|
1914 – Oorlogsgruwel in Zemst
Zemst kreeg het tijdens de Eerste Wereldoorlog
verhoudingsgewijze zwaarder te verduren dan sommige van de nadien erkende ‘martelarensteden’.
In juli 1914 verdeelden Alex Grauwels
en veldwachter Maarten Lauwers
oproepingsbrieven
in Zemst voor de jongens die onder de wapens moesten. Het dorp stond in rep
en roer omdat duidelijk werd dat er oorlog kwam. Waar sommigen dachten dat
het Duitse leger Luik niet voorbij zou raken, verdween die hoop toen
honderden vluchtelingen door Zemst passeerden.
In augustus 1914 nam de ongerustheid bij de
bevolking in heel Zemst toe over de oprukkende Duitse troepen. Men wist dat
de terugtrekkende Belgische troepen zich verschansten in de forten rond Antwerpen.
Mogelijk kon men in de stad een toevlucht zoeken. Er waren Belgische
soldaten Zemst gepasseerd, waren er kort verbleven zoals boven het café van
Van Boxum, op hun weg naar de
Antwerpse fortengordel. Soldaten als Leon
De Keyser waren naar huis gekeerd na de Slag aan de
Gete, en brachten verhalen van de strijd mee. Hij zou uiteindelijk
sneuvelen in Zonnebeke op 15 oktober 1918.
Pastoor Bernaerts
had instructies gekregen om burgerkleding te dragen en zijn onderpastoor
Cornelis had zich verkleed als hovenier [zie foto 1914].
E.H. Schoeters van
Zemst-Laar had burgerkleding aangetrokken en had het gehucht verlaten. Deze
aanbeveling van kardinaal Mercier was één van de vele tekens dat er iets
ernstigs stond te gebeuren. E.H. Bernaerts raadde zijn parochianen
bovendien aan om Zemst te verlaten.
Vooral degenen die geen landbouwbedrijf moesten onderhouden, pakten
hun koffers. Met de trein vertrokken sommigen richting kust, soms met het
idee om een boot te nemen naar Engeland. De onderpastoor was verhuisd naar
het ouderlingengesticht aan de Hoogstraat en naar verluid liet hij er zich
aanspreken als “mijnheer de hovenier”. Dokter
De Mayer ging elke avond, met de fiets, in Niel
overnachten. Op 20 augustus lagen Duitse troepen in de omgeving van Brussel
en Zemst lag tussen het oprukkende leger en de fortengordel rond Antwerpen.
Het duurde dan ook niet lang dat Duitse voorposten en verkenners Zemst
aandeden.
De
Zemstse burgemeester Ernest Sterckx
was gegijzeld en naar een Duitse voorpost aan een schuur van Van Messem,
aan de brug over de afleiding van de Leibeek gevoerd. Hij moest overnachten
bij Bosmans
aan de toenmalige Broekstraat (thans Heidestraat). Het café “De Roos”
[zie foto links, 1905]
en de kruidenierswinkel van Cluckers
kregen bezoek van Duitse soldaten. Bij Cluckers waren bovendien twee
obussen ingeslagen waarvan er één bleef steken, afgevuurd door Duitse
artillerie vanuit Elewijt [zie foto Jan Cluckers rechts, 1918].
Ulanen te paard patrouilleerden door de Zemstse straten. Toen Jan Van Asbroeck
aanbood om als gijzelaar de burgemeester te vervangen, gingen de Duitse
bezetters akkoord. Burgemeester Sterckx vluchtte vervolgens naar Mechelen en daarna naar
Engeland en Jan Van Asbroeck werd de eerste oorlogsburgemeester [zie
foto rechts].
Het oorlogsgeweld bleef niet uit. Op 23 augustus
waren Ulanen op verkenning richting Hombeek in Leest op verzet gestoten van
Belgische soldaten. Twee Ulanen werden aan het café ‘De Kroon’
neergeschoten. Een officier zag zijn paard onder zich sneuvelde en werd
vervolgens neergeschoten – Zemstenaar Jef
Mertens was hiervan getuige toen hij op terugweg was
van Mechelen. Een Ulaan die langs de spoorweg wilde ontsnappen, werd vanop
de trein door een Hombeekse soldaat neergeschoten. Ook in de omgeving van
Coloma waren Duitse verkenners onder vuur genomen en lieten enkelen het leven.
In Zemst begon men te vrezen voor represailles op de burgerbevolking, en
deze bleven niet uit nadat Duitsers ‘half aangeklede’ soldaten voor
burgers aanzagen bij een schietpartij op 25 augustus – Belgische soldaten
waren ’s morgens verrast geweest door een Duitse aanval en hadden het vuur
geopend ter hoogte van de hoeve van De
Vos.
