen Sint-Jan.

·         Clara van Schellen overleed in november 1595 in Mechelen Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Haar man was in Rumst door de geuzen vermoord. Zij waren vluchtelingen die in de stad een onderkomen hadden gezocht.

·         Koen Spruyt verdronk onderweg naar Battel in juli 1558. Hij was van Mechelen Sint-Rombout.

·         Een niet nader genoemde Corneel werd in september 1576 doodgestoken “bij de schoenegeerders”.

·         Dominiek Stevens werd in februari 1567 doodgestoken. Hij was van Sint-Jan en werd begraven op het kerkhof van Sint-Rombout.

·         Op 18 mei 1600 kwam Katelijne Van Hove om op de brandstapel op de Grote Markt van Mechelen. Zij was veroordeeld wegens hekserij en was gehuwd met Peter Caluwaerts.

·         Adriaan Diddens was door een singel (buikriem van een paard) van de smeden geraakt aan zijn hoofd. Hij stierf aan de gevolgen in november 1608. Hij was van de parochie Sint-Rombout[9].

·         Agneta Jacomijns verdronk in augustus 1605 op een “onmenselijcken” manier in de Schepstraat. Zij was van Mechelen Sint-Rombout.

·         Andries Suetens werd gekwetst door een slager en overleed aan de gevolgen op 21 november 1603. Hij was van de Blaewhontstraet in de parochie Sint-Rombout.

·         Anneken Thomas was “subietelijck”, plots, gestorven en uit bed gevallen op 28 maart 1603 in de parochie Sint-Rombout.

·         Antoon, een opperknaap bij de metsers, was om 9 uur gaan baden in juli 1604 en was verdwenen tussen de Fonteinbrug en de Grote brug.

·         Bonaventuur Van Hamme overleed in januari 1600 in verdachte omstandigheden: “’t zaterdags was hij noch op de straet en de ’t sondachs een lijck.

·         Corneel Frans was nabij Sluis beschoten. Hij overleed drie weken later in het Spaeschgasthuis in juli 1605. Hij was van de parochie Sint-Rombout.

·         Digna Tubacx werd dood gevonden op haar bed na twee dagen, op 3 februari 1606 in de parochie Sint-Rombout. De omstandigheden waren onduidelijk.

·         Frans Persoons overleed in november 1606 van de droogte. Hij woonde in de Begijnenstraat en werd begraven op het kerkhof van de minderbroeders.

·         Hans, een pottenbakker van Kortrijk, werd doodgestoken op de markt in januari 1603.

·         Hans Deens was op het Groot Begijnhof gevallen en was aan de verwondingen overleden in februari 1605. Hij woonde in de Kapelstraat in de parochie Sint-Rombout.

·         Jan de Merode was een jonge man die in zijn been werd geschoten en daaraan was gestorven. Hij werd begraven in Gelder, maar kreeg in november 1606 een uitvaart in Sint-Rombout.

·         Lesken Blondeels had zichzelf in de beerput geworpen. Men had haar nog kunnen redden, maar zij overleed aan de gevolgen na drie uur onderkoeld te zijn geweest. Zij was eertijds nog begijn geweest. Zij overleed in februari 1608.

·         Een onbekende jonge man werd in de Blancart gevonden, dood hangend aan een koord in augustus 1606 – “hoe dat gebeurt es dat laeten wij god den heere oordelen oft dat wetens off willen gedan es”.

·         Nog een onbekende jongen was geschoten in juni 1606 en was daaraan gestorven. Hij kreeg een mis zonder enige ceremonie.

·         Arnold Vermeeren verdronk in september 1610. Hij was diaken van Zellaar en woonde in de Sint-Romboutparochie.

·         Corneel Torfs was in de brouwketel gevallen en overleden op 29 oktober 1611. Hij woonde in de Torf in de parochie Sint-Katelijne.

·         Antoon Herrebouts was verdronken in 1619 en zijn lijk werd pas iets meer dan een jaar later opgevist aan de Donck in Mechelen, eind december 1620. Hij was afkomstig van de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Antoon Neefs verdronk in juli 1620. Hij was huidvetter en woonde in de parochie Sint-Pieter en Paul.

