|
Waar
komen genetisch verwante mensen momenteel voor?
Het
DNA-onderzoek identificeert de Lauwens/Lauwers afstammelingen als
behorende tot haplogroep I.6 De genetische kenmerken gaan terug tot 60 000
jaar geleden, naar de bekendste ‘merker’ van alle niet-Afrikaanse
mannen, M168, de ‘Euraziatische Adam’, en volgt dan een stamlijn tot
de hedendaagse afstammelingen die behoren tot de haplogroep M170, ook wel
haplogroep I genoemd.
De
Y-chromosomen volgen de merkers: M168 > M89 > M170.
Vandaag
de dag vindt men leden van deze haplogroep op volgende plaatsen:
- Het
zuidoosten van Europa en centraal Europa
- Met
relatief hoge concentraties onder de Scandinavische bevolking. Volgens sommige
studies zouden 40 tot 50% van de noorderlanden van Scandinavië tot
deze haplogroep behoren.
- Een
gelijkaardige frequentie van voorkomen vindt men onder
de bevolking van het noordwesten van de Balkan3
in de Dinarische
Alpen4, een bergketen in Zuid-Europa die door landen als Slovenië,
Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro, en Albanië
loopt.
- Relatief
hoge frequenties komen voor in sommige delen van Zuid-Frankrijk en in
Normandië.
Terug
in de tijd: van waar kwamen de voorouders?
De
vroegst bekende voorouder wordt geïdentificeerd via merker M169, ongeveer
50 000 jaar geleden, in Afrika. Deze zogenaamde ‘Euraziatische
Adam’ leefde in de IJstijd in het warmere en vochtige klimaat van
Afrika. Volgens schatting ging het om een 10 000 individuen. Zij
gebruikten stenen werktuigen, en er zijn vroege sporen van kunst en
ontwikkelde conceptuele vermogens. Archeologisch en skelet-onderzoek doen
vermoeden dat de moderne mens anatomisch ontwikkelde in Afrika zo’n 200 000
jaar geleden, stelselmatig uit Afrika emigreerde en de rest van de wereld
begon te koloniseren zo’n 60 000 jaar geleden. Op dit
migratiemoment begint het verhaal van de voorouders van onze familie.
Deze
verre voorouder leefde meest waarschijnlijk in het noordoosten van Afrika, in de regio van
de Grote Riftvallei, ook wel de 'Grote Slenk' genoemd, in het hedendaagse Ethiopïe, Kenia of Tanzania, zowat 31 000
tot 79 000 jaar geleden. Wetenschappers houden het op meest
waarschijnlijk 50 000 jaar geleden. Zijn nakomelingen werden de enige
die de migratie buiten Afrika zouden overleven, waardoor hij de
gemeenschappelijke voorouder is van iedere niet-Afrikaanse man die vandaag
de dag leeft.
De
'Riftvallei'. De Slenkvallei is ook bekend vanwege
antropologische vondsten van de eerste mensen en aapmensen, vooral
in de Olduvaikloof ("wieg van de mensheid", zie
foto hieronder: de Olduvai-kloof in Tanzania, 2006).
De moderne mens kwam als
Cro-Magnonmens circa 40.000 jaar geleden naar Europa, maar bestond
in Afrika al langer. Deze 'Afrikanen' worden wel gezien als
voorlopers van de Neanderthaler en Cro-Magnonmens. Met de vondst van
de twee schedels bij de Omo-rivier in 1967 werd deze theorie
onderbouwd. Wetenschappers hadden deze twee schedels op 130.000 jaar
gedateerd. Nieuw onderzoek lijkt aan te tonen dat twee schedels van Homo
sapiens mogelijk veel ouder (195.000 jaar) zijn.
De Cro-Magnonmens was een latere
tijdgenoot van de Neanderthaler. De Cro-Magnonmens verschijnt
blijkens archeologische vondsten ca. 40.000 jaar geleden in Europa.
Hij is anatomisch niet te onderscheiden van de moderne mens, maar
wel van de Neanderthaler die na zijn verschijnen langzaam zeldzamer
werd en uiteindelijk uitstierf.
Vergeleken met de Neanderthaler was
de Cro-Magnonmens qua lichaamsbouw tengerder en minder gespierd. Hij
werd bekend door de merkwaardige beendervondsten in onder meer
Cro-Magnon, Aurignac en La-Madeleine. Zijn gestalte was aanzienlijk
groter dan die van de Neanderthaler, gemiddeld mat hij 1.75 m. tot
1.80 m. De schedels vertonen grotere verschillen met die van de
Neanderthalers dan met die van huidige mensen.
