Afbeelding met tekening

Automatisch gegenereerde beschrijving

© Laurentii.be, 2026

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

Inhoud (hoofdmenu)

 

·         Blog

·         E-boeken (pdf)

·         Gezinsreconstructies (per gemeente)

·        Genealogie (deze reeks)

·         Indices (zoekfunctie)

·         Startpagina (Home)

·         Thematisch

·         Verhalen (chronologisch)

·         Verwante families

________________________

Verwante stamlijnenontstaan

Voornaamste stamlijnen, datum ontstaan familiewapen is bij benadering

[*] rechtstreekse voorouders auteur

 

 Lauwens / Lauwers Hombeek-Leest (Kleinbrabant)1568

 Lauwens / Lauwers andere van voorouderlijke lijn1568

^

Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving1468 Lauwereyns van Watervliet

Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met tekst, logo, symbool, tekenfilm

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met symbool, embleem, wapen, insigne

Automatisch gegenereerde beschrijving1506  1540 Lauwereyns, Lauwerens, Lauwens, Lauwers

1571 Lauwers (graafschap Vlaanderen)

1550 Lauwers (Holland)

1636 Laureinsens

image0561464  Lauwereyns van Terdeghem

^

image006.jpg865-1247  Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)

________________________

 

 

1602 - De heks van Eppegem (Zemst)

 

Het proces dat in 1601 in het Vlaamse dorp Eppegem werd gehouden tegen Jasper Colveniers (Coveliers, Coveleers) en zijn vrouw Liesbeth Lauwers  toonde aan hoe enkele eeuwen geleden de beschuldiging van hekserij tot tragische gevolgen kon leiden. Jasper en Liesbeth uit Eppegem deden in die tijd foren en kermissen aan met een poppenspeltheater. Het koppel werd omwille van een vertoning in Putte voor het gerecht gedaagd en werd beschuldigd van toverij, laster en zeer scandaleuze spelen. Hun poppen Sint-Pieter, Sint-Pauwel, een minderbroeder en de duivel belandden op de brandstapel. Na een heksenproces, zou ook Liesbeth op de brandstapel eindigen.

 

Het begon in juli 1601 tijdens de kermis in Putte nabij Mechelen

 

Jasper Colveniers[1] en zijn echtgenote Liesbeth Lauwers  waren foorkramers uit Eppegem die een klein poppenspeltheater bezaten. Daarmee reisden zij foren en kermissen af. Volgens de overlevering waren zij zeer vaardig in de "conste van de camerspeelderijen" en genoten overal grote bijval. De eerste avonden verliepen de zaken goed. De inwoners kwamen genieten van het schouwspel van de "mennekens".

 

Tot het gerucht de ronde deed dat de drossaard[2] van Putte, Maarten Cuytens[3], Liesbeth beschuldigde een tovenares te zijn. Men beweerde dat hij haar als heks zou aanklagen bij de rechtbank. Nog dezelfde nacht vluchtten Jasper en Liesbeth naar hun thuis in Eppegem.

 

"Naar alle waarschijnlijkheid", schrijft de Perkse ex-secretaris Jos Lauwers [4], "wilde zij niet aan de begeerten van Maarten Cuytens voldoen." Dit kon de aanleiding zijn.

 

Wij vermoeden dat er (ook) een politieke reden meespeelde: Liesbeth Lauwers was verwant met de vroegere meier Geert Lauwers image086 (1440-1517) die in de streek had gewerkt in dienst van de hertogen van Brabant. Die lagen al langer in conflict met de heren van Grimbergen, voor wie de aanklagers in dit proces werkten. Beide partijen hadden tegenstrijdige belangen in de streek.

 

Afbeelding: de Sint-Niklaaskerk in Putte. Evenals Sint-Katelijne-Waver en Onze-Lieve-Vrouw-Waver, was Sint-Niklaas-Waver één van de zogenaamde "Waverparochies" in het Waverwoud, die in 1265 erkend werden door de bisschop van Kamerijk. Van de vroegste bouwgeschiedenis van de vroegere kerk van Putte is niets bekend aangezien alle archiefstukken van voor 1611 verloren gingen tijdens de 16de-eeuwse godsdiensttroebelen. In de 17de eeuw werd een nieuwe toren (1612-1614) gebouwd en in de 18de eeuw werd de kerk vernieuwd en uitgebreid met zijbeuken[5].