·         Willem Verstreken werd doodgestoken in juli 1620. Zijn lijk werd in het water gegooid.

·         Jan Boodts verdronk in juli 1620. Hij was van Mechelen Onze-Lieve-Vrouw Hanswijk.

·         Philip De Cordewagher werd doodgestoken aan het kerkhof in februari 1617. Hij was van Mechelen Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Adriaan Mariën uit Berlaar was gevlucht voor de soldaten naar Nekkerspoel, waar hij alsnog overleed op 23 oktober 1622. Ook Anna Ceulemans uit Bonheiden was een vluchtelinge die in oktober 1624 overleed in Mechelen.

·         Willem Vanden Plas was verdronken in Keerbergen in april 1630. Hij was afkomstig van Mechelen Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Hendrik Janssens was een soldaat te Pasbrug die in februari 1626 werd gedood op Nekkersspoel.

·         Laurens Nn. werd doodgestoken aan de Fonteinbrug in april 1629. Hij was afkomstig van Mechelen Sint-Rombout.

·         Een onbekende soldaat werd in het woud doodgeschoten in juni 1636. Hij werd begraven te Sint-Pieter en Paul. Nog onbekende soldaten werden “vermoord” te Sint-Katelijne op 10 februari 1636 en op het Toncxken op 24 januari 1637. Zij werden begraven in Mechelen Sint-Katelijne. In november 1641 werd een soldaat vermoord en begraven in de parochie Sint-Katelijne. In februari 1651 werd een soldaat “dood gesmeten in een hof” in Mechelen Sint-Jan en in maart 1656 werd een garnizoenssoldaat die Hubert heette gedood in de parochie Sint-Katelijne.

·         Een onbekende jongen werd in augustus 1638 ’s avonds levenloos gevonden op de Grote Brug.

·         Op 14 juni 1636 verdronken Antoon, de knecht van Hendrik Van DammeBarbel Van DammeBarbel De Cock, Magdalena Van Damme, Magdalena Clismans, Clara Molemans, Martha Weijndricx en Antoinette Van den Steen nabij de molen. In januari 1639 werd nog een lijk gevonden van Jenneken Coussineau. Het was een hoogst merkwaardige meervoudige verdrinking.

·         Jacques Goris verdronk op 4 januari 1646 en zijn lijk werd pas na vijf dagen opgevist. Hij was van de parochie Sint-Rombout.

·         Jan Raes verdronk op 6 maart 1647 in Mechelen Sint-Rombout.

·         Jan Pelemans junior werd gedood in mei 1655. Hij was van de parochie Sint-Katelijne. Zijn uitvaart vond plaats op 18 mei, drie dagen voor de uitvaart van zijn vader Jan Pelemans senior.

·         Peter Van Vliet de jongere werd gedood in december 1656 in de parochie Sint-Katelijne.

·         Andreas Quartier was meester van de afdeling ruiters en werd begin april 1657 gedood. Hij was van de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Jacob Geerts verdronk op 16 september 1659 in Mechelen Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Hij was een kleermaker.

·         Een onbekende vrouw verdronk op 11 april 1659 bij de Koepoortbrug. Zij werd dezelfde dag begraven in de parochie Sint-Jan.

·         Jacobijn Everaert werd op 5 december 1664 door een medestudent vermoord. Hij woonde in de Blauwhontstraet in de parochie Sint-Rombout en werd de dag nadien begraven in de kerk, nabij de kapel naast de sacristie.

·         Jan Baptist l’Ange was een ruiter die werd gedood in september 1663. Hij werd begraven in de parochie Sint-Jan.

·         Martijn Bonne was een soldaat die in december 1661 werd gedood. Hij werd begraven in de parochie Sint-Katelijne. Hendrik Kleijen was een soldaat die in augustus 1666 in de Peperstraat werd vermoord. Hij werd begraven op 19 augustus 1666 in Mechelen Sint-Rombout.

·         Nicolaas Polfliet verdronk op 4 juni 1661. Hij was corduwanier in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Paul Karpel was van de IJzerleen en verdronk in juni 1664. Pas eind juli kreeg hij een uitvaart in Sint-Rombout.