Het
woord "mens" (Duits Mensch, Zweeds människa,
Deens menneske) is een variant van "man" (Duits Mann,
Engels man), die uiteindelijk teruggaat op een Indo-Europese
stam *man-: "denken" of *ma-:
"meten". Deze stam treft men aan in Latijn mens, mentis:
"geest, verstand" (vergelijk Engels mind), memoria:
"geheugen, herinnering", Grieks menos:
"geest", mnèmè: "geheugen", Sanskriet man-:
"denken, geest", Russisch mnit' "menen,
denken". In het Oud-Indisch bestaat tevens Manu:
"(oer-)mens", modern Hindi manusha: "mens,
man".
Deze oerbetekenis komt overeen met
de wetenschappelijke naam Homo sapiens (Latijn:
"verstandige" of "denkende" mens). Het woord homo,
hominis is mogelijk verwant met humus: "aarde,
bodem". Het Franse homme wordt zowel gebruikt voor
"mens" als voor "man", hetgeen het bekende
woordenspel "Madame, vous êtes un homme" mogelijk maakt.
Het Hebreeuwse adam: "mens" wordt wel verbonden met
adamah: "aarde", hetgeen een parallel met homo
oplevert.
Dit alles kan verwijzen naar de
oude mythe dat de mens uit klei is gekneed. |
Waarom
emigreerden onze voorouders?
De
Afrikaanse IJstijd werd gekenmerkt door droogte eerder dan koude.
Omstreeks 50 000 jaar geleden begonnen de ijskappen van Noordeuropa
te smelten. Een periode van warmere temperaturen en hogere vochtigheid
brak aan in Afrika. Delen van de onherbergzame Sahara werden bewoonbaar.
De woestijn veranderde in een savanne, het wild breidde zijn territorium
uit naar de aangroeiende groene corridor van graslanden. Onze voorouders
volgden het goede weer en de wilde dieren waarop ze jacht maakten. In die
periode evolueerde de intellectuele capaciteit van de ‘moderne mens’:
verbeterde gereedschappen en wapens, het vermogen om vooruit te plannen,
samenwerking, en een betere kennis om met natuurlijke bronnen en
levensmiddelen om te gaan. Dit leidde tot migratie naar een nieuw
territorium, dat werd geëxploiteerd, en waarbij andere hominiden of
mensachtigen soms werden verdreven.
De
migratie naar het Midden-Oosten
Zo’n
45 000 jaar geleden volgde een verdere uitwijking naar Noord-Afrika
en naar het Midden-Oosten. Naar schatting tienduizenden mensen bevolkten
de Semiarid graslanden. Zij bewerkten steen, ivoor en hout. Deze
voorouders met merker M89, komen voor in 90 tot 95% van alle
niet-Afrikanen. De eerste mensen die Afrika verlieten, volgden een
kustroute die uiteindelijk in Australië zou eindigen. Onze voorouders
volgden evenwel de uitbreidende graslanden en kwamen in het Midden-Oosten
en verder terecht. Zij behoorden tot de tweede grote migratiegolf uit
Afrika.
Zo’n 40 000 jaar geleden veranderde het klimaat opnieuw. Het werd
kouder en strenger. Droogte sloeg toe in Afrika en de graslanden werden
woestijn. De volgende 20 000 jaar zou de Sahara route ontoegankelijk
worden. Dit liet onze voorouders geen andere keuze dan of in het
Midden-Oosten te blijven, of verder te trekken. Terugkeren naar het zuiden
was geen optie meer. Terwijl heel wat nakomelingen van M89 in het
Midden-Oosten bleven, volgden onze voorouders de kuddes buffels, antilopen
en mammoeten5 met ander wild naar het hedendaagse Iran, en een grote groep
migreerde naar de steppen
van Centraal-Azië. Men zou de 'semiarid' graslanden als een soort oude
‘snelweg’ kunnen bekijken, uitgestrekt tussen Oost-Frankrijk tot
Korea. Deze voorouders migreerden vanuit het Noorden van Afrika naar het
Midden-Oosten en vervolgens zowel naar het oosten als het westen (via de
zogenaamde ‘Centraal-Aziatische snelweg’).