 

De beschuldiging van hekserij door de Putse drossaard Cuytens werd weerlegd

 

Op 16 juli 1601 werden zij in beschuldiging gesteld te Eppegem. In hun thuisgemeente waanden zij zich op veilige bodem. Jasper deed er alles aan om zijn vrouw van verdenking vrij te stellen. Hij daagde Maarten Cuytens voor de schepenbank van Eppegem "in materie van injurie". Hij zou bewijzen dat de betichting van de drossaard van Putte louter laster was.

 

Een eenvoudige poppenspeler zou echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen dan een drossaard. Maarten Cuytens was behalve drossaard van Putte, ook heer van Beersel en meier[6] van Zemst en Weerde.

 

Op 10 juli 1601 was de "vierschaer extraordinaire" van het Eppegemse schepencollege bijeen onder het voorzitterschap van Hendrik Verbeke. Alle schepenen waren aanwezig. Jasper Colveniers had voor zijn verdediging advocaat Van Den Eede aangesteld. Jasper verscheen zelf voor de rechtbank als echtgenoot en voogd van de beschuldigde Liesbeth Lauwers.

 

Uiteindelijk moest Maarten Cuytens toegeven dat hij geen bewijzen had, en hij herriep zijn beschuldiging. Hij verklaarde dat het hem speet en dat hij Liesbeth Lauwers beschouwde als "een vrouwe van eere en deugt". Daarmee zou de zaak van de baan zijn, of toch niet?

 

 

De Eppegemse drossaard Longin spande een nieuwe zaak aan in Eppegem

 

Jonker Antoon Longin, de drossaard van Eppegem, tekende beroep aan. Hij nam formeel de verwijten voor eigen rekening. Longin bleek een machtige tegenstander[7]. Jasper werd van aanklager beschuldigde. Hij werd met zijn vrouw opgesloten in de burcht van hertog Wenceslaus[8] te Vilvoorde.

 

Destijds behoorde het land van Grimbergen aan de prins Philippe-Willem van Oranje. Behalve Eppegem, omvatte het gebied Beigem, Londerzeel, Meise, Strombeek, Boom, Willebroek en Ruisbroek. In het land van Grimbergen had drossaard Longin het voor het zeggen. De ordonnantiën van Philips II om de hekserij te beteugelen werden met harde hand toegepast.

 

En plots waren Jasper en Liesbeth niet zo veilig meer in hun eigen dorp. Zij werden "pedo ligato", met gebonden voeten, met ijzers aan de wand geklonken. Ditmaal was Liesbeth formeel beticht van hekserij door de schepenbank op aantijging van de drossaard van Eppegem.

 

 

Foto: Gouden lam van Johanna van Brabant en Wenceslaus (1355-1383), geslagen te Vilvoorde in de periode 1357-1371[9].

 

 

Foto: een rekenpenning van 1589 uit het hertogdom Brabant, in de tijd waarin het proces plaats vond, geslagen onder Albrecht, zoon van Maximiliaan II van Oostenrijk, gehuwd met Isabella van Spanje, dochter van Filips II.

 

 

Afbeelding: het voormalige kasteel van Vilvoorde volgens een gravure van 1696 (Le Roy). Het kasteel, ook bekend als de burcht van Wenceslaus, werd in 1776 gesloopt en vervangen door een gevangenis.  Die functie vervulde het kasteel ook omstreeks 1602, toen Liesbeth Lauwers er in de kerkers werd opgesloten en er de dood vond.

 

 

De beschuldiging van hekserij

 

In de originele tekst van de beschuldigingakte werd Jasper en Liesbeth verweten dat zij personages ten tonele hadden gevoerd als Sint-Pieter en Sint-Pauwel met een zotskap op het hoofd, een minderbroeder, een vrouw, de kwade geest van de duivel, een Moor en een Moorse, waarmee schandaleuze spelen op diverse kermissen en feesten werden gevoerd "bij maniere van tooverije" (“door tovenarij”).