·         Huibrecht Willem was een garnizoen soldaat die op 5 mei 1666 publiekelijk werd terechtgesteld aan de Katelijnepoort, nadat hij ter dood werd veroordeeld.

·         Peter Colaert verdronk op 29 december 1666 in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Hij werd er ’s avonds begraven.

·         Peter Ambach was bewaker van de kruitkamer op de vest. Hij overleed op 3 mei 1668 na een ongeval en werd begraven in Sint-Rombout.

·         Adriaan Van Dooren werkte aan het grote koor van de Sint-Romboutkathedraal toen hij een val maakte. Hij overleed in april 1672.

·         Jan Servaes was een Antwerpse koetsier die “op jammerlijke wijze” werd vermoord in Mechelen in juli 1670. Hij werd begraven in de parochie Sint-Katelijne.

·         Michiel Castelnove werd op 24 juni 1672 ‘s avonds op de Grote Markt gedood.

·         Antoon Van Houte was een soldaat die doodgestoken werd “oft gewoorpen” aan de Fonteinbrug in Mechelen op 20 januari 1676.

·         Katelijne Ruelens was verdronken op 21 december 1674. Zij kreeg een uitvaart in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle en werd begraven in Muizen.

·         Jan Metaen was een trompetter van de Hollandse ruiters die op 17 juli 1674 werd doodgestoken. Hij werd ’s avonds begraven in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Adriaan Verbiest was een kind, gevlucht uit Rijmenam, dat overleed op 31 mei 1678. De naam van de ouders kon niet worden achterhaald “niet konnen weten mits sij niet meer en leefden”.

·         Boudewijn Felix was bestuurder bij de Spaanse artillerie. Hij verdronk op 1 juli 1678 in Mechelen aan het Blokhuis.

·         Matthias Donia (de Donia) werd opgehangen op de Grote Markt op 18 oktober 1677. Hij werd begraven op het kerkhof van Sint-Rombout. Dit was in de nasleep van de Spaanse furie in oktober 1576. Vermoedelijk ging het om een Spaanse soldaat.

·         Paul Persoons was een kind dat verdronk te Mechelen op 3 juni 1677. Hij was een zoon van Gielis Persoons en Margriet Jennes en werd begraven te Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Zowat elf jaar later verdronk ook het broertje Corneel Persoons er, op 29 juli 1688.

·         Peter Jongbloet was een soldaat onder kapitein Cruys in het regiment van graaf Waldeck. Hij werd op 31 mei 1678 doodgestoken en werd begraven in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Een zoon Ferdinand trad op als doopgetuige bij Johanna Maria Van Eeckhoren op 22 september 1708 te Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, een dochter van Nicolaas Van Eeckhoren en Maria Lauwers . Op 18 juli 1678 werd Peter Stoeck, een andere soldaat van dit regiment die diende onder kapitein De Ridder, “onnoijselijck” doodgestoken. Peter Stoeck werd begraven in de parochie Sint-Rombout.

·         Peter Foffien kwam om tijdens een brand in de Blaasbalgstraat op 11 januari 1677.

·         Walter Giellewert werd door soldaten gestoken en overleed aan zijn verwondingen op 3 mei 1678. Hij woonde in de Katelijnestraat en werd begraven in de parochie Sint-Rombout.

·         Anna Van der Heyden en haar echtgenoot kwamen om op 10 maart 1680 in de Adegemstraat toen hun huis instortte. Naar verluid waren zij gestikt in het graan. Onder de slachtoffers waren behalve Rombout senior, ook Rombout junior, Anne-Marie en Magdaleen Suetens.

·         Corneel Van Nuffel was een jongeman die verdronk in Mechelen op 19 september 1680. Hij werd begraven in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Joris Desie was een schaliedekker die van het dak viel in de Oude Bruul op 3 juni 1681 en aan zijn verwondingen overleed. Hij werd begraven te Sint-Rombout.

·         Isabella Vinckboom moet op 9 oktober 1680 zelfmoord hebben gepleegd in de parochie Sint-Katelijne. Zij werd beschreven als een “wanhopige”.

