startpagina > voorgeschiedenis

Voorgeschiedenis van de families Lauwens en Lauwers

Inhoud van deze pagina
Waar komen genetisch verwanten momenteel voor?
Terug in de tijd: voorouders tot 200 000 jaar geleden.
Waarom emigreerden onze voorouders?
De migratie naar het Midden-Oosten (tot 50 000 jaar geleden)
De migratie naar de Balkan (tot 20 000 jaar geleden)
Afstamming van de "Noormannen" langs mannelijke lijn (tot 1200 jaar geleden)
Wat de geschiedenis ons leert over stamouders in Leest-Hombeek (tot 2600 - 2200 jaar geleden) over Kelten,  Germaanse Nerviërs en Franken, en Deense Vikings
DNA en geneografisch onderzoek
Een familiewapen voor onze stamlijn?
Andere verwijzingen
Toelichting  
Voetnoten
Bronnen

Voetnoten  
1  www.waittfoundation.org

2 De resultaten van het volledige onderzoek kunnen beschikbaar worden gesteld mits een kostendelende vergoeding.  Geïnteresseerden in het volledige resultaat nemen best contact op via e-mail.

3 "Balkan" is een Turks (Ottomaans) woord dat "beboste berg" betekent.

4 De Alpen zijn ontstaan tijdens de Alpine-plooiingsfase, als gevolg van het op elkaar botsen van het Europese en Afrikaanse continent. In dezelfde periode zijn bijvoorbeeld ook de Pyreneeën ontstaan. Het zuidelijk uiteinde van de Alpen loopt door in de Apennijnen; het oostelijk uiteinde vertakt zich: één tak zet zich voort in de Karpaten, de andere in de Dinarische Alpen. Daar het gebergte een grote boog beschrijft, spreekt men ook wel van de Alpenboog.

5 Mammoeten verspreidden zich gedurende het Vroeg-Pleistoceen vanuit Afrika over Eurazië en Noord-Amerika. De vacht van deze mammoeten was zwart gekleurd, dit in tegenstelling tot veel afbeeldingen van deze dieren met een rode vacht. De rode kleuring van de haren is veroorzaakt door een chemische reactie na de dood. Ongeveer 10.000 jaar geleden stierf de toendramammoet uit met uitzondering van een kleine groep op het Poolzee eiland Wrangel die het totale verdwijnen van de soort nog 4.000 jaar uitstelde. Mogelijk heeft overbejaging door de mens aan zijn definitieve uitsterven bijgedragen.

6 De precieze haplogroep typering is volgens genetische studies I1a, en die is vooral uitgesproken aanwezig bij 35% van de bevolking van Noorwegen, Zweden en Denemarken, en vervolgens afnemend aanwezig in de omringende Germaanse wereld, in de Oeral en bij de Keltische bevolking. Een grotere variëtiet van I1a chromosomen ('bouwstenen') komt voor bij Fransen en Italianen, ondanks de lage frequentie van de haplogroep I1a bij moderne Fransen en Italianen. De haplogroep R is dominanter aanwezig in traditionele Germaanse gemeenschappen. De Angelsaksische I1a variant komt dan weer frequent voor in Noord-Duitsland, Denemarken, de (andere) Lage Landen (waaronder Vlaanderen en Nederland), de Britse eilanden en Normandië. De Noorse I1a variant is frequenter in Zweden, de Noors-Bothnische variant in Finland, en de ultra-Noorse variant in Noorwegen. Enkele genetici gaan er overigens van uit dat eerder de Haplogroep R1a de 'echte' Viking haplogroep zou zijn. De haplogroep I vindt bijna exclusief zijn oorsprong in Europa. De frequentie van subhaplogroep I1a is blijkens recent onderzoek o.m. 5,3% in het Zuiden van Frankrijk, 11,9% in Laag Normandië (FR), 5,6% in Zwitserland, 25% in Duitsland, 16,7% in Nederland, 10,9% in Slovenië, 8% in Maceonië (Noord-Griekenland), 35,7% in Zuid-Zweden, 26,3% in Noord-Zweden, 38,9% in Noorwegen, 28,6% in Finland, 14,8% in Estland, 5,8% in Polen, 4,5% in Tsjechië en Slovakije, 9,9% in Hongarije (hoogste percentages). Het Iberisch schiereiland, Zuid-Frankrijk en de Oekraïne / Centraal Russisch Plateau worden vermeld als mogelijke oorsprongsstreek van de Scandinavische nazaten van subhaplogroep I1a. Sommige studies gaan er van uit dat deze subhaplogroep een zeer typische Deense, Vlaamse en Angelsaksische groep is die ook frequent voorkomt aan de kusten en in het noorden van Nederland.