 

De akte vermeldde verder dat deze personages, zoals de minderbroeder, dansten met de duivel en de vrouw, en dat het erger werd naar het einde van de voorstelling toe wanneer de minderbroeder werd onthoofd in een gevecht met andere personages. De personages van Sint-Pieter en Sint-Pauwel gingen zelfs een ongehoord gevecht aan om de vrouw "Jouffrou Margriete" te hebben, kusten haar en betasten haar buik, en omarmden zelfs elkaar.

 

Dit alles werd als zeer onkuis en schandalig beschreven, en het was een openbare bespotting van de heilige apostelen en de orde der minderbroeders. Er werd aan toegevoegd dat dit alles bovendien geschiedde door middel van tovenarij met  behulp van de duivel. "Dit behoorde in een land van justitie niet getolereerd te worden, maar tot voorbeeld van anderen bestraft".

 

 

Het proces in Eppegem

 

Van november tot december 1601 vond het proces plaats voor de vierschaar van Eppegem. Jasper en Liesbeth verschenen eerst op 28 november 1601 voor de "vierschaer extraordinaire" in Eppegem, in aanwezigheid van meier Verbeke en de schepenen. Advocaat Van Den Eede had hen in juli nog verdedigd, maar trad nu op namens de drossaard van Eppegem.

 

Een andere advocaat Esdeuren, stond nu aan de zijde van de poppenspelers. Esdeuren verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling van Jasper Colveniers, onder verbintenis van zijn persoon en goederen. Dit werd door de rechtbank toegestaan mits het betalen van een borg van 100 pond. Liesbeth Lauwers moest wel terug naar de gevangenis en zij werd opnieuw in de ijzers geslagen.

 

Afbeelding: de Zenne in Eppegem

 

Het eerste deel van het proces vond plaats in de herberg "De Spiegel" te Eppegem[10]. Mogelijk genoten de poppenspelers er teveel steun en bijval van dorpsgenoten, zodat men het verdere proces op een andere plaats liet doorgaan. In 1601 was bovendien Willem Lauwers , verwante van Liesbeth, schepen in Eppegem.

 

Procureur Van Den Eede vertegenwoordigde opnieuw de aanklager in het proces. Waar Van Den Eede in juli nog Jasper Colveniers had verdedigd, trad hij deze keer op voor jonker Longin.

 

 

De veroordeling in Vilvoorde

 

Tussen 5 en 22 december verschenen Jasper en Liesbeth opnieuw voor de vierschaar, maar deze keer op het grondgebied van de vrijheid Ter Borght in Vilvoorde.

 

Jasper verklaarde er hoegenaamd niet zinnens te zijn enigerlei kosten te doen om zijn vrouw te helpen. "De zaak van zijn vrouw ging hem niet aan," stond in de verklaring van de advocaat, "en hij moest zich niet verantwoorden en geen geld tot vervolging van de rechtspraak voorschieten." Daar werd wel aan toegevoegd dat hij met eer van zijn vrouw hield.

 

Vermoedelijk probeerde Colveniers de zaak te doen splitsen en voor beiden een mildere straf te bekomen. Uit het verdere verloop van de gebeurtenissen zou blijken dat Jasper zijn vrouw bleef steunen waar hij kon. Voor Liesbeth betekende het wel dat zij voor de rechtbank moest verschijnen zonder hulp of steun.

 

Afbeelding: twee “heksen”, pentekening van Hieronymus Bosch (ca. 1450-1516)

 

Op 2 januari 1602 werd eindelijk opgeroepen voor het geding ten gronde. Jonker Longin verzocht de vierschaar tot een "vonnis interlocutoir", waardoor dat de zaak tegen Liesbeth Lauwers niet met definitief vonnis zou worden beslist. Dat zou toelaten om meer informatie in te winnen om de aanklachten met nieuwe bewijzen te staven. Liesbeth kreeg daardoor ook tijd haar verdediging voor te bereiden en de aantijgingen te weerleggen. Bij elk verhoor had Liesbeth heftig geprotesteerd en haar onschuld staande gehouden. Jasper werd veroordeeld te voorzien in de voedingskosten gedurende het proces. Omwille van het schandaal, moesten de poppen in aanwezigheid van de eigenaar worden verbrand.