·         Jan Beelaerts was een jonge man die verdronk in Mechelen op 8 september 1680. Hij was afkomstig van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Louis Van Hoof was een kind dat verdronk op 20 juli 1679. Hij was een zoon van Jan Van Hoof en Maria Van der Haut en werd begraven te Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         In april 1680 werd een kinderlijkje gevonden, “stil nedergezet” in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Dit gebeurde twee tot vier keer in 1680, met andere meldingen in augustus en oktober dat jaar, al ging het deze keren om een (Spaanse) ruiter die het kind daar had gelegd en één keer in februari 1681 “daer smorgensvroegh geset in stilte aen het kerkgestoelte”. Ook op 7 januari 1683 was er een melding “onder den preeckstoel daer stil gezet”, op 3 november 1684 “in de kercke daer henen geset”, op 13 december 1687 “midts dat het met de kiste in de kercke was stil daer geset”, op 15 februari 1588 “in de kerck daer geset sonder wete”, op 1 april en op 22 december datzelfde jaar, op 20 januari en op 22 oktober 1689, op 3 februari, op 28 augustus, op 10 september, op 22 oktober, op 5 december 1690, op 16 maart, op 26 april, op 22 november, op 18 december 1691. Op 11 december 1692 werden zelfs twee kinderlijken in de kerk achtergelaten. Er waren ook meldingen in september en oktober 1693, met op 13 oktober opnieuw twee arme kinderen die samen werden binnen gebracht in alle anonimiteit, en in december 1693. Ook in de daaropvolgende jaren waren er meerdere meldingen van kinderlijken “in de kerkelijke uitvaart gezet”.

·         Antoon Verhooghen was kousenmaker en vlasverkoper en werd op 4 februari 1685 in zijn huis aan de Adegemstraat door dieven doodgeschoten.

·         Tussen 1682 en 1688 waren er meldingen van mannen uit het Godshuis van Oliveten die daar overleden. Deze “mannekens uijt het Godtshuijs” – ‘rusthuisbewoners’ op leeftijd - werden begraven in de hof van het Godshuis waar er een plaats was gewijd: Willem Cognet, Hendrik De Win, Jan Van Asselbergh, Jacob Verbeeck, Christiaan Vleminckx. Het ging om een rust- en verzorgingstehuis “avant la lettre”. Op 25 mei 1692 was er ook een melding van het overlijden van een vrouw, “moeder in het godshuis”, Clara Vermeulen.

·         Hendrik Van der Veken was een jongeman uit de Adegemstraat die “verraderlijckx” werd doodgestoken op 31 oktober 1684. Hij was van de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Jan Schuereweghen was een schipper die verdronk op 21 december 1685 in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Merk dan ook de jonge man Willem Schuerweghen er verdronk op 1 juli 1688.

·         Jan Breijne was als kind van Leuven naar Mechelen gebracht door een vrouw, “ende soo men heeft connen bemercken, soo ist een bastaert geweest” (een buitenechtelijk kind). Hij overleed er op 10 november 1685 en werd begraven in de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle parochie.

·         Willem Quarant was een schaliedekker die om het leven kwam toen hij van het dak viel tijdens werkzaamheden aan het seminarie op 21 september 1688. Hij werd begraven in Sint-Rombout. Vermoedelijk gebeurde het ongeval aan het toenmalige Grootseminarie in de Frederick de Merodestraat.

·         Willem Van Broeckhoven verdronk “deirlijck” te Mechelen op 1 juli 1687. Hij woonde op de Grote Markt en werd begraven in Sint-Rombout.

·         Jacob Cuytens werd op 4 december 1687 doodgeschoten in Mechelen. Hij woonde aan de Schuttershofstraat en was hovenier.

·         Corneel De Geuter (De Geutter) was een jonge man uit de Onze-Lieve-Vrouwstraat die verdronk op 22 december 1690 en met het schip naar zijn thuisparochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle werd teruggebracht.

·         Soldaat Louis De Backer overleed nadat hij op de Grote Markt “geharquibuseert” (aan de schandpaal gebonden en “gebruuskeerd”) werd op 2 maart 1690. Hij werd begraven op het kerkhof van de parochie Sint-Rombout.