Althans één studie die de subhaplogroep verder verdeelde in I1a#20, gaat er van uit dat deze (zeer verwante) subsub haplogroep frequent voorkomt in Noord-Spanië, Noord-Italië en Centraal Europa, en koppelt dit voorkomen aan de bewegingen van de Gothen. De hoogste frequentie komt voor in West-Noorwegen, met hoge voorkomens in Parijs en Normandië, als een typische "Noorman" signatuur.

7 De Nerviërs waren  nauwkeurig ingelicht over Caesar's marsgewoonten en de gecompliceerde maneuvers bij de aankomst op een bivakplaats. Bovendien bleken de Nerviërs en hun bondgenoten zich gedisciplineerd te gedragen. 

Caesar had de kilometerslange legerkolonne (ong. vijftigduizend mensen en duizenden lastdieren) opgesteld zoals dat zijn gewoonte was in vijandelijk gebied. Na de voorhoede kwamen zes van de acht legioenen waarover hij toen beschikte, gevechtsklaar, d.w.z. zonder hun hinderlijke bagage. Die bevond zich in de lange legertros, die achter de zes legioenen voorttrok. Daarna kwamen dan de laatste twee legioenen, als bescherming voor de tros en als achterhoede.

De kampplaats, die elke dag zorgvuldig gekozen werd door speciale eenheden, was bij aankomst van de eerste troepen al volledig voorbereid, zodat alle eenheden wisten waar ze hun tenten konden opslaan. Het eerste werk was de versterking van de kampplaats: het graven van een gracht en het opwerpen van een wal rond het enorm grote terrein. Alle legioenen kenden hun plaats in het geheel en de sector van het kamp die zij moesten beginnen versterken. Als iedereen was aangekomen (wat enkele uren duurde) was elke zijde van het kamp door twee legioenen verdedigd. Het spreekt voor zich dat tijdens het uitvoeren van de aankomstmaneuvers en het graafwerk de legioenen het kwetsbaarst waren. Wanneer de eerste delen van de legertros het kamp binnentrokken, vielen de Belgen dan ook aan. Zij wisten dat de laatste twee legioenen op dat ogenblik nog kilometers ver waren. Zij zouden nu trachten de legioenen twee per twee uit te schakelen.

De Nerviërs, de hoofdmacht, stonden op de linkervleugel. De kleinere groepen der Atrebaten en der Viromandui stonden resp. op de rechtervleugel en in het centrum. Zij vielen het eerst aan en moesten de legioenen die de linkerkant en de voorkant van het Romeinse kamp aan het versterken waren, weglokken van de bivakplaats. Daardoor was het kamp enkel op de rechterkant verdedigd. Op dat ogenblik viel de hoofdmacht aan. Eén deel pakte de twee legioenen van de rechterzijde aan, het andere trok naar het hoogst gelegen deel van het kamp, waar de staf gelegerd was. Blijkbaar was het de bedoeling dat de hoofdmacht de twee legioenen zeer snel zou uitschakelen, om dan de anderen te gaan helpen. Wanneer de twee laatste legioenen zouden arriveren, moest de strijd beslecht zijn.

Caesar heeft dan enorm veel geluk gehad. Blijkbaar hadden de Belgen hem niet zo snel verwacht: in elk geval was een vierde stam, de Atuatuci, nog niet gearriveerd toen het gevecht moest beginnen. De Ambiani hadden bovendien de tegenslag dat zij op hun vleugel tegenover de fameuze legaat Titus Labienus kwamen te staan, die het negende legioen commandeerde, en tegenover het al even fameuze tiende legioen. Zij leden zware verliezen en deze legioenen konden de Gallische kampplaats innemen. Toen Labienus zag wat de Nerviërs van plan waren, zond hij het tiende legioen opnieuw naar de Romeinse kant om te gaan helpen. Omdat de Belgen bovendien niet op volle sterkte waren, duurde het gevecht te lang, en het was in feite al aan het keren toen de twee laatste legioenen arriveerden. Toen was het met de Belgae gedaan.