 

De vierschaar stelde vast dat Jasper en Liesbeth twintig jaar waren getrouwd, dat de vrouw doorging voor een heks en dat Jasper daartegen nooit had geprotesteerd noch de lasteraars had aangeklaagd bij het gerecht, hoewel zijn bezorgdheid was bekend voor zijn goede naam en faam. Men stelde dat Liesbeth haar toverijen had geleerd bij haar eigen man en dat deze zich niet voor haar borg wilde stellen. Jasper zou hebben verklaard "het hart van zijn vrouw niet te kennen net zomin als de vader het hart van zijn kind kent." Daarin zag men het bewijs dat Jasper niet zo zeker was van de onberispelijkheid van zijn echtgenote. Men hield voor waarachtig wat beide poppenspelers ten laste werd gelegd. En dat dit enkel met de hulp van de duivel had kunnen gebeuren. Het zag er niet goed uit voor hen.

 

De Vierschaar vond de drossaard dan ook gerechtigd de aangeklaagde tot de galg te laten veroordelen en om hun goederen in beslag te laten nemen de gunste van de Prins van Oranje, heer van het land van Grimbergen. Jonker Longin verklaarde zich bereid zich neer te leggen bij de rechtspraak.

 

Jasper toonde zich behendig in zijn verdediging. Hij verzocht op vrije voeten te worden gesteld op grond van het vonnis van 28 november en een akte van 5 december 1601, waarin was aanvaard door de drossaard dat de bewering als werd zijn vrouw door elkeen voor een tovenares gehouden, onwaarschijnlijk en ongegrond was. Jasper had toen verklaard geen weet te hebben van dergelijke geruchten, dus de lasteraars niet voor het gerecht te kunnen dagen, en dat hij nooit in twintig jaar huwelijk één of andere criminele praktijk had opgemerkt bij zijn echtgenote.

 

Hij haalde aan dat, zo gauw hij wist dat Maarten Cuytens zijn vrouw van hekserij had beticht, hij deze voor de rechtbank van Eppegem had gedaagd en dat Maarten de beschuldigingen had herroepen. Jasper voerde aan dat dit alles moest volstaan om zijn vrouw van alle verdenkingen vrij te stellen en dat hem niet kon worden verweten dat hij haar zonder hulp had gelaten.

 

"Het betaamde niet," haalde hij aan, "dat hij als ingezetene die al jaren banden had met Brabant zich borg moest stellen in deze zaak." Jasper verklaarde dat zijn poppen door hem zelf uit eenvoudig hout waren gesneden, dat hij en zijn vrouw ze eigenhandig versierden en kleedden, en dat deze met zijn eigen handen en vingervlugheid werden bewogen. Dat sloot elke vermeende tussenkomst van de duivel uit.

 

Hij verklaarde ook dat het poppenspel niet meer schandalig of verboden was dan wat men te zien kreeg in toneelspel dat overal werd toegestaan en dat wel werd verdragen. Er waren geen ordonnanties, plakkaten of charters waarin dergelijke spelen werden verboden! Jasper verzocht daarom de vierschaar alle beschuldigingen ongegrond te verklaren en hem vrij te stellen van het betalen van kosten.

 

Het vonnis was niettemin onverbiddelijk. De rechtbank oordeelde dat Jasper moest worden aanzien als schuldig aan een strafbare daad, dat de poppen moesten worden verbrand, en dat het Jasper voortaan verboden moest worden nog dergelijke spelen op te voeren. Hij werd veroordeeld tot een boete van 25 rijngulden ten bate van de heer van Grimbergen, ongeacht de kosten die reeds door de drossaard waren voorgeschoten ten behoeve van het proces. Jasper moest dus niet naar de galg, maar Liesbeth bleef in de gevangenis onder de beschuldiging van toverij.

 

Vervolgens kon de vierschaar apart het onderzoek naar Liesbeth voortzetten.

 

Tussen december 1601 en 18 februari 1602 werd de lijst van getuigen ten laste en ten ontlaste van Liesbeth vastgesteld. Eind februari 1602 werden deze opgeroepen. Op 15 maart 1602 werd Jasper beboet met 10 rijnsgulden omdat hij Godevaert van Gulick een pot bier over zijn hoofd had gegoten en deze met een mes had bedreigd. De aanleiding was dat Godevaert deze de zaak tegen zijn vrouw had gedeponeerd. Jasper had zijn ongelukkige vrouw dus niet volkomen aan haar lot overgelaten. Inmiddels sleepte het geding aan. De vierschaar moest er nog zeventien zittingen aan wijden, zonder voldoende bewijzen te kunnen vergaren. En toch zou deze geschiedenis een tragische afloop kennen.