·         Matthijs Janssens werd op 13 april 1689 aan de Pasbrug doodgestoken. Hij woonde in de Katelijnestraat en werd begraven in Sint-Rombout.

·         Michael Van Campe werd doodgeschoten op 2 mei 1689. Hij woonde in de Blaasbalgstraat in Mechelen.

·         Nicolaas Segers was een kind dat dood uit een schip werd gehaald op 25 november 1689. Hij was een zoontje van Gommaar Segers en Margriet van Linthout die op de Dijle woonden. Ook het meisje Katrien Van Haecht werd op 21 januari 1692 dood uit een schip gehaald. Zij was een dochtertje van Jan Van Haecht en Anna De Geutter.

·         Peter de Champ was een garnizoensruiter die op 15 juli 1689 werd vermoord aan de Brusselpoort in Mechelen.

·         Frans De Ridder werd op 17 april 1692 gestoken en overleed ’s avonds aan zijn verwondingen. Hij woonde in de Adegemstraat in Mechelen.

·         Jacob Wolf was een Duitse soldaat die op 6 januari 1691 werd vermoord. Hij woonde in de Katelijnestraat in Mechelen.

·         Jacob Gossan was soldaat van de koning van Engeland die op 21 september 1691 in de gevangenis van Mechelen overleed. Jasper De Backer was een Engelse soldaat die logeerde bij het Godshuis van Oliveten en die aan de Koepoort werd doodgestoken op 11 april 1692. Er overleden overigens opvallend veel Engelse soldaten in deze periode in Mechelen zonder dat daarbij de doodsoorzaak werd vermeld[10].

·         Jan Witman was een ruiter uit het Schwabenland onder ritmeester Pieck. Hij werd doodgestoken op 25 april 1691. Ook soldaat Joseph Lillou onderging eerder hetzelfde lot op 31 maart 1691. De laatst vermelde woonde in de Molemansstraat en was vermoedelijk een zoon van soldaat Robert Littel en Liesbeth Lauwers .

·         Jenneken De Groot was een jonge dochter die in november 1691 werd vermoord. Haar lijk werd in het water geworpen. Het lichaam werd opgevist aan de Winket brug in Mechelen.

·         Martijn Bernaerts werd op 20 mei 1691 door een Hollandse ruiter doodgeschoten buiten de Overste Poort. Hij was een jonge man, afkomstig uit Battel.

·         Een onbekende vrouw was op 23 maart 1692 in het water gevallen en was overleden in het gasthuis van Mechelen.

·         Adriaan Brughmans was een kind dat verdronk op 19 juli 1693. Hij werd begraven in de Hanswijk parochie.

·         Francesca du Moulin was een vluchtelingenkind, woonde in de Brusselstraat en overleed in september 1693. Katrien Wauters was naar Mechelen gevlucht vanuit Hombeek en verbleef in ‘t Cortier. Zij overleed er begin december  1693. In dezelfde parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle overleden in september 1693 ook het vluchtelingenkind Lambrecht De Mon, een zoontje van Lambrecht De Mon senior en Liesbeth Krinckenbeeck, Katelijne de Gorain op 31 oktober 1695, een dochtertje van Jan Adriaen de Gorain en Barbara Van Bever, gevlucht uit Brussel. Jan Gernard was het zoontje van Jan Gernard en Maria Thabiau, vluchtelingen uit Jodoigne. Hij overleed op 6 september 1695 in Mechelen.

·         Daniël was een soldaat uit Utrecht die in augustus 1693 aan zijn verwondingen overleed terwijl hij hout sprokkelde aan het kerkhof. Hij werd begraven op het achterste kerkhof van Sint-Rombout. Nicolaas Godtgaf onderging hetzelfde lot op 3 augustus 1693. Hij was afkomstig van Sint-Truiden.

·         Maria Van den Eynde werd in februari 1693 dood gevonden in een kelder in de Hoogstraat in Mechelen. Zij werd dezelfde avond begraven in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Er waren kinderen uit de “armenschool” die in Mechelen overleden: Anna Van Haecht op 17 februari 1694, Katelijne Leemans op 13 oktober 1695, Barbara Boexstijns op 7 juni 1696. De “armenschool” bevond zich in de Milsestraat in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Christine Stevens was “vremt in de stadt gekomen” en was er “subietelijck” overleden op 28 juni 1694 in de herberg “De Kraai” in de Onze-Lieve-Vrouwestraat.

