startpagina genealogie

 

Religieuzen bij Laurentii

Stamboomonderzoek van de families Lauwens, Lauwers, Lauwereyns, Laurens en andere schrijfvarianten

 

 

 

Religieuzen

Al in de vroegste geschiedenis van onze voorouders blijkt het belang van het overwegend christelijk en katholieke geloof zijn sporen te hebben nagelaten. De religieuze geschiedenis vangt aan bij kruisvaarder Odin Lauwereyns, die in het gezelschap van Gwijde Van Dampierre 1248 en 1254 koers zette naar het Heilige Land. Hij trad daarbij vermoedelijk in het voetspoor van een voorouder die Richard Leeuwenhart naar het Heilig Land vergezelde.

De eerder militaire traditie vinden we terug tot in de 16e eeuw bij Johan Lauwers, een ridder in de orde van het Heilig Graf en in de 19e eeuw bij de melding van Zoeaven in het leger van de paus.

Ook de familielijn Van Praet telde langs moeders zijde kruisridders en een tempelier (zie verhalen Van Praet).

De meeste verhalen die we wisten te verzamelen hebben met mensen te maken die hun bestaan geheel of gedeeltelijk verbonden aan een religieuze plicht, als katholiek koster, als broeder, als pater, als priester, als begijn, als non, als missionaris, of als predikant of als dominee in een protestantse kerk.

 

 

 

Intro

Verhalen

Gezinsreconstructies

Thematisch

Verwante families

Blog

 

http://www.laurentii.be/images/LauwersBruggekleur%20copy.jpg1558 - Johan Lauwers, een Vlaamse ridder in de orde van het Heilig Graf

Verschillende bronnen verwijzen naar de Brugse ridder Johan Lauwers. De familie was aangetrouwd aan de (ridder)familie Van Steelant. Dit blijkt ook uit de oudst gevonden wapenschilden van de families Lauwers, die elementen van het wapenschild overnamen. Willem Van Steelant, overleden op 15 september 1570 te Brugge, was er gehuwd met 'jonckvrouwe' Barbel Lauwers.

Afbeelding: Het wapen van de families Lauwers van Brugge bestond uit zilveren balken op een azuur achtergrond, voorzien van drie druiventrossen zonder bladeren in goud. Het schild bevat elementen van het Brugse wapen van de familie Van Steelant. Zie ook wapenschilden van Lauwens en Lauwers in het Graafschap Vlaanderen.

Johan Lauwers werd vermeld bij het kapittel van de Ridders van het Heilig Graf van Jeruzalem dat doorging op 25 maart 1558 te Hoogstraten. Deze gebeurtenis, die ook elders wordt herdacht, bijvoorbeeld door een glasraam in de kapittelkerk Onze-Lieve-Vrouw ten Zavel te Brussel, was een initiatief van 30 Vlaamse ridders van voormelde ridderorde. De bijeenkomst wordt gedocumenteerd in het archief van Simancas in Spanje. In het Spaans archief wordt er eveneens belangrijke briefwisseling bewaard van Koning Filips II met andere overheden betreffende deze onderneming. 

De achtergrond was de opkomst van het Osmaanse Rijk dat een zware bedreiging vormde voor Europa en voor het Middellandse Zeegebied. Onder Süleyman I (1524-1574) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding. Het strekte zich van de poorten van Wenen uit tot aan Perzië. Het omvatte Irak, Syrië, Palestina, geheel Egypte, heel de zuidelijke kust van de Middellandse Zee tot Marokko.

In de aanloop van het kapittel, is te noteren dat Belgrado viel in 1521, de hospitaalridders van Sint-Jan werden verjaagd uit Rhodos in 1522 (zij kregen een toevlucht op Malta), dat de Hongaren een verpletterende nederlaag leden te Mohacs in 1526 en dat Wenen werd belegerd in 1529. Transylvanië werd in 1540 een vazalstaat van het Osmaanse rijk, Tripoli werd bezet in 1551. De opkomst van het Osmaanse rijk zou zich ook na de bijeenkomst van 1558 nog laten voelen.

Bestand:Battle of Lepanto 1571.jpgEen poging van Spanje om de Turkse zeevloot een halt toe te roepen, leed tot een zware nederlaag voor het eiland Djerba, tegenover Tripoli. De Osmanen veroverden Cyprus in 1570, tot dan eigendom van Venetië. Een kentering kwam er pas toen de Osmaanse vloot in 1571 door een internationale zeevloot werd verslagen in de golf van Patras bij Lepanto.

Afbeelding: evocatie van de Slag van Lepanto in 1571.