8 Dit is vandaag de dag nog merkbaar aan het (op de linkeroever gelegen) kerkhof van Leest. Dit kerkhof diende ook voor het lager gelegen Battel op de rechteroever, om de eenvoudige reden dat hoger (en droger) lag boven de zeespiegel.

terug naar inhoud



Bronnen 
Genealogie van de families Lauwens en Lauwers uit het voormalige hertogdom Brabant - startpagina

Waitt Family Foundation (met logistieke steun van de National Geographic Society en IBM).

Verwijzingen naar webpagina's die niet in eigen beheer zijn, worden in de regel niet opgenomen omwille van het complexe onderhoud.
terug naar inhoud


(C) Patrik Lauwens, Berlaar, België 
e-mail  

 


“Het is niet de tijd, het zijn de mensen die voorbijgaan.” Arabische zegswijze

Waar komen genetisch verwante mensen momenteel voor?

Het DNA-onderzoek identificeert de Lauwens/Lauwers afstammelingen als behorende tot haplogroep I.6 De genetische kenmerken gaan terug tot 60 000 jaar geleden, naar de bekendste ‘merker’ van alle niet-Afrikaanse mannen, M168, de ‘Euraziatische Adam’, en volgt dan een stamlijn tot de hedendaagse afstammelingen die behoren tot de haplogroep M170, ook wel haplogroep I genoemd.

De Y-chromosomen volgen de merkers: M168 > M89 > M170.

Vandaag de dag vindt men leden van deze haplogroep op volgende plaatsen:

  • Het zuidoosten van Europa en centraal Europa
  • Met relatief hoge concentraties onder de Scandinavische bevolking. Volgens sommige studies zouden 40 tot 50% van de noorderlanden van Scandinavië tot deze haplogroep behoren.
  • Een gelijkaardige frequentie van voorkomen vindt men onder de bevolking van het noordwesten van de Balkan3 in de Dinarische Alpen4, een bergketen in Zuid-Europa die door landen als Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro, en Albanië loopt.
  • Relatief hoge frequenties komen voor in sommige delen van Zuid-Frankrijk en in Normandië.  

Terug in de tijd: van waar kwamen de voorouders?

De vroegst bekende voorouder wordt geïdentificeerd via merker M169, ongeveer 50 000 jaar geleden, in Afrika. Deze zogenaamde ‘Euraziatische Adam’ leefde in de IJstijd in het warmere en vochtige klimaat van Afrika. Volgens schatting ging het om een 10 000 individuen. Zij gebruikten stenen werktuigen, en er zijn vroege sporen van kunst en ontwikkelde conceptuele vermogens. Archeologisch en skelet-onderzoek doen vermoeden dat de moderne mens anatomisch ontwikkelde in Afrika zo’n 200 000 jaar geleden, stelselmatig uit Afrika emigreerde en de rest van de wereld begon te koloniseren zo’n 60 000 jaar geleden. Op dit migratiemoment begint het verhaal van de voorouders van onze familie.

Deze verre voorouder leefde meest waarschijnlijk in het noordoosten van Afrika, in de regio van de Grote Riftvallei, ook wel de 'Grote Slenk' genoemd, in het hedendaagse Ethiopïe, Kenia of Tanzania, zowat 31 000 tot 79 000 jaar geleden. Wetenschappers houden het op meest waarschijnlijk 50 000 jaar geleden. Zijn nakomelingen werden de enige die de migratie buiten Afrika zouden overleven, waardoor hij de gemeenschappelijke voorouder is van iedere niet-Afrikaanse man die vandaag de dag leeft.  

De 'Riftvallei'. De Slenkvallei is ook bekend vanwege antropologische vondsten van de eerste mensen en aapmensen, vooral in de Olduvaikloof ("wieg van de mensheid", zie foto hieronder: de Olduvai-kloof in Tanzania, 2006). 

De moderne mens kwam als Cro-Magnonmens circa 40.000 jaar geleden naar Europa, maar bestond in Afrika al langer. Deze 'Afrikanen' worden wel gezien als voorlopers van de Neanderthaler en Cro-Magnonmens. Met de vondst van de twee schedels bij de Omo-rivier in 1967 werd deze theorie onderbouwd. Wetenschappers hadden deze twee schedels op 130.000 jaar gedateerd. Nieuw onderzoek lijkt aan te tonen dat twee schedels van Homo sapiens mogelijk veel ouder (195.000 jaar) zijn.