 

Op 4 mei 1602 werd Jasper Colveniers veroordeeld tot betaling van 98 rijksgulden voor de gerechtskosten betaald door de drossaard. Ondanks alle ontberingen die Liesbeth bij elk verhoor en in de gevangenis moest doorstaan, hield zij inmiddels hardnekkig staande volkomen onschuldig te zijn.

 

Bij de schepenen groeide mettertijd evenwel de overtuiging dat zij werkelijk door de duivel was bezeten. De redenering was dat haar moedige weerstand enkel door steun van de duivel moest kunnen... men geloofde dat deze alle pijnen op zich nam!

 

Het tragisch einde van "de heks van Eppegem"

 

Op 27 november 1602 stelde meier Hendrik Verbeke voor om de betichte te onderwerpen aan een streng verhoor op de pijnbank. Dit werd door alle schepenen aanvaard, en zo belandde Liesbeth op 1 december in de folterkamer.

 

Er was geen protocol voor de folteringen die Liesbeth moest ondergaan.

 

Die gebeurden onder de volledige willekeur van de "officier crimineel". De beproevingen duurden de ganse dag tot laat in de avond. Uiteindelijk bekende Liesbeth uitgeput en waanzinnig van pijn "criminele commercie gehad te hebben met den quaden gheest" (criminele omgang te hebben gehad met de kwade geest). Dat betekende voor haar hoe dan ook het einde. De volgende dag vond men haar lijk in de cel van de Vilvoordse gevangenis.

 

Voor drossaard Antoon Longin was daarmee de zaak niet ten einde. Hij nam wraak op het lijk van Liesbeth. Zijn procureur Nicolaas van Leune eiste dat het stoffelijk overschot op de brandstapel tot as zou worden verbrand! De vierschaar trad alweer deze eis bij. Had Liesbeth in de folterkamer immers niet bekend een heks te zijn?

 

Hoogst ongeloofwaardig werd genoteerd dat Liesbeth  in de gevangenis zichzelf het leven had benomen... Het was ondenkbaar in een officieel stuk te verklaren dat zij dood was gefolterd of vermoord.

 

Het lijk van Liesbeth Lauwers werd in het openbaar op de brandstapel tot as verbrand. Haar schamel bezit werd aangeslagen ten gunste van prins Philippe-Willem van Oranje[11].

 

1965 - Oorsprong van de naam van het Poppentheater 'De Spiegel' uit Kontich

 

Poppentheater De Spiegel werd opgericht door Felix Van Ransbeeck in Kontich in 1965. Het poppentheater ontleende zijn naam aan de herberg ‘De Spiegel’, waar in 1602 de poppenspelers Jasper en zijn vrouw Liesbeth werden berecht op last van hekserij en toverachtige praktijken. De echtgenote van Felix Van Ransbeeck, Virginie Willems, stamde af van de familie die in 1601-1602 de herberg 'De Spiegel' bezaten in Eppegem.

 

In Centraal- en West-Europa was poppenspel een instrument voor religieuze instructie geweest tot in de middeleeuwen. Poppenspel was de zichtbare bijbel van de analfabete gelovigen. De Franse term marionet is dan ook afgeleid van Marie, de heilige maagd. Vanaf de middeleeuwen verspreidde het poppentheater zich vanuit Frankrijk en Spanje over heel Europa.

 

Poppenspelers waren graag gezien op marktplaatsen en in herbergen. Zij werden van de eerste professionele figuren in de amusementswereld. Hoewel geliefd bij het volk, ondervonden deze poppentheaters nu en dan tegenstand van het geestelijk en wereldlijk gezag. Het poppenspel was dan verboden, dan weer toegelaten. In de periode dat het de Rederijkers verboden werd toneel te spelen werden mensen door poppen vervangen en ging het poppentheater niettemin een lange bloeitijd tegemoet.

 

 

Wie waren de hoofdrolspelers in het, helaas waargebeurde, verhaal?

