|
BRUg
I – 000001 - GEZIN Lauwereyns – Van Velthuysen 1247 Brugge [*]
Odin
Lauwereyns (Othon) van Diepenhede huwde
omstreeks 1247 in Brugge met Johanna van Velthuysen. Zijn
familienaam werd ook gespeld als Lauwerens,
Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys en Lawrence. Hij was een
zoon van Robert Lauwereyns [ZIE LANc
– A01000001], was
ridder en
hij was kruisvaarder tussen 1248-1254 in het gevolg van de Vlaamse graaf
Willem “Gwijde” van Dampierre. Dat was de zogenaamde zevende
kruistocht georganiseerd door de Franse, en later heilig verklaarde,
koning Lodewijk IX. Odin overleefde dit avontuur niet. Hij overleed op de
terugweg van de kruistocht in Cyprus in 1250 en zag zijn gezin met jonge
kinderen in Brugge niet terug. We weten van twee zonen, geboren voor hij op
kruistocht trok.
Odin Lauwereyns van Diepenhede was
een nakomeling van de heren van Cadsant, met
name van Laurens van Cadsant, via voorouders Lauwereyns in kust
West-Vlaanderen en Engeland – waar de naam gelijkaardig werd uitgesproken,
maar als Lawrence werd gespeld.
·
Willem Lauwereyns (Willemar) werd geboren omstreeks 1247 te
Brugge [ZIE BRUg II – 000010].
·
Jan Lauwereyns (Jan) werd geboren omstreeks 1248 te
Brugge [ZIE BRUg II – 000011]. Hij
werd ook vermeld in Ieper in 1250 [*].
1248 - Odin, ridder van Vlaanderen
en kruisvaarder in het gevolg van Gwijde van Dampierre
Odin Lauwereyns was heer van
Diepenhede, een ridder die de Vlaamse graaf Willem (Gwijde) van
Dampierre
vergezelde op de kruistocht van Lodewijk IX van Frankrijk tussen 1248 en 1254.
Koning “Saint-Louis” (1215-1270) en zijn leger vertrokken in
1248 vanuit Aigues-Mortes
dat toen nog aan de Middellandse zee lag. Odin trok in het gevolg van
Willem van Dampierre via Cyprus naar Egypte. Odin was net voor de
tweede keer vader geworden nadat hij omstreeks 1247 in Brugge met Johanna van
Velthuysen was getrouwd. Op 6 juni
1249 veroverde het leger de Egyptische stad Damiate.
Doel was om Jeruzalem te heroveren op de Saracenen, die de stad in 1244 op
de kruisvaarders hadden veroverd, de
zes eerdere kruistochten ten spijt.
|
Aigues-Mortes
Koning Lodewijk IX, de Heilige, kreeg
van monniken uit de abdij van Psalmody een stuk zoutmoeras en liet er de
stadskern tussen 1246 en 1272 bouwen. De stadsmuren werden er pas tussen
1272 en 1310 omheen gebouwd.
|
Afbeelding: uit een 14e -eeuws manuscript van
Guillaume de Saint-Pathus. Koning Lodewijk IX met zijn leger
onderweg in 1248 – ook wel bestempeld als “De aankomst in Nicosia”.
Onder een kaart die de 7e Kruistocht van Aigues-Mortes situeerde via Cyprus
en Damiate tussen 1148 en 1254. Er
werden acht kruistochten op aangegeven.

Drie broers van Lodewijk IX namen deel: Alfons, graaf
van Poitiers en Toulouse, Robert van Artois en Karel I, graaf
van Anjou. Het leger bestond uit 1500 schepen en zo'n 25.000 tot 35.000
man, van wie 1500 ridders en 5000 kruisboogschutters.
Gedurende tien
maanden werd het Egyptische Damiate bezet [zie prent belegering Damiate in 1249, Jan Wagenaar,
Vaderlandse Historie, 1800, onder publiek domein].
Sultan As-Salih Ayyub onderhandelde met
Lodewijk en bood Jeruzalem aan in ruil voor Damiate, maar de
kruisvaarderbaronnen besloten Alexandrië aan te vallen. Lodewijks broer
Robert van Artois zette in 1250 een aanval in op Cairo en kwam
hierbij om, samen met een groot aantal Tempeliers. Lodewijk wist met moeite
zijn positie aan de Nijl aan te houden en het overlijden van sultan Ayyub
en de zwakke positie van diens omstreden opvolger Al-Muazzam Turanshah
speelden enige tijd in zijn voordeel.