De Cro-Magnonmens was een latere tijdgenoot van de Neanderthaler. De Cro-Magnonmens verschijnt blijkens archeologische vondsten ca. 40.000 jaar geleden in Europa. Hij is anatomisch niet te onderscheiden van de moderne mens, maar wel van de Neanderthaler die na zijn verschijnen langzaam zeldzamer werd en uiteindelijk uitstierf.

Vergeleken met de Neanderthaler was de Cro-Magnonmens qua lichaamsbouw tengerder en minder gespierd. Hij werd bekend door de merkwaardige beendervondsten in onder meer Cro-Magnon, Aurignac en La-Madeleine. Zijn gestalte was aanzienlijk groter dan die van de Neanderthaler, gemiddeld mat hij 1.75 m. tot 1.80 m. De schedels vertonen grotere verschillen met die van de Neanderthalers dan met die van huidige mensen.

Het woord "mens" (Duits Mensch, Zweeds människa, Deens menneske) is een variant van "man" (Duits Mann, Engels man), die uiteindelijk teruggaat op een Indo-Europese stam *man-: "denken" of *ma-: "meten". Deze stam treft men aan in Latijn mens, mentis: "geest, verstand" (vergelijk Engels mind), memoria: "geheugen, herinnering", Grieks menos: "geest", mnèmè: "geheugen", Sanskriet man-: "denken, geest", Russisch mnit' "menen, denken". In het Oud-Indisch bestaat tevens Manu: "(oer-)mens", modern Hindi manusha: "mens, man".

Deze oerbetekenis komt overeen met de wetenschappelijke naam Homo sapiens (Latijn: "verstandige" of "denkende" mens). Het woord homo, hominis is mogelijk verwant met humus: "aarde, bodem". Het Franse homme wordt zowel gebruikt voor "mens" als voor "man", hetgeen het bekende woordenspel "Madame, vous êtes un homme" mogelijk maakt. Het Hebreeuwse adam: "mens" wordt wel verbonden met adamah: "aarde", hetgeen een parallel met homo oplevert.

Dit alles kan verwijzen naar de oude mythe dat de mens uit klei is gekneed. 


Waarom emigreerden onze voorouders?  

De Afrikaanse IJstijd werd gekenmerkt door droogte eerder dan koude. Omstreeks 50 000 jaar geleden begonnen de ijskappen van Noordeuropa te smelten. Een periode van warmere temperaturen en hogere vochtigheid brak aan in Afrika. Delen van de onherbergzame Sahara werden bewoonbaar. De woestijn veranderde in een savanne, het wild breidde zijn territorium uit naar de aangroeiende groene corridor van graslanden. Onze voorouders volgden het goede weer en de wilde dieren waarop ze jacht maakten. In die periode evolueerde de intellectuele capaciteit van de ‘moderne mens’: verbeterde gereedschappen en wapens, het vermogen om vooruit te plannen, samenwerking, en een betere kennis om met natuurlijke bronnen en levensmiddelen om te gaan. Dit leidde tot migratie naar een nieuw territorium, dat werd geëxploiteerd, en waarbij andere hominiden of mensachtigen soms werden verdreven.

De migratie naar het Midden-Oosten  

Zo’n 45 000 jaar geleden volgde een verdere uitwijking naar Noord-Afrika en naar het Midden-Oosten. Naar schatting tienduizenden mensen bevolkten de Semiarid graslanden. Zij bewerkten steen, ivoor en hout. Deze voorouders met merker M89, komen voor in 90 tot 95% van alle niet-Afrikanen. De eerste mensen die Afrika verlieten, volgden een kustroute die uiteindelijk in Australië zou eindigen. Onze voorouders volgden evenwel de uitbreidende graslanden en kwamen in het Midden-Oosten en verder terecht. Zij behoorden tot de tweede grote migratiegolf uit Afrika.

Zo’n 40 000 jaar geleden veranderde het klimaat opnieuw. Het werd kouder en strenger. Droogte sloeg toe in Afrika en de graslanden werden woestijn. De volgende 20 000 jaar zou de Sahara route ontoegankelijk worden. Dit liet onze voorouders geen andere keuze dan of in het Midden-Oosten te blijven, of verder te trekken. Terugkeren naar het zuiden was geen optie meer. Terwijl heel wat nakomelingen van M89 in het Midden-Oosten bleven, volgden onze voorouders de kuddes buffels, antilopen en mammoeten5 met ander wild naar het hedendaagse Iran, en een grote groep migreerde naar de steppen van Centraal-Azië. Men zou de 'semiarid' graslanden als een soort oude ‘snelweg’ kunnen bekijken, uitgestrekt tussen Oost-Frankrijk tot Korea. Deze voorouders migreerden vanuit het Noorden van Afrika naar het Midden-Oosten en vervolgens zowel naar het oosten als het westen (via de zogenaamde ‘Centraal-Aziatische snelweg’).