Op 24 augustus hadden Belgische verkenners, van
de Jagers-te-Paard en de Karabiniers de voorpost in Zemst en Ulaanse ruiters
beschoten. Verschillende inwoners waren getuige geweest van de
schermutselingen aan de spoorwegberm en aan de Brusselse steenweg. Florent Jacobs, die op
het Hof van Beieren, ook wel het hof van Baerdeghem, in Zemst
had gewoond, maakte deel uit van het regiment dat het gehucht De Brug
vervolgens veroverde op de Duitsers. Een frontlijn kreeg vorm tussen Zemst
en Mechelen. Nadat koning Albert
vanop de Sint-Romboutstoren het front had geïnspecteerd, kwam er een
Belgische uitval uit de Fortengordel en enkele divisies hadden opdracht om
tussen Zemst, Hofstade en Elewijt door te stoten.
Dan
volgde de eerste gijzeling van burgers. De vader van de hogervermelde
dokter De Mayer werd aangehouden en dokter De Mayer ontsnapte via de Cleempoel
naar Niel. Zijn vader zou eveneens ontsnappen toen hij zich gewond voordeed
nadat een soldaat vlak bij hem was neergeschoten en hij zich in de
jongensschool – die toen als Duitse Rode Kruispost was ingericht – had weten
te verbergen. Louis Frans De Boeck
uit de Kerkstraat [zie foto rechts] werd op
weg naar zijn werk in Het Arsenaal in Mechelen neergeschoten op 25
augustus 1914, onder de ogen van blokmaker Du
Tré. Louis was 47 jaar, was gehuwd met Victoria, en
vader van vier kinderen. Dochter Marie
Philomène De Boeck was het jaar voordien op 25 oktober 1913 in
Zemst gehuwd met Ben Jozef Janssens.
Zoon Willem De Boeck
huwde twee jaar later op 4 november 1916 in Hofstade met Marie Seraphine Coppens.
Zijn echtgenote Victorie Coosemans
bleef 19 jaar weduwe en overleed op 3 oktober 1933 in Zemst, 65 jaar oud.
Het lichaam van Louis De Boeck werd door de buren naar het klooster
gedragen en vervolgens, met de kruiwagen naar huis gebracht. Pastoor Bernaerts
en Charel Van Camp
begroeven hem op het kerkhof.
Louis Frans De Boeck had een tweelingzus Marie Colette De Boeck
die op 3 mei 1893 in Mechelen was gehuwd met ketelmaker Jan Jozef Ceuppens,
die in het eerste oorlogsjaar van de Tweede Wereldoorlog op 10 februari
1941 in het Onze-Lieve-Vrouw gasthuis van Mechelen zou overlijden, 72 jaar
oud. Een dochter Rosalie Ceuppens
zou in het laatste oorlogsjaar op 19 oktober 1918 in Mechelen huwen met Jacques De Donder.
Het huis tegenover café Van Boxum werd door de
Duitsers in brand gestoken nadat de Belgische soldaten het hadden ontruimd.
In het ruime herenhuis van Jan Baptist Meysmans
en Marie-Louise Bal,
een zus van de verder vermelde Jean Henri Bal, in de Hoogstraat schuilden
heel wat mensen, anderen sloten zich op in hun huizen toen de brand was
aangestoken.
Een
huizenblok op de hoek van de Binnenweg en de Brusselse steenweg werd
beschoten en nadien werden de gevels in brand gestoken. Mensen die er verscholen
zaten werden gevangengenomen. Anderen zoals beenhouwer Armand Van der Heyden
[zie foto rechts], Frans Van Grunderbeek
en de meid Marie Boey
verschansten zich in de brandende beenhouwerij die zij uitbaatten. Armand
zou alsnog worden neergeschoten in zijn schuilplaats op de hooizolder toen
hij polshoogte nam door een dakpan te verschuiven om buiten te kijken,
terwijl de anderen de vuurschoten in het keldergat – zij hadden zich daar
verschanst na de dood van Armand – zouden overleven. De oom van Armand
zocht de stoffelijke resten van zijn neef in het smeulende puin, vond deze en
bracht ze samen in een ketel. Hij bracht ze naar pastoor Bernaerts om te
begraven op het kerkhof.
Tijdens een schermutseling aan hun hoeve
geraakten melkventer Jan Van Releghem
en zijn echtgenote Fannie De Rey
zwaargewond. Jan had zich verzet toen Duitse soldaten zijn paard probeerden
afhandig te maken. De hoeve werd nadien in brand gestoken. Jan Van Relegem
en zijn echtgenote werden naar het klooster gebracht. Jan zou niet meer
genezen en een jaar later op 28 augustus 1915 overlijden. Fannie had vreselijke
schotwonden maar zou haar man nog overleven.