En toch keerde het tij. Ziekten in het moerassige
Nijlgebied eisten een zware tol in het kruisvaarderleger. De moslims wisten
tachtig schepen te veroveren en de opvarenden te doden. Van het leger dat
aan de kruistocht was begonnen bleven steeds minder mensen over, geteisterd
door ziekte en honger. Sommigen gingen terug naar huis, sommigen
sneuvelden, anderen werden gevangengenomen door de Arabieren. De moslims
brachten Lodewijk en zijn leger in het nauw en uiteindelijk konden de 'Franken'
geen kant meer op, verslagen door het klimaat en de aanvallen van de
Saracenen.
Afbeeldingen: Willem van
Dampierre, zoon van Margaretha van Constantinopel en een
zilveren anonieme denarius met gehelmd portret en dubbellijnig kruis,
geslagen in het graafschap Vlaanderen onder Margaretha II, zuster van
Hendrik II en dochter van Boudewijn IX, gravin van Vlaanderen tussen
1244-1278.
Het leger van de kruisridders werd ten slotte in
april 1250 verslagen bij Al Mansurah (Egypte) in 1250, waar een van de
commandanten de latere sultan Baibars was.
Lodewijk IX, zijn ridders en zijn leger werden
gevangengenomen. Frankrijk moest voor Lodewijk de enorme losprijs betalen
van 400.000 livres tournois.
Daarna werden Lodewijk en diens leger vrijgelaten. De meeste militairen
keerden terug naar huis, maar Lodewijk IX voer naar Syrië. Daar wachtte hij
vier jaar op versterking en verdedigde de kuststeden.
Foto rechts: replica
van een stalen handgesmede Viking helm met
maliënkolder naar een vondst van +- 800. Het stalen neusstuk was typisch
voor Noormannen. Ook kruisridders gebruikten dit soort helmen. (Privé
collectie Laurentii)
Hij stuurde de Vlaamse franciscaan Willem van
Ruysbroeck naar Möngke, de koning van de Mongolen, om een einde te
maken aan het bondgenootschap met de moslims. Toen dit mislukte keerde ook
Lodewijk IX terug naar Frankrijk omstreeks 1254.
Van
Willem van Dampierre weten we dat hij werd gevangen genomen in Damiate
in 1250, vervolgens werd vrijgekocht, en dat hij terugkeerde naar
Vlaanderen. Toen Willem met twee broers Alfons en Robert werd vrijgekocht
voor 8000 pond, werd slechts de helft daarvan betaald door de Franse
koning. Als waarborg voor de betaling van de andere helft,
lieten zij heel wat edellieden die hen hadden vergezeld als gijzelaar
achter.
Odin Lauwereyns keerde op dat moment niet mee terug
naar Vlaanderen. Volgens Franse bronnen was hij één van de achtergebleven
gijzelaars en maakte hij de veldtocht in Syrië nog mee in het gevolg van
Lodewijk IX. Hij overleed op de
terugweg, in Cyprus, en keerde nooit terug naar Vlaanderen.
Willem
van Dampierre, die wel was teruggekeerd, zou op 5 mei 1251 overlijden
tijdens een ongeval op het tornooi van Trazegnies.
Het familiewapen van Odin Lauwereyns
bestond uit drie zwanen, niet gebekt en gepoot, zgn. “merlettes”. Zijn wapendevies was “Ad laurum non aurum”,
wat letterlijk vertaald “Voor de eer, niet voor het goud” betekende,
en het werd vertaald als “Onversaagd in moeilijke tijden”.
De oorsprong van het wapen werd aangewezen als afkomstig van een Deense
Viking, leenman van de graven van Vlaanderen, aangesteld om het rijk te
verdedigen tegen andere Vikings.
De tak van de heren van Diepenhede ontstond aan het begin van de 13e
eeuw, residerend in Brugge tot omstreeks 1560, waarna ze verhuisde naar
Duinkerken en Sint-Winoksbergen in Frans-Vlaanderen. De erkenning in de
Franse adel gebeurde in juni 1719
door koning Louis XV, in navolging van de erkenning onder de graven van
Vlaanderen, de hertogen van Boergondië en de koningen van Spanje.