Het was een kleinere groep die er voor koos naar het noorden te verhuizen, naar Anatolië en de Balkan. Zij wisselden het traditionele grasland voor wouden en hoger gelegen land. Dit is de groep waarvan wij afstammen.

Naar de Balkan3

Zo’n 20 000 jaar geleden woonden onze voorouders in het zuidoosten van Europa, op het hoogtepunt van een nieuwe IJstijd. Het ging om honderdduizenden mensen, gerekend tot de Gravettiaanse cultuur, of ook Opper-Paleolitisch. (zie afbeelding rechts: vondsen van de Gravettiaanse cultuur)

Onze voorouders maakten deel uit van de Midden-Oostelijke groep M89 die verder naar het noordwesten migreerden, naar de Balkan, om zich dan verder te verspreiden over Centraal-Europa. Zij maakten deel uit van de welvarende Gravettiaanse cultuur, die zich spreidde over Noord-Europa 21 000 tot 28 000 jaar geleden. Deze cultuur vertegenwoordigde een tweede technologische fase in het prehistorische West-Europa. Ze werd genoemd naar La Gravette in Frankrijk, waar heel wat nieuwe werktuigen werden gevonden ten opzichte van de voorafgaande Aurignac cultuur. Het Gravettiaanse wapentuig bevatte bijvoorbeeld smalle stenen bladen gebruikt voor de jacht op groot wild. Deze cultuur werd ook gekenmerkt door weldadig kraswerk op rotsen en afbeeldingen van volronde vrouwen – die ook wel eens ‘Venus’ figuren werden genoemd (zie foto rechts: een bekende 'Venus' uit de Gravettiaanse cultuur is het Venusbeeld van Willendorf). Het kleine beeldhouwwerk, vaak niet groter dan een hand, stond in het teken van vruchtbaarheid, en beeldde vaak zwangere vrouwen uit. Mogelijk ging het ook om godinnen.

Onze vroege Europese voorouders gebruikten gezamenlijke jachttechnieken, creëerden schelpenjuwelen, en gebruikte beenderen van mammoeten om hun huizen te bouwen. Recente vondsten wijzen er op dat deze Gravettiaanse voorouders de kunst verstonden om kleding te weven met natuurlijke vezels, al zo’n 25 000 jaar geleden, lang voor de veronderstelde ‘uitvinding’ van weefkunst die tot voor kort werd gesitueerd ongeveer 10 000 jaar geleden.  

De hoogste berg van de Dinarische Alpen is de Dinara en ligt in de provincie Split, noordelijk van Split en Šibenik in Kroatië. De Dinara is 1.831 meter hoog.


De meest recente voorouders, waarvan de Vikings stamden

De voorvader die de merker M170 toevoegde aan het DNA, werd zo’n 20 000 jaar geleden geboren. Hij moet geboren zijn in één van de geïsoleerd  levende gemeenschappen die de laatste trekken van de IJstijd wisten te overleven. Dat was vermoedelijk in de Balkan. De ijskappen die het grootste deel van Europa bedekten, begonnen te smelten zo’n 15 000 jaar geleden. In die periode koloniseerden onze voorouders Noord-Europa. Uit deze lijn kwamen de Vikings voor.

De Vikings hielden thuis op de Britse eilanden en in het Zuiden van Frankrijk, en dat is de verklaring voor het voorkomen van genetisch verwanten in ondermeer de Keltische bevolking en in het Zuiden van Frankrijk.

Hier eindigt het geneografisch onderzoek. De voorouders van de Lauwens en Lauwers families in onze stamlijn, begon, althans langs vaderlijke lijn, lang voor de eerst geïdentificeerde voorouders in de 13e-15e eeuw in het Graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, bij nakomelingen van de Vikings in onze contreien.  