·         Lijsbeth Bordel kreeg in augustus 1694 pas een uitvaart in Sint-Rombout. Zij was twee jaar eerder begraven in Hombeek en haar echtgenoot Jan Francis de Roubaix, de meier van Hombeek, had geweigerd een uitvaart te doen. Een vonnis van de Grote Raad had hem daartoe verplicht.

·         Jacques Vercammen werd op 19 januari 1694 doodgeschoten in de Hoogstraat door een ruiter. Hij was een mandenmaker en werd begraven in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

·         Jan Hagemans was een soldaat van de Hollandse artillerie die op 23 april 1695 werd doodgeschoten. Hij verbleef in de Steenstraat.

·         Jan Rubens uit de Steenstraat kreeg enkele dagen later een uitvaart. Hij was vier tot vijf weken eerder verdronken te Mechelen.

·         Jan Baptist Goetgebuer werd vermoord op 24 oktober 1695 in de parochie Sint-Jan.

·         Barbara Croes verdronk op 13 januari 1696. Haar lijk werd opgevist bij de Olifantsbrug (ook “Hondsbrug” over de Melaan) in Mechelen en zij kreeg een uitvaart op 25 januari in de parochie Sint-Katelijne.

·         Catherine Delvaux werd op 3 maart 1696 opgehangen op de Grote Markt te Mechelen.

·         Hendrik Van Esch werd “derelijck” geschoten op 23 juni 1698 en overleed aan zijn verwondingen bij de Fonteinbrug in Mechelen. Hij was barbier.

·         John Mellin, een Engelse soldaat die verbleef in de Hoogstraat, werd doodgeschoten op 3 januari 1696.

·         Jan Verberckt werd op 18 april 1698 “onnooselijck” doodgestoken. Hij woonde in de Adegemstraat en was slager.

·         Joos van Veirle was een voor de Fransen gevluchte man uit Wolvertem die in de Borsestraat woonde. Hij overleed in augustus 1697 in Sint-Rombout.

·         Op zaterdag 23 maart 1697 om vijf uur was er een vechtpartij tussen Engelse soldaten aan het kerkhof van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. De gevechten liepen door tot midden in de kerk aan de preekstoel en er waren meerdere gekwetsten van wie er één overleed.

·         Francis Vergaelen kwam om door een ongeval met zijn eigen paard op 14 januari 1699, “door hun eighen peerd het hoofd ingeslagen”. Hij werd begraven in de parochie Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle.

 

 

 

Blog 17e eeuw - De lakenindustrie – een geschiedenis van Mechelaars

 

 

De lakennijverheid was een zaak van gespecialiseerde ambachtslieden. 

Eerder was vooral het Graafschap Vlaanderen toonaangevend, inclusief Noord-Frankrijk (het graafschap Artesië en Frans-Vlaanderen).

 

Het hertogdom Brabant volgde pas eeuwen later.

 

 

Afbeelding met munt, trilobiet, ongewerveld, geleedpotige

Automatisch gegenereerde beschrijvingIn Vlaanderen en in de kustgebieden van de Lage Landen werd de wol nijverheid – men hield van oudsher schapen - al in de 3e eeuw vermeld. 

 

De kwaliteit van mantels uit Doornik en Atrecht (Arras) werden al door de Romeinen aangeprezen. Vanaf de 11e eeuw groeide de lakennijverheid, met Atrecht op kop. Plaatsen als Rijsel, Dowaai, Sint-Omaars, volgden einde 11e eeuw en secundaire steden als Aardenburg – met laken van kwalitatief mindere wolsoorten van Schotse en Spaanse, onder meer merino, origine, Veurne en Sint-Winnoksbergen– waar ook voorouders Lauwereyns woonden.

 

Afbeeldingen: het Mechels “lakenloodje” of de “Romment” uit de 16e eeuw bevestigde dat het laken kwalitatief was afgewerkt. – De onvoltooide Belfort toren aan het stadhuis van Mechelen, de voormalige lakenhallen.