Onder impuls van Petrus de Carate, die zich in 1553 naar Rome begaf en er van paus Julius III een bul bekwam waarin de organisatie van een "aartsbroederschap van het Heilig Graf" werd goedgekeurd, verzamelden twintig ridders te Hoogstraten, met een volmacht van tien andere ridders, in de kerk van het begijnhof te Hoogstraten. Overwegend dat het beschermheerschap van http://www.laurentii.be/images/1558Hoogstraten.jpgeen groot Vorst noodzakelijk was voor een dergelijke onderneming, kozen de Ridders Filips II tot Grootmeester, en zijn zoon Don Carlos tot Prins van de Orde, en zij verzochten Zijne Majesteit, hun verzoek gunstig te willen beantwoorden. Zij bevestigden dat hun enige ambitie erin bestond de Eer van Jezus Christus nieuwe glans bij te zetten en het Kruisteken door alle naties te doen eerbiedigen en zij besloten het Kapittel met de wens dat de Paus hun project zou willen goedkeuren. Van deze beslissingen werd een proces-verbaal opgesteld.

Afbeelding: "Het Kapittel van de Ridders van het Heilig Graf", uitgebeeld door Karel Boom in 1912. Het schilderij werd vernietigd tijdens de tweede wereldoorlog waardoor enkel de ontwerp schets en enkele fragmenten overbleven die nog steeds de vertrekken van het stadhuis van Hoogstraten sieren. In Hoogstraten kende, net zoals Brugge, een processie van het Heilig Bloed.

In het koor van de Sint-Katharinakerk werd een tafel opgesteld om aan twee notarissen, Alexander Grapheus (alias De Schrijver), secretaris van de Stad Antwerpen, en Johannes de Barlamonte (alias de Berlaymont), toe te laten dit officieel verslag op te stellen. Dit notarieel document werd door vier getuigen tegengetekend: Martin Ruiz de Carate, Gerard van Donghen, Franciscus Van Steelant en Adrianus Vander Linden. Johan Lauwers, ook genoemd Jan Ouwenbosch, was één van de ridders die volmacht hadden gegeven.

Het initiatief van de Vlaamse ridders bleef ondanks de Spaanse steun op tegenstand stoten, vooral van de Fransen en de Orde van Malta. Hoewel de Vlaamse ridders allen in het 'Heilig Land' hadden verbleven en Jeruzalem en het Heilig Graf hadden bezocht, kregen zij niet dezelfde erkenning als bijvoorbeeld de ordes van hospitaalridders of de Tempeliers.

1561 - Lauwers-Lauwerey(n)s en de inquisitie in Vlaanderen

 

http://www.statenbijbelmuseum.nl/site/media/DSC01301.JPGIn april 1561 waren op de heerlijkheid van Sint-Donaas te Hondschoote ene Colaert Lauwers en zijn echtgenote Naenken Smagghe gearresteerd. De eerste werd omstreeks 11 november 1561 als obstinaat doopsgezinde te Sint-Winoksbergen verbrand, de vrouw kwam mits afzwering terug vrij [1]. Het is niet duidelijk of deze melding gaat om een afstammeling van voormelde Colaert Laywereys in 1477. We weten wel dat al in 1538 ene Lauwereyns werd vermeld, “afkomstig van Zeeland” die deelnam aan wat men als “ketterse” discussies beschreef in de huizen van Mahieu en Jacob de Cellier te Gent.

 

Afbeelding: een Nederlandstalige bijbel van Nicolas Biestkens uit 1560. Deze waren zeer gegeerd bij de doopsgezinden, en tijdens de inquisitie verboden.

 

Het ging om een kleine Gentse gemeenschap die relaties onderhield met gelijkgezinden in Brugge, Kortrijk, Poperinge, Hondschoote en met Zeeland, en vermoedelijk zelfs met Aalst. De genoemde Lauwereyns zou onderweg uit Zeeland naar Gent niet nagelaten hebben “broeders” te bezoeken in Axel, Zuiddorpe en Sint-Kruis-Winkel. In een periode dat de kerkelijke inquisitie poogde voet aan grond te krijgen in Vlaanderen, waren mensen die de katholieke leer in vraag stelden allerminst geliefd. De vermelde Lauwereyns werd als “anabaptist” bestempeld, of “doopsgezind”. Althans, dat bleek uit het verraad van een lid van de Gentse anabaptistenkring in 1538 [2].

