|
Arnold en Géneviève in bewogen tijden
Ingrijpende
gebeurtenissen grepen plaats in het leven van Arnold. De grote
hongersnood in 1315-1317 was er één van, toen hij als kind en jonge man
opgroeide. Toen hij volwassen werd, kwam de maatschappelijke orde onder
druk in het graafschap Vlaanderen. De ongelijkheid tussen de standen werd
in vraag gesteld, vrijgevochten Vlamingen kwamen in opstand, en er was
zelfs sprake van iets wat naar een democratisch model neigde.
Het
bestel daverde op z’n grondvesten en dat was niet verstoken van gruwel
zowel langs de zijde van de ‘laaggeborenen’ die weinig of geen
rechten hadden en vochten voor een menswaardig bestaan, bij de groeiende
zelfbewuste middenklasse van nieuwe rijken die meer inspraak eisten, en
bij de behoudsgezinde ‘hooggeborenen’ die dit niet over zich heen
wilden laten gaan.
Afbeelding: het familiewapen gevoerd door
ridder Arnold Lauwereyns.
De
verhouding tussen kerk en staat was ingrijpend veranderd in het door
Frankrijk overheerste gebied. Filips de Schone had de Roomse paus
Bonifatius VIII in september 1303 ontvoerd, nadat deze de Franse koning
had proberen te excommuniceren, en liet hem vervolgens doodmartelen. Elf
maanden later installeerde de Franse koning zijn jeugdvriend
Bertrand de Goth, de aartsbisschop van Bordeaux, als paus
Clemens V in Tours en in 1309 in Avignon. Hij zette daardoor de Kerk
naar zijn hand. En daar hield de machtswellustige koning het niet bij.
Hij
startte in juni 1306 de vervolging van Joden binnen zijn rijk, vermoordde
hen, en eigende zich hun bezittingen toe. In oktober 1307 startte hij met
het opdoeken van de Tempeliersorde en eigende hij zich hun bezittingen
toe. In de commanderij van de Tempeliers in Ieper werden 23 tempeliers
vermoord. Marionet paus Clemens V liet het allemaal toe.
In
het hertogdom Brabant vonden tempeliers hun toevlucht in de Johannieterorde,
en ook in Castilië, Navarra, Aragon, Engeland en de landen van het Heilig
Roomse Rijk ontsnapten leden van de orde, onder bescherming van lokale
vorsten, aan de moordpartij. De koning van Portugal richtte eigenhandig
een nieuwe orde op “Ordem de Cristo” om hen uit de klauwen van de
Franse “antichrist” koning en paus te
houden.
Heel
Europa keek verbaasd toe tot het schouwspel in maart 1314 werd afgesloten
met de executie van grootmeester Jacques de Molay op het
Jodeneiland in Parijs. Velen geloofden dat de vloek die de grootmeester
bij zijn executie had uitgesproken over de Franse koning en de paus er de
oorzaak van was dat paus Clemens V op 20 april 1314 kwam te overlijden,
gevolgd door het overlijden van de Franse koning op 29 november 1314.
De volksrevoluties tussen 1323 en 1328
In
het graafschap Vlaanderen vonden er volksrevoluties plaats in Nieuwpoort,
Broekburg, Sint-Winnoksbergen, Veurne, Kassel, Grevelingen, Belle,
Roeselare en andere plaatsen tussen 1323-1328, tegen de schepenen in
burggraven van de kasselrijen. Adellijke kastelen gingen in vlammen op,
edellieden werden vervolgd en vermoord.
De
Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers was als nieuwe
Dampierre aangetreden en werd gehaat omdat hij nieuwe buitenproportionele
Franse belastingen, zogenaamde herstelbetalingen voor de oorlogsschade
die Frankrijk had geleden sinds 1302, probeerde te innen terwijl hij zelf
een liederlijk en kwistig leven leidde. Door zijn Franse opvoeding had
hij bovendien weinig affiniteit met Vlaanderen.
Zijn
baljuws gingen bij wijlen meedogenloos te keer, zoals baljuw de
Klercke in
Nieuwpoort en ridder Jan van Bergen in Gistel die
vermeende rebellen aan de galg brachten of radbraakten. Polderboer en
Brugs buitenpoorter Nikolaas Zannekin was
één van de aanvoerders van de rebellie die voornamelijk bij boeren,
vissers, wevers en vollers bijval genoot. Jacob Peyt was een andere
leider, een door het volk gekozen hoofdman uit Sint-Winnoksbergen en
Hondschote.
Aan de zijde van graaf Lodewijk van Nevers
vonden we bij zijn tocht naar Vlaanderen in 1324 de ridders de
Verrières en Rogier van Saemslagh. De laatste
familie had banden met Lauwereyns van Diepenhede. Rogier had
Lodewijk van Nevers mee opgevoed. Lodewijk kon rond de
kerst van 1324 niet verblijven in de waterburchten van Wijnendale en van
Male, want die werden door rebellen bezet. Daarom ging de reis naar het
Gravensteen van Gent.