 

 

Vanaf de dertiende eeuw waren Ieper – waar in de 14e eeuw 1500 weefgetouwen werden geteld -, Wervik, Brugge en Gent de bekendste centra voor de “Vlaamse draperie”. Ook lakens uit Aalst werden vermeld in een inventaris van de koning van Napels. Het veiligstellen van de wol invoer uit Engeland speelde vanaf het eind van de 13e, eeuw en het begin van de 14e eeuw een belangrijke rol.

 

Bij het uitbreken van de Honderdjarige Oorlog in 1337 werd de export zelfs aan banden gelegd door de Engelse koning Eduard III. Alternatieve aanvoerroutes kwamen via Schotland, waarop vanuit Veere werd gevaren.

 

De lakenindustrie groeide uit van een exportnijverheid van de steden tot een luxenijverheid naarmate de transactiekosten stegen omwille van de internationale handel overzee en door de belastingen die werden geheven – zoals in het Bourgondische en het Habsburgse rijk gebruikelijk was - en door de vergunningsplicht vanaf het eind van de 13e eeuw.

 

Vanaf de 12e eeuw produceerde ook Brussel laken – in 1545 werkten er nog één op de vier mensen er in  de tapijtweverij -, met wol geïmporteerd vanuit Engeland en Ierland.

 

In de 14e eeuw was deze hertogelijke stad zelfs de referentie. Nadien ging het bergafwaarts door de Engelse en Normandische concurrentie. De beste kwaliteit heette “puik”, terwijl het “voorlaken” van mindere kwaliteit was. In deze eeuw maakte ook Mechelen opgang, met een lakenindustrie die zich vooral in de buurt ontwikkelde, in de voormalige “Heilige Geest” parochie in Nekkerspoel (1255-1603) waar we meldingen van ambachts- en kooplieden Lauwers/Lauwaerts aantroffen vanaf de 14e eeuw. De kern van de nijverheid speelde zich af aan de huidige “Tinelsite” en de zone tussen de Dijle en het Vrouwvliet – de wevers woonden onder meer in de (door de aanleg van de spoorweg verdwenen) Groenstraat (thans Bakelaarstraat) en de Schipvoorstraat in 1379, in de Wijngaardstraat en in de Blokstraat -.

 

De Engelse wolhandel was in 1295 bovendien door Floris V van Holland naar Mechelen verplaatst, waar deze daarvoor nog enkele maanden in Dordrecht plaats vond. Kempische wol, onder meer uit Lier, werd in de 14e eeuw via Antwerpen verhandeld, maar de stad zou nooit het belang overtreffen van Mechelen, dat van gunstmaatregelen genoot in de lakenhandel en -nijverheid.

 

De groeiende, nabije, Brabantse jaarmarkten in Antwerpen en Bergen-op-Zoom in de 15e eeuw – waarnaar we ook een uitwijking van families zagen – speelden een belangrijke rol. Uit deze periode getuigden de stadswallen met twaalf poorten, een lakenhalle met een heus maar onvoltooid belfort – wat later het stadhuis van Mechelen zou worden-, het Schepenhuis tussen de IJzerleen en de Grote Markt van Mechelen. De volmolen aan de Kruidtuin van Mechelen herinnerde eveneens aan deze periode, wan the water werd gebruikt om de wol te “vollen”, zeg maar sterker, dichter en vaster te maken.

 

De oudste gilde van de stad, de Sint-Jorisgilde, werd in Mechelen gesticht in 1312 en verenigde de laken ambacht. Een grote stadsbrand in 1342 gooide roet in het eten, maar in de 15e en de 16e eeuw beleefde Mechelen een bloeitijd. De komst van Margaretha van Oostenrijk in 1507 – die in 1508 nog huizen kocht van haar raadsman Jerome Lauwereyns Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving [11]om er een paleis in te richten – versterkte het belang van de stad. Vanaf 1530 begon het belang van de stad te tanen.

 

Na de ontploffing van een kruitmagazijn in de Zandpoort in 1546[12], veranderde de Mechelse geschiedenis ingrijpend. 