Felix Bouwens, de
18-jarige leerjongen van velomaker Emiel
Cloetens, afkomstig uit Gilly, werd gevangengenomen,
gemarteld en de werd de ledematen afgehakt. Aan de uitgebrande smidse
zorgden de stoffelijke resten van de leerjongen voor afschuw – “Heel de
buurt stond erbij te wenen”.
 Het
gehucht De Brug lag als een vooruitgeschoven post van de Duitsers
aan de frontlijn. Mensen die er woonden werden uit hun kelders gejaagd. Felix Alcide kreeg een
flink pak slaag en kreeg een bajonetsteek in de rug. Zijn huis werd in
brand gestoken. Hij was in 1911 gehuwd met Catherine
Van Asbroeck – familie van de hogervermelde
oorlogsburgemeester-, werd werkman aan de IJzeren weg en brouwersgast en
overleed in 1959. Zijn broer Louis Alcide
zou het treffen met de Duitse Ulanen evenwel niet overleven [zie
verder]. Jean Henri Bal
werd voor zijn huis doodgeschoten en zijn bejaarde vader Louis kreeg slagen op het
hoofd. Zoon Jules
deelde het lot van zijn vader [zie foto’s]
en werd meedogenloos afgemaakt met een bajonet toen hij zich verzette.
Ook het café ‘De Roos’ van de familie Van Regenmorter en het
huis van de familie Pesendorfer
werden in brand gestoken. De brand sloeg niet aan in het huis van de
familie Paulus,
nadat de inwoners uit de kelder waren gejaagd. Landbouwer Jan Buelens moest
toezien hoe zijn paard werd gestolen. François
Peeters had zich tussen de kolen in een kolenhok
verstopt en kwam er ongeschonden uit toen een Duitse soldaat herhaaldelijk
met zijn bajonet in de steenkolen had gestoken. De familie De Win was er vanuit hun
schuilplaats getuige van dat een Duitse officier gevechtsonwillige Duitse
soldaten neerschoot.
Een nicht van de hogervermelde Jean Henri Bal,
melkverkoopster Marie Catherine Bal,
was op 28 december 1904 in Zemst gehuwd met melkverkoper Joos Louis
Lauwers ,
een zoon van Nicolaas Lauwers en Josephine
Van Steenwinkel - die in het laatste oorlogsjaar zou
overlijden, op 29 mei 1918, kort na haar 65e verjaardag. De
familie Lauwers-Bal kreeg ook Duitsers over de vloer die water eisten voor
de gekwetsten en voor de paarden. Vlak bij de woning stond een kanon
opgesteld dat de Sint-Romboutstoren onder vuur nam.
Foto: het verdervermelde
gezin Somers-Nobels
na de oorlog. Hoewel Louis Isidoor werd gegijzeld, wist de familie een
onderkomen te vinden bij familie in Hombeek. Zijn zus Marie-Thérèse Somers
was op 23 oktober 1889 in Zemst gehuwd met plankzager Jan Baptist Lauwers ,
een zoon van Corneel Lauwers
en Elisabeth
Van Moer uit Humbeek.
Bij zonsopgang was ook het centrum door de
Duitsers ontruimd. Schoolmeester Louis
Smets zat met zijn vrouw Marie
Michiels en dochter Hélène in de jongensschool
aan de Schoolweg met hovenier Louis Isidoor Somers.
De laatste wilde vrouw Elisabeth Nobels
en kinderen in veiligheid te brengen, maar werd aangehouden, en naar het
hoveniershuis van het, inmiddels verdwenen, kasteel Malfiante van de
familie Godderis-Theunis
aan de Brusselse steenweg gebracht [zie foto].
Zo verging het ook handwerker Willem De Boeck, een zoon van de
hogervermelde Louis Frans De Boeck uit de Kerkstraat, die zich op zolder
had verstopt en tevoorschijn was gekomen. Zijn moeder Victoria Coosemans,
wilde de kinderen naar de kerk brengen, maar dat werd haar ontraden.
De
gijzelaars moesten een levend schild vormen om de Duitse aftocht te dekken.
Zij werden meegevoerd van Zemst, via Eppegem en via Houtem naar Peutie, en
de colonne werd onderweg enkele keren beschoten door Belgische soldaten. De
gijzelaars werden vervolgens opgesloten in de Sint-Maartenkerk van Peutie [zie
fotobewerking, origineel van Hilde Kennes, 2003 onder Creative Commons
licentie CC BY 4.0].