 

·         Liesbeth Lauwers  : de beklaagde, echtgenote van Jasper Colveniers

·         Jasper Colveniers (Coveliers, Coveleers, Kolveniers): de echtgenoot van Liesbeth Lauwers

Van zijn voorouders is ons niet veel bekend. Hij had een verwante (broer?) Gielis die op 1 februari 1588 in Mechelen Sint-Pieter was gehuwd met Margriet van Hobekom, een verwante (zus?) Anna die op 12 juli 1587 in Mechelen Sint-Rombout was gehuwd met koster Hendrik Van Roij, een verwante (zus?) Maria die omstreeks 1585 in Mechelen Sint-Rombout was gehuwd met Hendrik Van den Eynde, en een verwante Jan die met Magda Selleslagh was gehuwd omstreeks 1575 en die in Lippelo woonde. Van deze Jan Coveliers alias Covens weten we dat zijn vader dezelfde voornaam had.

 

Er was ook een Johanna Coveliers, geboren omstreeks 1579, gehuwd met Laureijs De Wilder, van wie een zoon Adriaan De Wilder in Hombeek Sint-Maarten op 3 juni 1612 huwde met Maria Coeckelbergh, en die op 14 november 1630 in Zemst hertrouwde met Christofora Eijdens. Een dochter Barbara De Wilder was op 27 juni 1623 in Hombeek gehuwd met Peter Ceuleers.

 

·         Maarten Cuytens: de drossaard van Putte, heer van Beerzel, meier van Zemst en Weerde

Maarten Cuytens was geboren omstreeks 1568 als zoon van Claes Cuytens. Hij was gehuwd met Catherine Van Ophem en hij was drossaard in Putte, meier van Zemst en rentmeester van Jacques de Berghes, heer van Grimbergen. Hij overleed op 14 maart 1632 in "Den Engel" in Mechelen.

 

·         Jan Van den Eede: advocaat en procureur

·         Jonker Antoon de Longin: de drossaard van Eppegem en het Land van Grimbergen

Hij was heer van Lier, en was toen de feiten zich afspeelden gehuwd met Margaretha van Berchem, een dochter van Jan II van Berchem en Jacqueline van Enckvoort (3e huwelijk), en eerder met Catherine de Tournon (2e huwelijk) en met Johanna van Steelant, dochter van Willem van Steelant, heer van Wissenkercke en Margaretha Carpentier de Parmentier (1e huwelijk). Hij leefde tussen 1553 en 1614 en zijn zoon Willem de Longin uit het eerste huwelijk erfde de titels heer van Lier en van Roosendael[12].

 

·         Prins Philippe-Willem van Oranje: landvoogd van het Land van Grimbergen, in wiens naam recht werd gesproken (1554-1618),

 Oudste zoon van Willem van Oranje en Anna van Egmond, katholiek groot gebracht in Spanje (1568-1595). Huwde in 1606 met de 32 jaar jongere Eleonora van Bourbon-Condé, overleed kinderloos op 20 februari 1618 in Brussel en werd begraven in de Sint-Sulptiuskerk in Diest [zie schilderij Frans Pourbus II, 1599, onder publiek domein].

 

·         Corneel Esdeuren : de 2e advocaat nadat de 1e, Van den Eede, als procureur was aangesteld

Corneel Esdeuren (Van Esdeuren) was gehuwd met Catherine Van Tongeren. Jan Esdeuren was een zoon die eerst was gehuwd met Barbara Van de Velde. en op 26 augustus 1625 in Brussel Sint-Michaël en Sint-Goedele hertrouwde met Petronilla van der Borcht, een dochter van Jan van der Borcht en Marie van Hamme. Nog twee kinderen huwden aan met van der Borcht: de oudste dochter Anna was gehuwd met Jan van der Borcht, de jongste dochter Martine was op 16 juni 1620 in Brussel gehuwd met Lambert van der Borcht. Deze familie was ook aangehuwd met Lauwens/Lauwers  in Hombeek, in Leest en in Mechelen.

 

·         Hendrik Verbeke : voorzitter van het Eppegems schepencollege, meier.

Hij was een afstammeling van Nijs van der Beke, de tegenpartij in dienst van de heren van Grimbergen in een conflict uit 1470 met de hertogen van Brabant, die vertegenwoordigd waren door hun meier Gheert Lauwers image086, Liesbets voorouder, die toen het pleit had gewonnen.