De precieze kleuren van zijn wapen
waren gekend. Het ging om zilveren merlettes op zwart met daaronder een
rode ondergrondgrond die zichtbaar kwam bij beschadiging van de bovenste
laag, en deze rode onderlaag was herkenbaar in latere varianten van het familiewapen.
Odin Lauwereyns was één van de oudste gedocumenteerde stamouders van onze
familie in het toenmalige Graafschap Vlaanderen en voerde een wapen met
drie zwanen, met de spreuk "Ad laurum non aurum" of "Voor
de eer, niet voor het goud".
Zogenaamde
merlettes werden soms toegekend aan ridders die zich verdienstelijk maakten
tijdens de kruistochten. Wanneer ze met drie voorkwamen, hield dit een
verwijzing in naar de Heilige Drievuldigheid. Bij het familiewapen
Lauwereyns ging het aanvankelijk om merlettes van zwanen. Al in de 11e
eeuw waren er familiewapens met merlettes bekend.
Afbeelding onder: verzameling kruisvaarder munten
(voor- en achterzijde) uit Cyprus, 13e-16e eeuw (© laurentii.be uit private
collectie, 2018).
 
De heren van Cadsant,
voorouders van Odin Lauwereyns van Diepenhede
Het familiewapen gevoerd door Odin
Lauwereyns van Diepenhede in 1247, werd eerder gevoerd door de heren van
Cadsant. De precieze achtergrondkleur van het wapen werd niet
beschreven, en dus nakomelingen gingen er onterecht van uit dat dit keel
(rood) was. Dat was de kleur die in latere wapenschilden werd overgenomen.
Het wapen van de heren van Cadsant had als achtergrondkleur nochtans
sabel (zwart), maar de onderlaag bestond uit keel. Het lijkt niet
onwaarschijnlijk dat het verduurde oorspronkelijke wapen tot de latere
interpretatie van een keel achtergrond leidde.
 De drie zilveren zwanen kwamen voor in het oudste schild van
Lauwereyns. De heren van Cadsant droegen een gelijkaardig
wapenschild van sabel (zwart) met drie zilveren zwanen al vanaf het begin
van de 10e eeuw. Andere bekende takken als Heindericx en de Baenst
namen de zwanen eveneens over. De zilveren zwanen duidden op adel en het
aantal drie op de Drievuldigheid.
Afbeeldingen: het wapen van Odin Lauwereyns van Diepenhede in 1247
in Brugge, en het wapen van de familie de Baenst in Brugge.
De familie de Baenst voegde een
dwarsbalk toe en plaatste de drie zwanen erboven (zoals later
ook bij Lauwereyns). Het hof van St.-Joris te Brugge werd door
Jan III de grootvader van Margaretha de Baenst gebouwd. Zij verkocht het in
de 15e eeuw aan Hieronymus Lauwereyns van Watervliet. De
wapenschilden van de Baenst werden noch door Hieronymus noch door
zijn nazaten verwijderd. Dit wees er op dat er respect was tussen de
families en dit verwees naar de bloedband. Hieronymus had verder de
dijkrechten van de Waterlanden gekocht aan de vader en de achterneef
van Margaretha toen Anthony stierf. Zijn project met de dijkrechten van
Assenede tot Cadzand was te groot geworden. Het lag in de lijn van
verwachtingen dat bij voorkeur aan familie werd verkocht. Voor dergelijke
werken was immers veel samenwerking nodig. De Lauwereyns familie behield
relaties met Cadzand. In 1494-1496 was Jacques Lauwereyns schatbewaarder
van o.m. Koksijde en Cadzand.
De heren van Cadsant stamden
volgens de overlevering in rechte lijn af van de koningen van Wales, en er
was een onmiskenbare relatie met Vikings. De eerste heer van Cadsant
werd door de graaf van Vlaanderen omstreeks 820 op het eiland geïnstalleerd
om de noordergrens te beschermen tegen (andere) invallende Noormannen. De
titel Heer van Cadsant werd opgeheven begin 13de eeuw en de kinderen
kregen nieuwe familienamen.
De nazaten van Willem van Cadsant die op het kasteel Baenst
woonden, werden "de Baenst" genoemd, de nazaten van Hendrick
van Cadsant zouden de naam Heindericx aannemen en de
nakomelingen van Laurens van Cadsant namen Lauwereyns, in het Engels
gelijkaardig uitgesproken maar gespeld als Lawrence, aan.