 

Aan de oorsprong van het gerechtelijk optreden tegen de dopers in Vlaanderen lag vermoedelijk de arrestatie en de terechtstelling van Jacob du Cellier te Gent begin 1538. Deze moet tijdens zijn gevangenschap, waarschijnlijk onder foltering, gegevens hebben losgelaten nopens geloofsgenoten en de auteurs van omstreden nota’s die bij hem in een boek werden gevonden. Het valt aan te nemen dat Valcke één van de beschuldigden was die dan, na zijn arrestatie, uit schrik is gaan praten. Zijn inlichtingen en die van Du Cellier brachten op verscheidene plaatsen het gerechtelijk apparaat in beweging, wat voor de doopsgezinde broederschap noodlottig zou worden. In de rekening betreffende zijn activiteiten in 1538 vermeldde de pro­cureur-generaal van Vlaanderen: „Item voor dat hy verleit heeft voor de mont­costen van eenen ghenaemt Martin Valcke, denunchiateur van diverssche her­Bestand:Dirck van Delen - Beeldenstorm in een kerk.jpgdoopte, die metten zelven procureur reysde vander stede van Ghendt naer Wincle Zudorp; Axele ende daerontrent hy nachte hem tooghende de huusen waer zekere herdoopte woonden". Samen met de verklikker en een uitgebreide politiemacht had de procureur zich onverwijld ter plaatse begeven om er een grootscheepse razzia te houden.

Er was nochtans tijdig alarm geslagen. De doopsgzezinden hadden een waarschuwingssysteem dat al vroeger zijn goede diensten had bewezen. Enkel drie vrouwen konden gepakt worden: de echtgenoten van Lieven van Haverbeke te Sinte-Kruis-Winkel, van Jacob Loys te Zuiddorpe en van Jacob Dauwere te Axel, allen herdoopt. De mannen en ook nog Adriaan Brael uit Sinte-Kruis-Winkel hadden met de boot van schipper Jacob Loys tijdig de vlucht genomen naar Zeeland.

Afbeelding: beeldenstorm in een kerk, schilderij van Dirck Van Delen uit 1630.

Tijdens een nieuwe razzia die enkele dagen later werd geleid door deurwaarder Ydrop Oste in overleg met de plaatselijke koster Joris Godschalk, bleken ook Copkin Everwijn en Martine de Meyer hun heil te hebben gezocht in Zeeland. Navraag bij familie te Assenede, Zelzate en Ertvelde kon de vlucht van de jeugdige verdachten slechts bevestigen.

Voor Martin Valcke was er nu geen weg meer terug. Hij moest de procureur-generaal vergezellen naar Brugge en daar de huizen van herdoopten aanwijzen. Zeven werden er gearresteerd. Allen werden ze, na een proces voor de stedelijke overheid, tussen 17 en 28 augustus 1538 te Brugge terecht­gesteld. Valcke verklikte de doopsgezinden te Oostburg en Breskens, maar het bevel van de overheid van het Brugse Vrije tot inhechtenisneming van de verdachten kwam hier veel te laat [3].

1601 - Walter Lauwers, de koster die het zingen beter kon laten (Rijmenam)

http://www.parochierijmenam.be/foto/kerk_1.jpghttp://www.parochierijmenam.be/foto/kerk_4.jpgWalter Lauwers was koster van de parochie te Rijmenam tussen 1601 en 1606. Walter Lauwers was aanvankelijk een ongehuwde leek, tot hij huwde in 1604. Het feest ging door in de kerk. Van koster Lauwers weten we ook dat hij schoolmeester was en orgel speelde. Hij kreeg een gunstige beoordeling als koster, al was er wel de opmerking dat zijn zangtalent geen hoge toppen scoorde...

Afbeelding: de Sint-Martinuskerk te Rijmenam stamt uit de 14e-15e eeuw

Walter Lauwers werd opgevolgd door koster Horemans, afkomstig uit Wolvertem en ook organist. Horemans vrouw woonde in Mechelen, en in 1607 werd vermeld dat hij er was gaan lopen ("aufugit").

 

 

 

http://lh3.ggpht.com/_FVaWUBri8W8/SN9EfMVPqDI/AAAAAAAACH4/q7SnGSmFP1w/s512/Mechelen-Grimbergen%20023.jpg1668 - Hendrik Lauwers, de koster van Humbeek

Hendrik Lauwers was koster van de parochie van Humbeek tussen 1668 en 1702. Hendrik huwde er op 25 september 1678 met Jeanne Van Den Branden [ZIE HUM X - 0147]. Het koppel kreeg 11 kinderen. Hendrik was koster tot bij zijn overlijden op 11 februari 1702, en liet zijn echtgenote met een kroostrijk gezin na. De jongste, Peter, was net geen jaar oud, de oudste, Marie, was toen 21. Hendrik Lauwers overleed aan een slepende ziekte, "thysi" genaamd, of ptysis, of speekselvloed, of in de volksmond ook wel eens aangeduid als "spit". Mogelijk werden bij de doodsoorzaak de symptonen beschreven, het ophoesten van vocht.