In
Brugge was de graaf niet welkom, al was hij er in oktober 1322 nog met de
nodige égards verwelkomd tijdens een Blijde Intrede. Dat was vóór de
nieuwe Franse koning Karel IV haast onmogelijke eisen was beginnen
stellen. Meer nog, Brugge weigerde op dat moment bij monde van
meester-makelaar en democratisch verkozen burgemeester Willem De Deken
nog langer belastingen te betalen. Van het Gravensteen verhuisde Lodewijk
zijn hof naar de niet zo lang voltooide Lakenhalle van Ieper. Lodewijk
vreesde voor opstand in Kortrijk en spoedde er zich naartoe met zijn
ridderleger.
Afbeelding: de gevangenneming van
Lodewijk van Nevers door Willem De Deken, prent uit de 14e
eeuw (afbeelding onder Publiek Domein, bron: Nuova Cronica - ms.
Chigiano L VIII 296 – Vaticaanse bibliotheek).
Het
werd een smadelijke nederlaag en Willem De Deken voerde de graaf af in
gevangenschap, op een ezel, naar Brugge. De ridders de Verrières en
Rogier van Saemslagh waren gedood, en zijn bondgenoten
Jan van Namen, Robrecht van Kassel en
bisschop d’Auxonne hadden hem in de steek gelaten en
waren naar Gent gevlucht. De Brugse burgemeester Van Harelbeke volgde
Willem De Deken op en bood graaf Lodewijk de vrijheid nadat de stad door
Karel IV werd afgesloten van de handel. De Brugse opstand leek even
abrupt te eindigen als deze was begonnen in maart 1326. Maar dat was
zonder de rancune van de heersende klasse gerekend.
Er
werden opnieuw ondraaglijke voorwaarden gesteld tot overgave. Willem De
Deken nam opnieuw het voortouw in het verzet. Paus Johannes XII, op de
hand van de Franse koning, kondigde in april 1327 een Interdict
uit over Vlaanderen. Priesters mochten er geen communie meer geven, geen
laatste sacramenten, geen huwelijken inzegenen. De Vlaamse priesters
moesten in de praktijk voor of tegen de revolutie kiezen. Dorpspriesters
en minderbroeders waren vaak uit hetzelfde milieu als de boeren afkomstig
en waren meestal de opstand genegen. Boerenrevoltes, vaak geïnspireerd op
wat zich in Vlaanderen afspeelde tijdens de zogenaamde “Kerelsopstand”,
kwamen ook voor in het graafschap Artesië (Artois), in het bisdom
Kamerijk en in het prinsbisdom Luik. Dat maakte over heel Europa de
heersende klasse ongemakkelijk.
Het
Brugse stadsleger voerde een raid uit op Aardenburg toen men daar het
koninklijk gezag dreigde te herstellen en de meest prominente poorters
werden er geëxecuteerd. De revolutie kreeg een grimmig en gewelddadig
karakter. De kroning van Filips VI van Valois tot Franse
koning in 1328, nadat Karel IV was overleden, kondigde een bloedige
vergelding aan tegen de Vlaamse opstandelingen.
Hoe
Arnold Lauwereyns dit alles doorstond is niet met zekerheid geweten. We
weten dat Arnold de laurierboom in sinopel toevoegde aan het familiewapen
van de drie merlettes en daardoor afstand nam van het schild dat de
Lauwereyns van Diepenhede hadden gevoerd. De kleur van
de achtergrond van de zwanen veranderde van zwart naar de onderste
grondlaag keel (rood). Voor de wijziging van de achtergrondkleur was er
ook een heraldisch mogelijke verklaring. Mogelijk was men niet meer zeker
van de oorspronkelijke kleur, en was de bovenlaag inmiddels dermate
afgeblot op het bestaande schild, dat de onderlaag rood werd overgenomen
in combinatie met de zilveren merlettes.
Afbeelding: merk de lelie in het familiewapen
van de aangetrouwde familie van Massemen/de Masmine bij
Robert de Masmines (1385-1430). Op basis van de kenmerken kunnen we zowel
een grafelijk Vlaamse als Maria verering aannemen. De klauwende gouden
leeuw op de azuur achtergrond vormde ook het gemeentewapen van Massemen
(Bron: Van Rietstap). De lelie was in eerste instantie een symbool van de
maagd Maria. Onze-Lieve-Vrouw had een grote symbolische waarde in het
graafschap Vlaanderen, niet enkel voor het Franse koningshuis sinds de
kroning van Clovis in 481. In een rode kleur wees ze op een overwinnende
kracht en recht. In het wit gaf ze de zuiverheid aan van Maria. De drie
bladen verwezen naar de Heilige Drievuldigheid, met de dwarsliggende band
als bindende factor voor Maria. Het Franse koningshuis hanteerde een
gouden lelie. Die kwam in onbruik na de Franse revolutie.
Alleszins
behoorde zijn vader, netjes weggeschreven uit de Franse
geschiedschrijving, niet tot de bevoorrechte Franse patriciërsklasse die
omstreeks 1297-1300 door de Franse koning aan het roer werd gezet in
steden als Brugge.
De naam van Arnolds vader werd verzwegen (vermeld
als “N.N.” of non-nommé, niet genoemd) in de genealogie van de Franse
adel. De niet-vermelding leek bewust en had te maken met een
vermeende disloyauteit van Arnolds vader tijdens het toenmalige conflict
met leenheer Frankrijk.
Maar de grootvader was bekend, met name ridder Jan Lauwereyns, een zoon
van ridder Odin Lauwereyns van Diepenhede.
|