Afbeelding: het vroegere eiland Cadzand in de 9e eeuw.
Op de kruistocht van 1096 met Godfried van
Bouillon vergezelde Antonie van Cadsant Robert van Vlaanderen.
Dit was 150 jaar of 6 generaties eerder dan de kruistocht van Odin
Lauwereyns. Antonie was volgens sommige bronnen een afstammeling van 'een
lerschen koning' [de koningen van Wales nvdr.], die in de 9e eeuw, na een geschil met een der koningen van
Engeland, was uitgeweken, en die in Rodenburg (nu Aardenburg in Zeeuws
Vlaanderen) voet aan wal zette. De voorouder van Antonie ('Iago ab Cadfan') kreeg van Liederik de Buck, 'den forestier
van Vlaanderen' [zie afbeelding: Liederik II afgebeeld in de Flandria
illustrata uit 1641], goederen in Casant (Cadzand),
waar hij een slot bouwde en het recht ontving om munt te slaan. Bij de
strooptochten van Noormannen werd dit ‘kasteel’ verwoest omstreeks 874 en
de zoon (Frederik) en kleinzoon (Acturus), toen
heer van het eiland Casant, werden gevangen
weggevoerd door de verwante Deense Viking Rollo [zie prent ‘Cadsant 865’, van Albert Robida
uit 1895, onder Publiek domein].
De (klein-)zoon, vader van Antonie, werd door Rollo afgestaan
aan de koning van Frankrijk en huwde de dochter van de hertog van Suffolk.
De oudste zoon van Antonie zou het slot, eerder een versterkte hoeve,
heropbouwen. Er was melding van de bouw van een hoeve op Cadzand tussen 1050 en 1112 met de naam Burggravensteen. Antonie voerde naar verluid in zijn wapenschild een dwarsbalk,
met drie merlettes in het schildhoofd en nam later dat van een door hem
overwonnen Saraceens kampvechter aan, zijnde een rode arm of mouw, de hand
gevuld met een zon of maan.
In de lijst van edelen in het graafschap
Vlaanderen onder Lodewijk van Male (1346-1384) komen voor: Meester Eustaes Lauwaert, Messire
Jehan de Baenst, Jan van Casant (Cadzand). De
naam Lauwereyns/Laurin kwam in die schrijfwijze enkel voor in documenten
van de Franse adel.
De geschiedenis van Cadzand
tussen de 8e en de 16e eeuw
Cadzand (West-Vlaams: Kezand) was een dorp, gelegen in het uiterste
westen van de provincie Zeeland in Nederland. Het dorp telde 790 inwoners
in 2010. In 1970 hield de gemeente Cadzand op te bestaan. Ze werd opgenomen
in de gemeente Oostburg. Sinds 2003 is Cadzand een deel van de gemeente
Sluis. Tot Cadzand behoort ook Cadzand-Bad.
Situering: NL, Provincie Zeeland, deelgemeente van
Sluis
De geschiedenis van
Cadzand ging terug tot de vroege Middeleeuwen, toen het Oude Land
van Cadzand al was bewoond. Dit was een min of meer rond eiland
dat omsloten was door zeegeulen en dat
geleidelijk werd uitgebreid werd met nieuwe polders die om het eiland heen
lagen. Het cirkelvormige dijkenpatroon is nog altijd herkenbaar.
Oorspronkelijk
groeide het eiland als een zandplaat in de luwte van de eilanden Wulpen en Koezand die zich zeewaarts ten opzichte van het huidige
Cadzand bevonden. Wulpen zou al omstreeks 700 bewoond zijn. De eerste
bewoners van het Eiland van Cadzand hebben zich er vermoedelijk omstreeks
1050 gevestigd. Het was een domein van de Graven van Vlaanderen. Deze gaven
de opdracht tot bedijking. Deze vonden plaats door middel van kaden,
dijkjes van slechts 1 meter hoog. Het eerste poldertje heette Roffoelkin en daaromheen ontstonden nieuwe
poldertjes. Tussen 1050 en 1112 werd de hoeve gebouwd die Burggravensteen heette.