Vikings in onze gewesten: de zogenaamde vikinggebieden in de 8e eeuw (bruin), de 9e eeuw (rood), de 10e eeuw (oranje, met Normandië en Vlaanderen) en de 11e eeuw (geel). De groene gebieden (o.m. het hertogdom Brabant) waren regelmatig het slachtoffer van rooftochten. Het genetisch onderzoek toont aan dat de Lauwens/Lauwers families in de mannelijke lijn verwant waren met 'Noormannen' die zich in het gebied vestigden. 

Het waren vooral Deense Vikings die Vlaanderen aandeden, alsook Engeland, Frankrijk (Normandië) en Nederland; de Zweedse vikings spitsten zich toe op het Oosten, en zouden hun naam geven aan het grootse gebied dat zij aandeden ('Rus'-land). Er zijn al meldingen van plunderingen te Antwerpen in 836, waarna de Rupelstreek, Gent, Kortrijk, Doornik, Leuven en de Maasstreek volgden. 

De nederzettingen aan de Franse kust leidden tot de naam "noormannen- gebied", of "Normandië".

Ook in Brugge hadden de noormannen een "brygghia" of "aanlegplaats" gemaakt van waaruit ze het binnenland plunderden.

De Deense noormannen werden verwant met de graven van Vlaanderen, zie ondermeer het achtergrondverhaal van Karel de Goede in 1119 in de stamlijn Van Praet en het achtergrondverhaal uit 1112 bij de latere verwantschap tussen Lauwers en de Persi in 1722. 

De naam Normandië werd overigens pas in 911 gegeven toen Karel III, koning van toenmalig Frankrijk, het gebied afstond aan Rollo, leider van een dreigende Vikingmacht. Willem de Veroveraar (1027 - 1087) was - hoewel een 'bastaard' - een afstammeling van Rollo. Zijn vader was Robert I, Hertog van Normandië en Arlette, zijn moeder, was de dochter van een tinbewerker. Willem zelf huwde Matilda, een dochter van Boudewijn V, Graaf van Vlaanderen. 

Op 28 september 1066 versloeg hij de troepen van de Engelsman Harold bij Hastings en toen lag voor hem de weg open naar de Engelse kroon. In het leger van Willem de Veroveraar bevonden zich overigens heel wat Vlaamse krijgslieden. In het gevolg van de Normandiërs emigreerden heel wat Vlamingen in de 11e eeuw naar Engeland. 


Wat de geschiedenis ons leert over onze stamouders... over Kelten,  Germaanse Nerviërs en Franken, en Deense Vikings

De Lauwers- en Lauwens familie waarin de Leestse stamlijn zijn oorsprong vindt in de 16e eeuw, woonde vooral in de streek Hombeek-Leest, aan de oevers van de Zenne. Het ging om een langdurige aanwezigheid, want vandaag de dag nog leven nazaten in deze regio. Daarmee gaat onze familiegeschiedenis zeker 6 eeuwen terug in dit oorsprongsgebied.

Uit archeologische vondsten o.m. te Hombeek en Leest, weten we dat het gebied aanvankelijk werd bewoond door Nerviërs, een Germaanse stam die het gebied al bewoonde in 200 voor Christus, hoewel de meeste volkeren in het toenmalige 'Vlaanderen' een eerder Keltische oorsprong hadden. Het is niet onmogelijk dat de families die er al 600 jaar wonen, een langere voorgeschiedenis hebben die minstens 2200 jaar teruggaat in de tijd.

De oorspronkelijke Keltische stammen, die het gebied al bewoonden in 450 voor Christus, hadden geen duidelijk afgebakende woongebieden met grenzen zoals we die vandaag kennen. Julius Caesar sprak eerder van "confinium" voor gemeenschappelijke stroken waar geen van twee buurvolkeren vaste afspraken konden laten gelden, en van "fines", gebieden waar een bepaalde groep het voor het zeggen had. Daartussen lagen niemandslanden, moerassen of wouden bijvoorbeeld, die men moest doorkruisen om het gebied van een andere groep te bereiken. Enkel dichtbevolkte streken, waar invloedssferen elkaar raakten, hadden min of meer grenzen, en dus ook grensconflicten. De situatie bestond op alle niveau's, tussen groepen van stammen, tussen stammen of "volkeren" onderling, tussen kleinere groepen of "gemeenschappen", tussen families of "gehuchten".  

Het "stamgebied" van de Lauwens en Lauwers families van Leest en Hombeek, bewoond door nazaten gedurende de laatste 600 jaar.