In het gezelschap was pastoor Engelbert Beelaert.
Hij zou de laatste zegen geven aan de mannen die buiten de kerk koelbloedig
werden geëxecuteerd op 25 augustus 1914 om 15h, nadat ze hun eigen graf
hadden moeten delven:
·
Corneel Van
Messem, 48 jaar, een zoon van
Jan Baptist Van Messem en Ann Catherine Van Steenwinkel;
·
Peter De Greef, 40 jaar, fabriekswerker, een zoon van Jan Baptist De Greef en
Anne-Marie Rampelbergh, in Diegem in 1901 gehuwd met Elisabeth
Verhulst en in 1905 in Diegem
hertrouwd met Marie
Françoise Heyvaert;
·
Louis Alcide, 30 jaar oud, fabriekswerker, op 18 oktober 1905 in Zemst gehuwd met
Ann Catherine
Puttemans en vader van vijf
kinderen van wie er drie voor augustus 1914 waren overleden. De oudste Georges
Alcide, geboren op 12 mei 1907
in Zemst, werd religieus en onderwijzer en woonde aan de Alexianenstraat 16
in Brussel in 1927. Louis was een broer van de hogervermelde Felix Alcide,
beide zonen van Frans Alcide en Rosalie Moons.
·
Jan Buelens, 63 jaar, hovenier, zoon van Philip Buelens (Beullens) en Marie-Ann
De Win, herbegraven in Zemst in 1915;
·
Jan Frans De
Wit, 58 jaar, landbouwer
uit Leest, in Hombeek gehuwd met Colette Verlinden, vader van drie kinderen. De aangifte gebeurde op 30 augustus 1914
in Leest door veldwachter Isidoor Constant Van Hoof.
·
Van Oppens, een Mechelaar die in Eppegem verbleef en toevallig op de Zennebrug
was opgepakt.
In Zemst-Laar werden op ongeveer dezelfde manier
twee andere gijzelaars om het leven gebracht: Joseph
Diddens, 31 jaar oud, echtgenoot van Marie Pelagie De Craen
en vader van drie waarvan één kind jong overleden, vermoord op 22 september
1914, en Jan Frans De Buyser,
49 jaar oud, echtgenoot van Catherine Emmerechts
(Emmeregs).
Door het Zemstse gehucht De Pikkerie
marcheerden honderden soldaten [zie foto gemeenteplaats
Zemst-Laar omstreeks 1920]. De hogervermelde veldwachter Maarten Lauwers had er met zijn gezin een toevlucht
gezocht en er was een voorpost van het Belgische leger vlak bij de woning
van zijn ouders. Een eerste Duitse aanval werd afgeslagen, maar ook hier
zouden represailles op de burgers niet uitblijven. De hogervermelde Joseph Diddens en Jan Frans De Buyser
waren met Jozef Verhaeren
bij de eerste gijzelaars. Enkel de laatste kon het navertellen – naar
verluid werd hij herkend door een Duitse soldaat die als pik- en
zeisverkoper het Laar had aangedaan – de Duitse verkopers die de dorpen in
‘onverdachte tijden’ aandeden, werden nadien vaak als Duitse
spionnen ontmaskerd – en had hem weggestuurd. Joseph Diddens en Jan Frans
De Buyser werden zonder meer tegen de muur van de afspanning Larekam
gefusilleerd.
De wijnkelder van pastoor
Schoeters werd geplunderd door Duitse soldaten. De
41-jarige Jan Verbeeck
was aan het werk in zijn stal en bood Duitse soldaten melk aan. De melk
bekwam en slecht na de wijnconsumptie en hij werd beschuldigd hen te hebben
willen vergiftigen. Hij kreeg een bajonetsteek in zijn borst, ze sleepten
hem naar buiten en gooiden hem in de waterput. Jan klampte zich vast aan de
stenen en de Duitsers duwden hem onder tot hij verdronk. Volgens
ooggetuigen waren de krassen van zijn nagels op de stenen van zijn
overlevingsstrijd nog te zien.
Veldwachter Maarten
Lauwers ,
een zoon van Jan
Baptist Lauwers en Marie-Thérèse De Roeck [ZIE ZEM XIX – 001970], was inmiddels teruggekeerd naar het Laar om zijn varkens eten te
geven. Zijn vrouw Catherine
Verdoodt was in de schuilplaats
aan de Pikkerie gebleven. Ook hij werd er belaagd door de Duitse
soldaten die Jan Verbeeck hadden vermoord, - althans volgens de
getuigenis van zijn buurman Antoon Van Steenwinkel, die met Marie Colette
Doms een gezin vormde - maar hij wist te ontkomen en zijn huis werd
niet in brand gestoken. Een veertigtal inwoners van Zemst-Laar waren naar
het fort van Breendonk gevlucht en daar zag men een kind geboren worden. Marie Catherine Rens, de echtgenote van Corneel Isidoor Emmeregs, beviel er op 25 september 1914 van Juliana Emmeregs.