Enkele jaren voor
1089 werd de parochie Cadzand gesticht vanuit Aardenburg. Een houten
Mariakerk moet omstreeks 1100 aanwezig zijn geweest. In 1177 sprak men van
de Kerkpolder. De kerk was ondergeschikt aan de Sint-Baafsabdij
van Gent. De abdij bezat het patronaatsrecht en het tiende
recht. De stenen kerk moet vanaf 1250 zijn gebouwd maar van haar vroegste
geschiedenis is weinig bekend. In 1231 werd een verzoek gericht aan de
Sint-Baafsabdij om naast een pastoor ook een kapelaan aan te stellen, want
Cadzand had geen geestelijke wanneer de pastoor het eiland had verlaten en
stormweer zijn terugkomst had verhinderd.
In 1111 was er een
stormvloed, en in 1112 werden de kaden verhoogd tot dijken van 3,50 meter
hoog. Om dat te doen, moest aarde van het vasteland worden aangevoerd. De
naam Oudelandpolder kwam in zwang voor het omdijkte
gebied. Men maakte zo onderscheid met nieuwere polders die in de
latere Vierhonderdpolder en Tienhonderdpolder waren
aangelegd.
Vanaf 1115 hadden de
abdijen interesse in deze landaanwinst. Dat waren de Abdij Onze-Lieve-Vrouw
Ten Duinen van Koksijde, de Onze-Lieve-Vrouweabdij van
Broekburg, de Abdij Ter Doest van
Lissewege, de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en de Sint-Nicolaasabdij
van Veurne. In 1189 schonk Leonius van Cazant zijn leen aan de
Sint-Baafsabdij van Gent.
In opdracht van de
Sint-Baafsabdij werd vanaf 1250-1300 een eenbeukige Romaanse kerk gebouwd
in gele Vlaamse baksteen. In deze periode waren er berichten over
veerdiensten die werden onderhouden tussen Wulpen, het Eiland van Cadzand,
en het vasteland. Het Sint-Marie Veere was gratis.
Op 30 mei 1213 werd
Damme door de Fransen geplunderd. Daarna verloren de Fransen een zeeslag
tegen de Engelsen in de Sincfal, tussen Knokke en Cadzand. In de daarop
volgende jaren vonden er stormvloeden plaats. In 1295 was er een conflict
tussen graaf Floris V van Holland en de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre
over de heerschappij over Zeeland. De Hollanders verwoestten toen Sluis en
Cadzand.
Op 28 maart 1303
leidde Willem 's-Gravenzoon een plundertocht naar
Walcheren. Willem III van Holland nam wraak en trok vanuit Arnemuiden op
naar Terhofstede op het eiland van Cadzand. Brugge had soldaten gestuurd om
Cadzand te verdedigen, maar van een aaneengesloten dorp was nog geen
sprake. De troepen van Willem vertrokken dezelfde dag weer.
De 14e eeuw was
onrustig omdat zowel de Franse als de Engelse vloot regelmatig binnenviel.
In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog en vielen de Engelsen Frankrijk
vanuit het noorden aan. Ze bezetten het Eiland van Cadzand en versloegen
tijdens de Slag bij Cadzand het daar samengetrokken Franse
leger onder leiding van Lodewijk II van Nevers. Daarna werd Cadzand
geplunderd. Het was de periode dat er wisselende loyauteit was van
nakomelingen Lauwereyns die of voor de Franse koningshuis tekenden, of voor
de (van kamp wisselende) Vlaamse graven, of voor het Engelse koningshuis.
Ook in 1338 vonden
plunderingen door de Engelsen plaats. De Vlamingen kozen de Engelse zijde
om de toevoer van Engelse wol veilig te stellen. Op het eiland van Cadzand
werden opnieuw Franse troepen gelegerd om de Engelsen tegen te houden. Op
24 juni sneuvelden 25.000 soldaten. De Engelsen wonnen, samen met de
Vlamingen, en hingen de Franse leider op, Nicolas Béhuchet, aan een
scheepsmast. Uit wraak sloegen de Fransen aan het moorden, verkrachten en
plunderen op het eiland.
Meerdere opstanden,
zoals de Opstand van Kust-Vlaanderen van 1323-1328, bleken desastreus voor de
economie. In 1384 landden de Engelsen opnieuw op het eiland om Gent te
ontzetten dat werd belegerd door Brugge, Sluis en Aardenburg. In 1404
landden de Engelsen op het Eiland van Cadzand om van daar uit het Brugse
Vrije aan te vallen. Vanaf het eiland organiseerden ze plundertochten. Nog
in 1405 vonden plunderingen plaats, na een vergeefse poging van de Engelsen
om Sluis in te nemen.