Caesar maakte zelf een inventaris op van de krijgers van stammen der Belgae die hem confronteerden: 60 000 Bellovaci (van de 100 000 krijgers waarover zij beschikten), 50 000 Suessiones, 50 000 Nervii, 15 000 Atrebates, 10 000 Ambiani, 25 000 Morini, 9 000 Menapii, 10 000 Caleti, 10 000 Veliocasses, 10 000 Viromandui, 19 000 Atuatuci, 40 000 Condrusi, Eburones, Caerosi, Paemani die als "Germani" werden bestempeld. Caesar kwam tot de vaststelling dat deze stammen bezwaarlijk allemaal als "Galliërs", als synoniem voor Kelten, konden worden beschouwd. Blijkbaar hadden ook heel wat Germanen de Keltische cultuur geassimileerd (...). Stammen als de Nerviërs en de Trevieren die belangrijke posities bekleedden in Belgica, gingen zelfs prat op hun "Germaanse" oorsprong (zijnde "afkomstig van over de Rijn"), en ook archeologische vondsten lijken dit te bevestigen. Volgens sommige bronnen bewoonden de Nerviërs al in 400 vóor Christus het gebied tussen de Zenne en de Dijle. De plaatsnaamkunde bevestigt dit ook: bewaarde toponiemen verraadden een Germaanse klankstand, behalve bij de meest zuidelijke stammen die een Keltische 'klankkleur' vertoonden. Over een groot gebied rondom de Rijn werd nog ten tijde van Caesar een taal gesproken die zeer oude Indo-Europese bestanddelen had bewaard. Daarin hadden zich al rond 250-200 vóór Christus Germaanse invloeden voorgedaan.

De Nerviërs waren veruit de grootste Belgische stam en boden ook het meeste verzet tegen Caesar. Ze waren gevestigd in de streek tussen Samber en het Kolenwoud, tussen Schelde, Dijle en Samber. Zij boden hardnekkige weerstand o.l.v. Boduoguat bij de rivier Samme (bovenloop van de Zenne), een bijrivier van de Boven-Schelde in 57 voor Chr.. Bij deze veldslag dreven ze Caesar tot op de rand van een nederlaag. Caesar wist echter de bovenhand te houden7. In 54 voor Chr. vormden ze opnieuw een leger en kwamen weer in opstand. De streek was in 51 voor Chr. volledig onderworpen door Caesar. Belgica werd een provincie van Gallië, met als hoofdstad Durocortorum Remorum (Reims). Julius Caesar beschreef de typische hagen waarmee Nerviërs de wegen en velden afzoomden: zij hadden geen noemenswaardige ruiterij en streden vooral te voet. Ook 'kanten' en houtwallen waren typische afzomingen van velden en wegen. Deze speelden met name in het voordeel van de opstandige Nerviërs.

Dat de gronden in Hombeek, Leest en Heffen sinds lange tijd permanent werden bewoond, werd aangetoond in 1939 met archeologische vondsten teruggevonden in de Zennebedding. Het betrof IJzertijdvaatwerk, Romeins en Middeleeuws aardewerk. Het staat vast dat het gebied nog voor onze tijdrekening door Nerviërs werd bewoond. Deze stammen hadden een nederzetting gesticht aan de monding van de Zennebeek en de Leibeek. Deze nederzettingen werden gesticht op de hoger gelegen linkeroever. De rechter-Zenneoever bestond immers bijna volledig uit drassig moerasgebied8. De Nerviërs die onze gewesten bewoonden, hadden wellicht een eigen naamgeving voor de hedendaagse dorpen en gehuchten, maar die kon tot nog toe niet worden achterhaald. De eerste naamgevingen stammen uit de Frankische periode (eveneens een Germaanse stam) vanaf 370 na Christus, toen volgens sommige bronnen een grote volksverhuizing plaatsvond. In de 4e-5e eeuw werd er in Hombeek, net als in de omliggende gebieden, op zijn minst één Frankische nederzetting gesticht, Eggelgem. Deze naam zou Eggilo’s of Agilo’s gezin betekenen. Frankische plaatsnamen zijn herkenbaar aan hun ingaheimtoponiemen (-gem = gezin). De meeste van deze plaatsen bevonden zich op de linkeroever van de rivier. Ze zijn langsheen de waterloop te vinden vanaf het Zennegat tot in het Brusselse. Deze nederzettingen waren afzonderlijke herenwoningen. Sommige van deze hoven zijn later uitgegroeid tot dorpen, zoals Eppegem, andere behielden hun karakter van herenwoning, zoals het Hombeekse Eggelgem. We kennen ze nog uitsluitend via overlevering, achternamen of lokale plaats- of gehuchtnamen. Binnen de grenzen van Mechelen, Zemst en Hombeek vinden we Eglegem, Berbelgem, Zwivegem, Adegem, Ouwergem, Releghem, Heisegem en Prolegem.