Het
was een kleinere groep die er voor koos naar het noorden te verhuizen,
naar Anatolië en de Balkan. Zij wisselden het traditionele grasland voor
wouden en hoger gelegen land. Dit is de groep waarvan wij afstammen.
Naar
de Balkan3
Zo’n
20 000 jaar geleden woonden onze voorouders in het zuidoosten van
Europa, op het hoogtepunt van een nieuwe IJstijd. Het ging om
honderdduizenden mensen, gerekend tot de Gravettiaanse cultuur, of ook
Opper-Paleolitisch. (zie
afbeelding rechts: vondsen van de Gravettiaanse cultuur)
Onze
voorouders maakten deel uit van de Midden-Oostelijke groep M89 die verder
naar het noordwesten migreerden, naar de Balkan, om zich dan verder te
verspreiden over Centraal-Europa. Zij maakten deel uit van de welvarende
Gravettiaanse cultuur, die zich spreidde over Noord-Europa 21 000 tot
28 000 jaar geleden. Deze cultuur vertegenwoordigde een tweede
technologische fase in het prehistorische West-Europa. Ze werd genoemd
naar La Gravette in Frankrijk, waar heel wat nieuwe werktuigen werden
gevonden ten opzichte van de voorafgaande Aurignac cultuur. Het
Gravettiaanse wapentuig bevatte bijvoorbeeld smalle stenen bladen gebruikt
voor de jacht op groot wild. Deze cultuur werd ook gekenmerkt door
weldadig kraswerk op rotsen en afbeeldingen van volronde vrouwen – die ook wel eens ‘Venus’
figuren werden genoemd (zie
foto rechts: een bekende 'Venus' uit de Gravettiaanse cultuur is het
Venusbeeld van Willendorf). Het kleine beeldhouwwerk, vaak niet groter dan een
hand, stond in het teken van vruchtbaarheid, en beeldde vaak zwangere
vrouwen uit. Mogelijk ging het ook om godinnen.
Onze
vroege Europese voorouders gebruikten gezamenlijke jachttechnieken, creëerden
schelpenjuwelen, en gebruikte beenderen van mammoeten om hun huizen te
bouwen. Recente vondsten wijzen er op dat deze Gravettiaanse voorouders de
kunst verstonden om kleding te weven met natuurlijke vezels, al zo’n 25 000
jaar geleden, lang voor de veronderstelde ‘uitvinding’ van weefkunst
die tot voor kort werd gesitueerd ongeveer 10 000 jaar geleden.
De hoogste berg van de Dinarische
Alpen is de Dinara en ligt in de provincie Split, noordelijk van
Split en Šibenik in Kroatië. De Dinara is 1.831 meter hoog. |
 |
De
meest recente voorouders, waarvan de Vikings stamden
De
voorvader die de merker M170 toevoegde aan het DNA, werd zo’n 20 000
jaar geleden geboren. Hij moet geboren zijn in één van de geïsoleerd
levende gemeenschappen die de laatste trekken van de IJstijd wisten
te overleven. Dat was vermoedelijk in de Balkan. De ijskappen die het
grootste deel van Europa bedekten, begonnen te smelten zo’n 15 000
jaar geleden. In die periode koloniseerden onze voorouders Noord-Europa.
Uit deze lijn kwamen de Vikings voor.
De
Vikings hielden thuis op de Britse eilanden en in het Zuiden van
Frankrijk, en dat is de verklaring voor het voorkomen van genetisch
verwanten in ondermeer de Keltische bevolking en in het Zuiden van Frankrijk.
Hier
eindigt het geneografisch onderzoek. De voorouders van de Lauwens en
Lauwers families in onze stamlijn, begon, althans langs vaderlijke lijn,
lang voor de eerst geïdentificeerde voorouders in de 13e-15e
eeuw in het Graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, bij
nakomelingen van de Vikings in onze contreien.
 |
Vikings
in onze gewesten: de zogenaamde vikinggebieden in de 8e eeuw
(bruin), de 9e eeuw (rood), de 10e eeuw (oranje, met Normandië en
Vlaanderen) en de 11e eeuw (geel). De groene gebieden (o.m. het
hertogdom Brabant) waren regelmatig het slachtoffer van rooftochten.
Het genetisch onderzoek toont aan dat de Lauwens/Lauwers families in
de mannelijke lijn verwant waren met 'Noormannen' die zich in het
gebied vestigden.