De situatie
verbeterde er niet op, onder meer door dijkdoorbraken in 1394 en 1398 en
door stormvloeden zoals de Sint-Elisabethsvloed
van 1404 en de stormvloeden van 1471, 1477 en 1497. Ondanks deze
tegenslagen, werd er nog ingepolderd en herdijkt.
De Tienhonderdpolder in 1402, de Vierhonderd
Beoosten Terhofstedepolder in 1404,
de Strijdersgatpolder in 1415 en
de Zandpolder in 1423 werden (her-)aangelegd. Het darinkdelven maakte
de schade bij de stormvloeden evenwel groter.
Afbeelding: darinkdelvers
aan het werk, De verschillende stappen in dit
proces, dat ook wel selnering wordt
genoemd, zijn afgebeeld op een schilderij uit ca. 1540 in het stadhuis van
Zierikzee
De militaire situatie
bleef ongunstig. Men begeleidde vissersboten met konvooischepen om de Engelse
en Franse kapers te bestrijden. Nadat Filips de Goede getracht had om de
Engelse basis van Calais te veroveren, sloegen de Engelsen terug en vielen
ze Sluis opnieuw aan. In 1439 sloot Filips vrede met de Engelsen. In 1453
landden dan de Fransen opnieuw op Cadzand. Tijdens de Vlaamse Opstand tegen
Maximiliaan (1482-1492) werd Cadzand in 1491 ingenomen door Maximiliaan I
van Oostenrijk om de handel over het Zwin stil te leggen. De troepen
plunderden en stichtten brand. In 1492 werd de Vrede van Cadzand getekend.
De economie ondervond verder niet alleen hinder van stormvloeden, maar ook
door de aanvallen door Schotse zeerovers.
Hierna ving de
Tachtigjarige Oorlog aan. In 1572 namen de Watergeuzen Vlissingen in en
begonnen van daar uit te plunderen. Oorspronkelijk door Spaanse troepen
bezet, hielden de Geuzen uit Vlissingen regelmatig rooftochten op het
eiland, die landgangen werden genoemd. In 1582 werd vanuit
Cadzand verzocht om een predikant, maar sinds 1587 had Parma de streek weer
op de Staatsen veroverd en was ook Cadzand weer Spaans. Door de inundatie
van 1583 liepen vele van de polders onder water en werd het Oude Land van Cadzand
weer geheel door zeegeulen omgeven.
Pas decennia later
werd er op grote schaal heringedijkt. Het eiland
van Cadzand raakte ontvolkt. Er huisden wolven. De Spanjaarden bouwden in
1593 een fort in Cadzand en in 1598 werd Fort Terhofstede
opgericht. In 1602 werd de Grote Sint-Annapolder drooggelegd
en werd het eiland van Cadzand met dat van Groede verbonden.
|
1247 - van Velthuysen en van Gelre
We weten niet hoe de
familie van Johanna van Velthuysen in Brugge terecht kwam. De
familie kwam oorspronkelijk uit het Gelderland en er waren in ieder geval
banden met het graafschap Vlaanderen via het geslacht van Gelre.
Afbeelding: het familiewapen Velthuysen
omstreeks 1250 (Bron: Veluwse geslachten, afbeelding onder publiek domein).
Merk de gelijkenissen met het familiewapen de la Tour in 1400. Het
wapen werd gevoerd door Evert van Velthuysen, die een gelijknamige
hoeve bewoonde in Ede in de het Gelderland (Gelre), in Nederland.
De
familie van Velthuysen was leenplichtig aan de graven en hertogen
van Gelre tussen de 12e en de 14e eeuw, en aan van
Gelre van Egmont in de 15e eeuw. Vermoedelijk waren zij schildboortige
ministerialen (dienaren in krijgsdienst)
die in de ridderstand waren verheven of tot (schild)knaap.
Ook de families van Rheden, van den Bergh en van Baer waren
bannerheren die net als van Velthuysen tot de oude geslachten in
Gelre behoorden.
De stamouder van het
geslacht van Gelre was Gerard Flamens van Antoing,
een Vlaming die in 1033 het graafschap Vlaanderen was ontvlucht nadat
Boudewijn, de graaf van Vlaanderen, hun domein had veroverd op het Heilig
Rooms Rijk. Hij was door bemiddeling van keizer Hendrik II heer van
Wassenberg geworden.