Vanaf de 9e eeuw, na het hoogtepunt van het Karolingische rijk dat aanving in de 7e eeuw, zijn er sporen van Deense koningen (Vikings) die zich in de streek kwamen vestigen, zoals Onulfus van Wolvertem en diens vader Volkaard I van Anderlecht in de 11e eeuw, die op gelijke voet stonden als de heren van Grimbergen.

Pas in de hoge Middeleeuwen wordt ook het Brabantse deel van Hombeek bewoond, zij het veel minder dichtbevolkt dan het Mechelse. Het Brabantse deel heet Smalbrabant of Klein Brabant, terwijl het Mechelse de naam Hombeek draagt. Een andere, meer gebruikte benaming is Ophombeek en Neerhombeek. Neerhombeek hoorde bij de heerlijkheid Mechelen, terwijl Ophombeek onder het gezag stond van de hertog van Brabant. In de Karolingische periode werd de latere vrijheid van Mechelen (inclusief Neerhombeek) overgedragen aan de kerk van St-Lambertus te Luik.


DNA en geneografisch onderzoek

Ieder van ons draagt DNA die een combinatie is van genen geërfd van zowel moeder als vader, die onze fysische kenmerken, ons voorkomen, bepalen: kleur van de ogen, grootte, gestalte,… Eén uitzondering is het Y-chromosoom dewelke van vader op zoon onveranderd wordt geërfd, generatie na generatie. Onveranderd, tenzij een mutatie plaatsvindt: die wordt een unieke ‘merker’ die toelaat doorheen generaties de afstamming in kaart te brengen.  

Soms is er meer dan één mutatie-element dat meespeelt in een specifieke genetische tak. Dit is het geval bij haplogroep I, waarvoor twee merkers kenmerkend zijn, of M170, of P19. Beide merkers komen altijd samen voor. Als de ene merker voorkomt, komt altijd de andere ook voor. Beide merkers kunnen dus worden gebruikt om de afstamming na te gaan.  

Wanneer een merker wordt geïdentificeerd, wordt nagegaan wanneer deze het eerst voorkwam, en in welke regio in de wereld. Elke merker is in essentie het begin van een nieuwe tak in de familiestamboom van het menselijk ras. Die merkers gaan ver terug in de tijd, en nog niet alle merkers zijn geïdentificeerd om het plaatje volledig te maken.

Geneografisch stamboomonderzoek

Het DNA en Y-chromosoomonderzoek liep in de schoot van een ruimer onderzoek van de Waitt Family Association1 (met steun van de National Geographic Society) om de voorgeschiedenis van de Lauwens en Lauwers telgen te traceren in de tijd.

De resultaten van dit onderzoek naar het genetisch voorouderschap, werden op deze pagina (beknopt2) gepubliceerd. Het gaat om een enquête in de mannelijke lijn, die alle nazaten inzichten verschaft in de origine van onze voorouders, een onderzoek dat teruggaat tot 200.000 jaar geleden. Dichterbij onze tijd, geeft het onderzoek uitsluitsel over de origine van de oudst bekende voorouders in de 15e-16e eeuw. Met name wordt duidelijkheid gegeven over de zogenaamde geneografische streek (deel of delen van Europa) waar hun genetisch profiel (zgn. "haplogroep") het meest voorkomt.


Familiewapen - de afstammelingen van Peeter Lauwers uit Leest

Een ander project dat in de steigers staat, is het ontwerp van een familiewapen dat gedragen mag worden door de rechtstreekse (Lauwens en Lauwers) afstammelingen van Peeter Lauwers, die in 1655 te Leest huwde met Jeanne Persoons. Het komt er op aan een omstandig dossier in te dienen bij het Heraldisch College. Ik heb al verschillende geïnteresseerden om hieraan mee te werken. 

Ook interesse? Graag een berichtje via e-mail.