 

·         Willem Lauwers : schepen van Eppegem, verwant met Liesbeth Lauwers

·         Godevaert van Gulick : betrokken in een handgemeen met Jasper Colveniers 

·         Nicolaas van Leune : procureur in dienst van meier Hendrik Verbeke

Mogelijk ging het om Nicolaas van der Laen, heer van Hagelstein, Schriek en Grootlo, in Mechelen Sint-Jan gehuwd met Margriet Peeters, dame de Lassus et d’Onezies, die overleed op 17 mei 1629, al leek dit minder waarschijnlijk gezien de band van deze familie met Lauwens/Lauwers  in de omgeving van Mechelen.

 

 

 

 

 



[1] Naam ook gespeld als Cobeniers en Cobbeniers, vermoedelijk ook Coveliers. Colveniers waren leden van de schuttersgilde die een vuurwapen droegen. Jasper Colveniers en Liesbeth Lauwers waren omstreeks 1582 gehuwd in Eppegem.

[2] drossaard = bestuursambtenaar, vroeger legerhoofdman

[3] Maarten Cuytens werd geboren omstreeks 1568 als zoon van Claes Cuytens. Hij was gehuwd met Katrien Van Ophem en hij was drossaard in Putte, meier van Zemst en rentmeester van Jacques de Berghes, heer van Grimbergen. Hij overleed op 14 maart 1632 in "Den Engel" in Mechelen. Eén en ander doet vermoeden dat er politieke motieven aan de grondslag lagen van de vete, tussen de heren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. Merk dat Gheert Lauwers, geboren omstreeks 1440, meier van Kapelle-op-den-Bos was voor de hertogen van Brabant. Hij woonde tussen Hombeek en Leest.

[4] Jos Lauwers in “De Semse Kroniek” nr. 1, jaargang 20. Jos Lauwers was gemeentesecretaris te Perk en is een verdienstelijk heemkundige.

[5] Bron: Agentschap Onroerend Erfgoed 2017

[6] meier = rentmeester.

[7] Jonker Longin was heer van Lier en van Roosendaal, twee heerlijkheden onder Grimbergen. Hij was een zoon van Laureys Longin, de heer van Groot-Bijgaarden en Lembeek, schatbewaarder generaal voor de Nederlanden onder keizer Karel, en van Maria van Heyleweghen, de dochter van de voorzitter van de Raad van Vlaanderen.

[8] De burcht van Wenceslaus werd gebouwd vanaf 1380 en stond in de buurt van de kerk van Vilvoorde. Ze diende als staatsgevangenis vanaf 1408. Wegens zwaar verval werd ze gesloopt in 1773.

[9] (c) Afbeeldingen uit private collectie: munten 1357-1589 - scan prent kasteel Wenceslaus, Le Roy, 1696, prent twee heksen, pentekening van Hieronymus Bosch, ca. 1450-1516, prent heksenproces Neurenberg, 16e eeuw (originelen onder Publiek Domein) - (c) foto's Putte Marylin Verhulst, 2011 (Inventaris Onroerend Erfgoed) en Eppegem, 2016 uit private collectie - logo poppentheater (c) De Spiegel, Kontich, 2018.

[10] Zie ook het verhaal van het poppentheater De Spiegel, vernoemd naar het heksenproces in de gelijknamige taverne.

[11] Philippe-Willem van Oranje was heer van het land van Grimbergen en zoon van Willem de Zwijger. Andere bronnen: Eugène Peeters in De Brabantse folklore nr. 204, 1974 - Marijke Ryckmans in "De dorpsgemeenschap Eppegem in de late middeleeuwen en de nieuwe tijd (tot 1654)", verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis  - Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, Eug. De SeynBrepols, Turnhout - Nationale Archieven, Albertinabibliotheek Brussel - A. Goovaerts in "poppenspel, tooverij, pijniging. Een zonderling proces in 1601-1602 voor de vierschaar van de schepenbank van Eppegem", 1895 - Agentschap Onroerend Erfgoed - parochiekerk Sint-Niklaas. 

[12] Merkwaardig is alvast dat de familie Lauwereyns uit de voorouderlijke lijn Lauwers de titel van Roosendael enkele eeuwen later zou voeren. Deze Willem de Longin was gehuwd met Anne Madeleine van der Gracht van Driessche, een verwante familie in het voorouderlijk geslacht Lauwereyns (…).