Tegelijk werd zijn broer Rutger de eerste heer van Kleef (van Cleve).
Aan het eind van de 11e eeuw verhuisde de familie van
Wassenberg naar Gelre en werden zij de heren van Gelre.
 Afbeeldingen:
wapen van Jan IV van Melun, heer van Antoing (1397-1448) dat
zich in de Sint-Romboutkathedraal van Mechelen bevond, een ridder van het
Gulden Vlies (© laurentii.be, mei 2024). Grootvader Jan I van Melun
(zie afbeelding rechts) was in 1329 gehuwd met Isabeau van Antoing,
waardoor zijn nakomelingen de titel voerden. Ook Johan I, hertog van
Kleef (1419-1481) en Adolf van Kleef, heer van Ravenstein
(1425-1492) waren ridders van het Gulden Vlies (zie wapenbord Johan van
Kleef onder). De voormalige en toenmalige heren van Antoing
troffen elkaar in dezelfde ridderorde vier eeuwen na de vlucht van Gerard Flamens.
Kleinzoon
Gerard III van Wassenberg (1022-1068) was geboren als zoon van
Gerard II Flamens en Adela van Hamaland, en hij was gehuwd
met Margaretha van Leuven, een dochter van de Hendrik I van
Leuven. Een jongere broer Willem was in 1024 geboren en werd op
canonieke leeftijd in 1053 tot bisschop van Utrecht benoemd. En de verder
vermelde Dirk van der Veluwe was nog een broer van Gerard III. Een
nakomeling van Gerard III, achter-achterkleinzoon Otto van Gelre
(1150-1207), nam deel aan de kruistocht van Richard Leeuwenhart in
1188-1192, waaraan ook Robert Lauwereyns / Lawrence, een voorouder van Odin
had deelgenomen. Gerard III had overigens ook een dochter Judith die in 1108 huwde met Walram van Limburg
en een dochter Jolanda die in 1106 huwde met Boudewijn van Henegouwen.
De familie was goed geconnecteerd.
Achterkleinzoon
Gerard IV van Gelre (1207-1229) “de Lange” was gehuwd met
Margaretha van Dampierre, een dochter van Gwijde van Dampierre, tante
van de Willem van Dampierre waarmee Odin Lauwereyns van
Diepenhede op kruistocht trok in 1248-1254. Willem was overigens gehuwd
met een dochter van Hendrik II van Leuven, een kleinkind van de
hoger vermelde Hendrik I van Leuven.
Afbeelding:
het praalgraf van Gerard III van Gelre en Zutphen (1185-1229) en
zijn echtgenote Margaretha van Brabant (overleden in 1231) in de Munsterkerk
van Roermond, naar een tekening ui 1869.
Een
achterkleinzoon Reinhoud van Gelre (1295-1343) was in Mechelen in
1378 gehuwd met Sophia Berthout, een dochter van Floris Berthout, heer
van Mechelen, en Mathilde van der Marck. De broers van Gerard IV
“de Lange” waren Hendrik van Kriekenbeek, Goswin van Heinsberg
en Dirk van Kleef, de opvolger van Rutger van Kleef als graaf
van dat gebied.
Andere familiewapens met zwanen in de omgeving
van Brugge
Afbeelding: voorbeelden van
familiewapens met zwanen merlettes uit Brugge (afbeeldingen uit het
Handschrift De Hooghe, Brugge, 1700, onder publiek domein).
|

Merlettes in het familiewapen van De Vrient in de 16e eeuw
|

Merlettes in het familiewapen Hellinck, 17e eeuw.
|

Merlettes in het familiewapen Lauwers vanaf 1500.
|
976 -
Oorsprong van de naam Diepenhede
We weten verder dat Lauwereyns in 1247 de titel
"heer van Diepenhede"
voerde. Diepenhede is een afleiding van Diepenée/Diepene, één van de
drie gebieden van het voormalige eiland Zaamslag (Saemslagh). Het
eiland bestond drie gebieden: Othene, Diepene en Aendyke. Het deelgebied
Diepenhede bestond uit opgeworpen en gewonnen polderland. Het lag volledig
aan de Schelde en behoorde in de 13e eeuw aan de heren van
Cadzand, de voorouders van Odin Lauwereyns. Het eiland werd verzwolgen
door het water en nooit echt hersteld, toen in 1404 de dijken om
oorlogsredenen werden doorgestoken om Zaamslag te vernietigen.