Pastoor Boex zou de daarop volgende 10 jaar de honeurs waarnemen. Hendrik was een besproken figuur, en kerkgeschriften vermeldden "dat het beter kon" toen hij in functie was.

Afbeelding: de Sint-Rumolduskerk van Humbeek, herbouwd in 1930. De toren en een deel van de kerk stonden er al in 1646.

1718 - Overlijden van Joannes Amandus Lauwen, pastoor te Liezele

http://lh5.ggpht.com/_nEocS5N-qBY/SJXRQ0DAUeI/AAAAAAAADUk/SDT7wzY98rI/s640/SV102956.JPGOp 23 maart 1718 overleed pastoor Joannes Amandus Lauwen te Liezele. Hij was gedurende 33 jaar pastoor van de parochie, en werd begraven in het koor van de kerk Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart - Sint-Jozef. Van Jan Amand weten we dat hij op 4 januari 1713 een testament liet opmaken bij notaris Jan Verheyden te Puurs. Daarin bevoordeelde hij zijn nicht Margriet Van Broeckhoven, haar kozijn Amandus Verschueren (zoon van Arnold Verschueren en Susanna Lauwen), en de kinderen van Arnold van Brouckhoven en Katelijne Lauwen. Een maand vóór het overlijden van Joannes Amandus, noteerde notaris Adriaan Verheyden op 23 februari 1718 in het testament nog eens dat Margriet Van Broeckhoven een erfdeel zou krijgen "voor trouwe dienst land te Geel".

Afbeelding: de Sint-Jozefskerk te Liezele, heropgebouwd na de eerste wereldoorlog. Het eerste aanwijsbare spoor van een vaste nederzetting  is een waterput uit de late 10e, vroege 11e eeuw die naast de huidige kerk gevonden werd in 2006 tijdens de afbraak van de oude brouwerij. De eerste schriftelijke vermelding van Liezele stamt uit de 12e eeuw.

http://www.laurentii.be/images/1775BegijnhofGent.jpg

 

1775 - Overlijden van Isabelle Clara Lauwers in 't Convent ter Engelen (Gent)

In de boeken van het Groot Begijnhof Sint-Elisabeth te Gent werd bijgehouden welke begijntjes afkomstig waren uit de West-Vlaamse gemeenten. Onder de meldingen is er ook Isabella Clara Lauwers, geboren te Brugge als dochter van Jan Lauwers.

Zij overleed op 19 april 1775 en behoorde tot het Convent "Ter Engelen".

Ander conventen heetten "De Heilige Drievuldigheid", "Ter Eecken", "Sint-Jozef", "Ter Steenen", "Ten Hove", "Ter Wijngaarden" en ook "Het Groot Convent" en "Het Nieuw Convent". In het Convent "Ter Engelen" overleed op 22 juni 1792 ook Agnes Werrebrouck, dochter van Francis Werrebrouck en Barbara Theresia Crestiaen. Bij de overlijdens werden ook enkele niet-begijntjes vermeld. 

Afbeelding: de conventpoort van het Convent Ter Engelen situeert zich momenteel in de Akenstraat 1 te Gent en behoort tot het Beschermd Erfgoed van de stad.

 

1787 – Smeekbede van de religieuzen om in hun klooster te mogen weerkeren  (Leuven)

In een schrijven van 18 mei 1787 aan de gildedekens en broeders van de dekenij, en de dekens der ambachten van de hoofdstad Leuven, doen de religieuzen van het afgeschafte klooster van de Arme Clarissen binnen Leuven hun beklag omdat zij gedwongen werden om hun klooster te verlaten. Zij smeekten om hulp en bijstand, opdat zij opnieuw over hun klooster zouden kunnen beschikken. Zij riepen op tussen te komen bij de “Edele Heeren  Staeten van Brabant of hunne Generale Vergaederinge”. Bij de ondertekenaars was Anna Maria Lauwens die tekende met een kruisje (“ende by forme van een kruysken”). Blijkbaar waren de kloosterlingen niet alleen in hun pleidooi. Ook de religieuzen van andere kloosters zoals deze van Predikheren, van de Annonciaten, van de Witte Vrouwen hadden een dergelijk verzoekschrift.

Dit soort onteigeningen vonden plaats over het hele Vlaamse land. Ook de religieuze Petronilla Lauwens en zuster Clara Lauwers tekenden rond deze periode een soortgelijke smeekbede van de Arme Clarissen te Antwerpen, gericht aan de hoofdambachten te Antwerpen. 

Afbeelding: het Mgr. Ladeuzeplein in vroegere tijden