 

Het politieke overwicht kantelde zelfs naar Brussel met de verhuis van het hof van de landvoogdes Maria van Hongarije. Andere gebeurtenissen beïnvloedden het wedervaren van de Mechelaars: de beeldenstorm van 1566, de Spaanse Furie in 1572, de Engelse Furie van 1580 – waarbij Olivier van de Tympel, de gouverneur van Brussel, met de legers van de Engelse kolonel Norrits en de Schotse kapitein Stuart slag leverden met de Mechelse burgerwacht en de schuttersgilden. De laatsten zouden het onderspit delven, en in juli 1585 veroverde de Spaanse veldheer Alexander Farnese de stad.

 

Het vrachtvervoer per schip over de Dijle was belangrijk voor de stad en er woonden meerdere schippersfamilies zoals die van Lauwers  alias de Donker. Vanaf 1531 ging de lakenindustrie in Mechelen zienderogen achteruit.

 

Dat merkte men ook aan de groeiende aandacht voor armenzorg met de bedeling van vlees, brood, in afnemende mate geld, van peulvruchten in de vastenperiode en van giften via testament “tot salichheyt van haerer siele”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Zie ook gezinsreconstructies Lauwens/Lauwers te Mechelen tot 1700.

[2] Zie o.m. “Vijf eeuwen stedelijk strafrecht”, L.-T. Maes, “De Schandstraffen in het wereldlijk strafrecht in de Zuidelijke Nederlanden” van P. De Win, “Gruwelgids voor Oud-Mechelen. Vijfhonderd jaar stedelijkse rechtspraak”, M. Kocken. Dieven werden in sommige steden een oor afgesneden, en in Mechelen werd in 1438 nog een vrouw beticht van diefstal enkel omdat zij een oor miste. Wie twee oren miste, werd veroordeeld tot de galg bij een derde misdrijf (…). Verminking van de tong kwam ook in Mechelen voor als straf in de 16e eeuw bij godslastering. Vrouwen die tijdens een verbanning terugkeerden naar de stad konden in de Dijlestad in de 15e eeuw een oog verliezen en landlopers of bedelaars werden kaal geschoren in de 16e eeuw (in Antwerpen en Gent werd het haar “afgebrand”).  Ook publieke afranseling met een roede of zweep behoorde tot de strafmaatregelen, evenals publiekelijk ten schande worden gesteld met een strop op een ladder of dagenlang in een mand (ook “schupstoel” genoemd) worden gehangen (Mechelen). Die “schupstoel” werd in Mechelen aan de Grote Markt al vermeld tussen 1277 en 1281. In Mechelen is er voor het eerst melding van een beul in een cijnsrol van het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis in 1220 en in 1536 stond een Mechelse beul (“pendeur”, “stocker”) terecht voor brandstichting. De strafuitvoering vond publiekelijk plaats op het “schavot” op de Grote Markt. Gruwelijke straffen zijn niet het alleenrecht van de religieuze fundamentalisten in de 20e eeuw (…). Ze bestonden in onze contreien ook in de middeleeuwen.

Meer over deze familie in een verhaal van 1662.

[4] Bron: “Historie der Martelaren” van Adrianus Haemstedius, 1655.

[5] Meer over deze familie in een verhaal van 1662.

[6] Vermoedelijk een verwijzing naar de “Rode Molen” die zich aan de Lierse steenweg bevond.

[7] Destijds een houten valbrug die schepen de toegang tot de stad kon verhinderen, aan de Waterpoort.

[8] zie ook blog “Op-de-Beeck in de drie Wavers

[9] Zie ook verwante familie Diddens.

[10] Enkele opmerkelijke namen waren Joan Kennedy (“Kenedi”), de vrouw van een Engelse soldaat in het regiment van Fitzpatrick die overleed in augustus 1693, Francis Cruise (“Krues”), een Engelse soldaat die overleed in december 1695. Andere namen als Reily, Hague, Walther, Piper, Leeson, Crom, Leary, Walker, Westing, Donnay, Hayman, Rogers, Melvin, … kregen een Nederlandstalig klanknabootsende beschrijving mee.

[11] Zie ook achtergrondverhaal uit 1510.

[12] Zie verhaal 1546, Ontploffing aan de Zandpoortvest