Het waren vooral Deense Vikings die Vlaanderen
aandeden, alsook Engeland, Frankrijk (Normandië) en Nederland; de
Zweedse vikings spitsten zich toe op het Oosten, en zouden hun naam
geven aan het grootse gebied dat zij aandeden ('Rus'-land). Er zijn
al meldingen van plunderingen te Antwerpen in 836, waarna
de Rupelstreek, Gent, Kortrijk, Doornik, Leuven en de Maasstreek
volgden.
De nederzettingen aan de Franse kust leidden tot de naam
"noormannen- gebied", of "Normandië".
|
Ook
in Brugge hadden de noormannen een "brygghia" of
"aanlegplaats" gemaakt van waaruit ze het binnenland
plunderden.
De
Deense noormannen werden verwant met de graven van Vlaanderen, zie
ondermeer het achtergrondverhaal
van Karel de Goede in 1119 in de stamlijn Van Praet en het
achtergrondverhaal uit 1112 bij de latere verwantschap tussen
Lauwers en de
Persi in 1722.
De naam Normandië werd overigens pas in 911
gegeven toen Karel III, koning van toenmalig Frankrijk, het gebied
afstond aan Rollo, leider van een dreigende Vikingmacht. Willem de
Veroveraar (1027 - 1087) was - hoewel een 'bastaard' - een
afstammeling van Rollo. Zijn vader was Robert I, Hertog van Normandië
en Arlette, zijn moeder, was de dochter van een tinbewerker. Willem
zelf huwde Matilda, een dochter van Boudewijn V, Graaf van
Vlaanderen.
Op 28 september 1066 versloeg hij de troepen van de
Engelsman Harold bij Hastings en toen lag voor hem de weg open naar
de Engelse kroon. In het leger van Willem de Veroveraar
bevonden zich overigens heel wat Vlaamse krijgslieden. In het gevolg
van de Normandiërs emigreerden heel wat Vlamingen in de 11e eeuw
naar Engeland.
|
| Wat
de geschiedenis ons leert over onze stamouders... over
Kelten, Germaanse Nerviërs en Franken, en Deense Vikings
De Lauwers- en
Lauwens familie waarin de Leestse stamlijn zijn oorsprong vindt in
de 16e eeuw, woonde vooral in de streek Hombeek-Leest, aan de oevers
van de Zenne. Het ging om een langdurige aanwezigheid, want vandaag
de dag nog leven nazaten in deze regio. Daarmee gaat onze
familiegeschiedenis zeker 6 eeuwen terug in dit oorsprongsgebied.
Uit archeologische
vondsten o.m. te Hombeek en Leest, weten we dat het gebied
aanvankelijk werd bewoond door Nerviërs, een Germaanse
stam die het gebied al bewoonde in 200 voor Christus, hoewel de
meeste volkeren in het toenmalige 'Vlaanderen' een eerder Keltische
oorsprong hadden. Het is niet onmogelijk dat de families die er al
600 jaar wonen, een langere voorgeschiedenis hebben die minstens
2200 jaar teruggaat in de tijd.
De
oorspronkelijke Keltische stammen, die het gebied al bewoonden in
450 voor Christus, hadden geen duidelijk afgebakende
woongebieden met grenzen zoals we die vandaag kennen. Julius Caesar
sprak eerder van "confinium" voor gemeenschappelijke
stroken waar geen van twee
buurvolkeren vaste afspraken konden laten gelden, en van
"fines", gebieden waar een bepaalde groep het voor het
zeggen had. Daartussen
lagen niemandslanden, moerassen of wouden bijvoorbeeld, die men
moest doorkruisen om het gebied van een andere groep te bereiken.