De groep vluchtelingen trok via Willebroek – waar
zij de ’s avonds de vuurgloed van de brandende petroleumtanks in de
Antwerpse haven konden waarnemen - naar Boom en Deurne. Vervolgens kwamen
ze terecht in Hoboken. Onder de vluchtelingen bevond zich Louise ‘Wiske’ Bal
die onder voorbijtrekkende soldaten haar man Jan
Baptist Meysmans herkende met wie zij tien jaar was gehuwd. Deze
wisselde zijn uniform voor burgerkleding - in essentie deserteerde hij
- en bleef bij zijn vrouw. Marie-Louise Bal was een dochter van Louis Bal
en Appolonia Buelens en was verwant met de hogervermelde, vermoorde, Jean
Henri Bal en met melkverkoopster Marie Catherine Bal. Zemstenaar maalder Van Steenwinkel bevond
zich ook in de groep en spoorde aan om terug te keren naar huis. Met een
schip staken ze de Schelde over omdat de brug was vernield, passeerden een
Duitse controlepost en keerden terug naar Zemst(-Laar).
 Onderpastoor Cornelis,
de ‘hovenier van het rusthuis’ ging elke dag naar de kerk om de
Heilige Mis op te dragen, diende de laatste sacramenten toe, en verving de
gevluchte pastoor Bernaerts. De Sint-Pieterskerk werd in september 1914
verwoest door brand, aangestoken door het Belgisch leger, naar verluid
omdat men van op de toren het fort van Walem kon observeren [zie
foto na de brand].
Enkele jongens brachten de torenhaan na de brand naar het rusthuis. Na de
val van Mechelen en het fort van Walem, zou het bezettingsleger van de
Duitsers zich naar verluid beter gedragen ten opzichte van de burgers dan
de aanvalstroepen die dood en verderf hadden gezaaid. Ook de molen aan de
Hoogstraat [zie foto 1910 van de voormalige molen]
en twee aanpalende woningen werden afgebrand, ditmaal na een Duitse
beschieting. In het kasteel Malfiante van de familie Godderis-Theunis aan
de Brusselse steenweg werd de plaatselijke ‘Kommandatur’ gevestigd.
De Zemstse gouw werd apart bestuurd van de Mechelse.
Inwoners begroeven hun koper omdat dit werd
opgeëist door de Duitse bezetter, net zoals ijzer en staal en notelaars …
voor de aanmaak van geweerkolven. Vanaf 1915 was er sprake van een “zwarte
markt”. Om smokkelen tegen te gaan, stonden er Duitse wachtposten tussen
Zemst en
Mechelen en tussen Zemst en Vilvoorde. Ook kranten werden gesmokkeld vanuit
Nederland. Corneel Van Steenwinkel
[zie foto omstreeks 1918] maakte
vervalste Duitse Markbiljetten op de zolder van zijn vader, die hij
vervolgens uitgaf in Zemstse herbergen, maar hij werd gevat en zou dertig
maanden gevangenisstraf krijgen in Kassel-Welheiden en in Rheinbach in
Duitsland.
Vanaf 1916 werden paarden opgeëist. Een
boerenwacht moest verhinderen dat de velden werden geplunderd. In
Zemst-Laar werd die aangevoerd door Jef
Mertens. In Zemst weken ook vluchtelingen in vanuit het
West-Vlaamse oorlogsgebied, zoals de familie Staes
uit Menen. Zij brachten een, weinig succesvolle, tabaksteelt mee. In de
zaal “Van Dijck” werden bals georganiseerd. Er was ook een kegelbaan
aangelegd. Orgeldraaiers zorgden voor vertier. En er werden kermissen georganiseerd. Het
was niet alles kommer en kwel.
In de tijd was er overigens ook al zoiets al ramptoerisme:
na de gruwelijke gebeurtenissen zakten Brusselaars af naar Zemst om het
slagveld te bekijken (…). Anderzijds werden vluchtelingen van Zemst in de
omgeving van Antwerpen gastvrij onthaald. Velen trokken verder en staken de
grens met Nederland over om aan de oorlog te ontsnappen. Via Nederland ging
de reis soms verder richting Frankrijk of Engeland.
|