Enkel dichtbevolkte streken, waar invloedssferen elkaar raakten,
hadden min of meer grenzen, en dus ook grensconflicten. De situatie
bestond op alle niveau's, tussen groepen van stammen, tussen stammen
of "volkeren" onderling, tussen kleinere groepen of
"gemeenschappen", tussen families of
"gehuchten". |
Het
"stamgebied" van de Lauwens en Lauwers families van Leest en
Hombeek, bewoond door nazaten gedurende de laatste 600 jaar. |
| Caesar
maakte zelf een inventaris op van de krijgers van stammen der Belgae
die hem confronteerden: 60 000 Bellovaci (van de 100 000 krijgers
waarover zij beschikten), 50 000 Suessiones, 50 000 Nervii, 15 000
Atrebates, 10 000 Ambiani, 25 000 Morini, 9 000 Menapii, 10 000
Caleti, 10 000 Veliocasses, 10 000 Viromandui, 19 000 Atuatuci, 40 000
Condrusi, Eburones, Caerosi, Paemani die als "Germani"
werden bestempeld. Caesar kwam tot de vaststelling dat deze stammen
bezwaarlijk allemaal als "Galliërs", als synoniem voor
Kelten, konden worden beschouwd. Blijkbaar hadden ook heel wat
Germanen de Keltische cultuur geassimileerd (...). Stammen als de
Nerviërs en de Trevieren die belangrijke posities bekleedden in
Belgica, gingen zelfs prat op hun "Germaanse" oorsprong
(zijnde "afkomstig van over de Rijn"), en ook archeologische
vondsten lijken dit te bevestigen. Volgens sommige bronnen bewoonden
de Nerviërs al in 400 vóor Christus het gebied tussen de Zenne en de
Dijle. De plaatsnaamkunde bevestigt dit
ook: bewaarde toponiemen verraadden een Germaanse klankstand, behalve
bij de meest zuidelijke stammen die een Keltische 'klankkleur'
vertoonden. Over een groot gebied rondom de Rijn werd nog ten tijde
van Caesar een taal gesproken die zeer oude Indo-Europese bestanddelen
had bewaard. Daarin hadden zich al rond 250-200 vóór Christus
Germaanse invloeden voorgedaan. De Nerviërs waren
veruit de grootste Belgische stam en boden ook het meeste verzet tegen
Caesar. Ze waren gevestigd in de streek tussen Samber en het
Kolenwoud, tussen Schelde, Dijle en Samber. Zij boden hardnekkige
weerstand o.l.v. Boduoguat bij de rivier Samme (bovenloop van de Zenne), een bijrivier
van de Boven-Schelde in 57 voor Chr.. Bij deze veldslag dreven ze
Caesar tot op de rand van een nederlaag. Caesar wist echter de
bovenhand te houden7. In 54 voor Chr. vormden ze opnieuw een leger en
kwamen weer in opstand. De streek was in 51 voor Chr. volledig
onderworpen door Caesar. Belgica werd een provincie van Gallië, met
als hoofdstad Durocortorum Remorum (Reims). Julius Caesar
beschreef de typische hagen waarmee Nerviërs de wegen en velden
afzoomden: zij hadden geen noemenswaardige ruiterij en streden vooral
te voet. Ook 'kanten' en houtwallen waren typische afzomingen van
velden en wegen. Deze speelden met name in het voordeel van de
opstandige Nerviërs.
Dat de gronden
in Hombeek, Leest en Heffen sinds lange tijd permanent werden bewoond,
werd aangetoond in 1939 met archeologische vondsten teruggevonden in
de Zennebedding. Het betrof IJzertijdvaatwerk, Romeins en Middeleeuws
aardewerk. Het staat vast dat het gebied nog voor onze tijdrekening
door Nerviërs werd bewoond. Deze stammen hadden een nederzetting
gesticht aan de monding van de Zennebeek en de Leibeek. Deze
nederzettingen werden gesticht op de hoger gelegen linkeroever. De
rechter-Zenneoever bestond immers bijna volledig uit drassig
moerasgebied8. De Nerviërs die onze gewesten bewoonden, hadden
wellicht een eigen naamgeving voor de hedendaagse dorpen en gehuchten,
maar die kon tot nog toe niet worden achterhaald. De
eerste naamgevingen stammen uit de Frankische periode (eveneens een Germaanse
stam) vanaf 370 na Christus, toen volgens sommige bronnen een grote
volksverhuizing plaatsvond. In de 4e-5e eeuw werd er in Hombeek, net als in de omliggende
gebieden, op zijn minst één Frankische nederzetting gesticht,
Eggelgem. Deze naam zou Eggilo’s of Agilo’s gezin betekenen.
Frankische plaatsnamen zijn herkenbaar aan hun ingaheimtoponiemen
(-gem = gezin). De meeste van deze plaatsen bevonden zich op de
linkeroever van de rivier. Ze zijn langsheen de waterloop te vinden
vanaf het Zennegat tot in het Brusselse. Deze nederzettingen waren
afzonderlijke herenwoningen. Sommige van deze hoven zijn later
uitgegroeid tot dorpen, zoals Eppegem, andere behielden hun karakter
van herenwoning, zoals het Hombeekse Eggelgem. We
kennen ze nog uitsluitend via overlevering, achternamen of lokale
plaats- of gehuchtnamen. Binnen de grenzen van Mechelen, Zemst en
Hombeek vinden we Eglegem, Berbelgem, Zwivegem, Adegem, Ouwergem,
Releghem, Heisegem en Prolegem.
Vanaf de 9e eeuw, na
het hoogtepunt van het Karolingische rijk dat aanving in de 7e eeuw,
zijn er sporen van Deense koningen (Vikings)
die zich in de streek kwamen vestigen, zoals Onulfus van Wolvertem en
diens vader Volkaard I van Anderlecht in de 11e eeuw, die op gelijke
voet stonden als de heren van Grimbergen.
Pas in de hoge Middeleeuwen wordt ook het Brabantse deel van Hombeek
bewoond, zij het veel minder dichtbevolkt dan het Mechelse. Het
Brabantse deel heet Smalbrabant of Klein Brabant, terwijl het Mechelse
de naam Hombeek draagt. Een andere, meer gebruikte benaming is
Ophombeek en Neerhombeek. Neerhombeek hoorde bij de heerlijkheid
Mechelen, terwijl Ophombeek onder het gezag stond van de hertog van
Brabant. In de Karolingische periode werd de latere vrijheid van
Mechelen (inclusief Neerhombeek) overgedragen aan de kerk van
St-Lambertus te Luik. |
DNA
en geneografisch onderzoek
Ieder
van ons draagt DNA die een combinatie is van genen geërfd van zowel
moeder als vader, die onze fysische kenmerken, ons voorkomen, bepalen:
kleur van de ogen, grootte, gestalte,… Eén uitzondering is het
Y-chromosoom dewelke van vader op zoon onveranderd wordt geërfd,
generatie na generatie. Onveranderd, tenzij een mutatie plaatsvindt: die
wordt een unieke ‘merker’ die toelaat doorheen generaties de
afstamming in kaart te brengen.
Soms
is er meer dan één mutatie-element dat meespeelt in een specifieke
genetische tak. Dit is het geval bij haplogroep I, waarvoor twee merkers
kenmerkend zijn, of M170, of P19. Beide merkers komen altijd samen voor.
Als de ene merker voorkomt, komt altijd de andere ook voor. Beide merkers
kunnen dus worden gebruikt om de afstamming na te gaan.
Wanneer
een merker wordt geïdentificeerd, wordt nagegaan wanneer deze het eerst
voorkwam, en in welke regio in de wereld. Elke merker is in essentie het
begin van een nieuwe tak in de familiestamboom van het menselijk ras. Die
merkers gaan ver terug in de tijd, en nog niet alle merkers zijn geïdentificeerd
om het plaatje volledig te maken.
Geneografisch stamboomonderzoek
Het
DNA en
Y-chromosoomonderzoek liep in de schoot van een ruimer onderzoek van de Waitt
Family Association1 (met steun van de National Geographic Society) om de
voorgeschiedenis van de Lauwens en Lauwers telgen te traceren in de tijd.
De resultaten van dit onderzoek naar het
genetisch voorouderschap, werden op deze pagina
(beknopt2) gepubliceerd. Het gaat om een enquête in de mannelijke lijn, die alle
nazaten inzichten verschaft in de origine van onze voorouders, een
onderzoek dat teruggaat tot 200.000 jaar geleden. Dichterbij onze tijd,
geeft het onderzoek uitsluitsel over de origine van de oudst bekende
voorouders in de 15e-16e eeuw. Met name wordt duidelijkheid gegeven
over de zogenaamde geneografische streek (deel of delen van Europa) waar
hun genetisch profiel (zgn. "haplogroep") het meest voorkomt.
Familiewapen
- de afstammelingen van Peeter Lauwers uit Leest
Een
ander project dat in de steigers staat, is het ontwerp van een
familiewapen dat gedragen mag worden door de rechtstreekse (Lauwens en
Lauwers) afstammelingen van Peeter Lauwers, die in 1655 te Leest huwde met
Jeanne Persoons. Het komt er op aan een omstandig dossier in te dienen bij
het Heraldisch College. Ik heb al verschillende geïnteresseerden om
hieraan mee te werken. Ook
interesse? Graag een berichtje via e-mail.
|