Etymologisch,
of naar de betekenis van de naam, zou Diepenhe(e)de een verwijzing zijn
naar een "plaats aan het diepe water".
In essentie ging het om weidegrond voor schapen. Deze gronden werden vermeld in een brief van de
paus uit 976 waarbij hij de eigendommen van de Sint-Baafsabdij bevestigde
in de Pagus Scaldis (de bocht van de Westerschelde). Ook abt
Othelbold van de Sint-Baafsabdij (1019-1030) beschreef in een brief aan
gravin Otgiva, het eigendom Depena als de schaapsgronden gelegen aan de
Diopa: "Tongrot inter duos et Buoclaca Diopa." Tussen de Diopa (de
Otheense kreek) en de Buoclaca (Boekhoute, nu de Braakman) lag
Tongrot (Terneuzen).
Kaart onder: situering
van Diepenhede op het voormalige eiland Zaamslag (kaartbewerking Google
maps onder gebruiksvoorwaarden, 2016).

Dit leidde tot de aanwijzing dat Diepenhede pal
ten noorden van Othene lag, en dat het na de onderwaterzetting om militaire
redenen, verdwenen was in de bocht van de Westerschelde.
Andere vermeldingen waren Depana (1003), Diepena
(1040) en daarna Diepene en Diepenee. Aan de overkant
van de Diopa lag Hoek, waar de heerlijkheid van Steelant was gelegen
aan de nog bestaande kreek Braakman. Diepenee was oorspronkelijk
eigendom van de heren van Cadsant. Zowel in Axel als in Borsele
bestaat er nog een Diepeneestraat.

Afbeelding: kaart met
meldingen van voorouders rond de Viking-tijd. Uit
de moederparochie Aardenburg kwamen Cadesant, Hannekenswerve (bij
Draaibrug) en Lammensvliet (het
latere Sluis) voort. Deze parochies waren enkele jaren vóór
1089 gesticht.
Zaamslag
De Torenberg was het kasteel van Zaamslag,
gebouwd/herbouwd in 1193. Men houdt er rekening mee dat de motte van de
Torenberg gevormd is in de vroege middeleeuwen. Dat zou ongeveer in de
Vikingtijd vallen. Eén
van de indicaties van blijvende verwantschap van Lauwer(eyn)s
met de heren van Saemslagh, vinden we bij meisenier ('vrije man') Rombout
Lauwers die in 1620 in Grimbergen huwde met
Katrien Verlinden. Rombout werd vermeld als "colonus di Saemslagh".
In
1620 was Zaamslag al lang niet meer in handen van de oorspronkelijke
familie, en in de 16e eeuw was het land in handen gekomen van de familie van Heetvelde (die
in het hertogdom Brabant resideerden) en achtereenvolgens door huwelijken
van dochters in handen van de families de Quarré,
de Fourneau. Zaamslag verdween door
oorlogshandelingen onder de golven en werd in 1646 als verdronken land
verkocht aan Jan Melis, de heer van Saeftinghe.
Afbeelding onder: kaart met
meldingen van voorouders rond de Vikingtijd. Uit de moederparochie
Aardenburg komen Cadesant, Hannekenswerve (bij
Draaibrug) en Lammensvliet (het latere Sluis) voort. Deze
parochies waren enkele jaren vóór 1089 gesticht.

Verwantschap met Lawrence van
Engeland
"Lauwere(y)ns"
klinkt als een Vlaamse variant op het Engelse "Lawrence". We
weten dat er relaties waren met Engelse families. Onder meer de
achterkleinzoon van Odin, ridder Robert Lauwereyns , vermeld in Brugge in
1330, vertrok naar Engeland. Ook een vergelijkend DNA-onderzoek wijst op
een mogelijke genetische verwantschap met de Lawrence families van
Lancashire. In deze periode is er in de stamboom van Lawrence
onzekerheid over de afkomst van een Robert Lawrence. Op de kruistocht met
Richard Leeuwenhart in 1187 is er sprake van een Robert Lawrence (van
Lancaster) in het gevolg van de Engelse koning. Dit was 60 jaar of 2
generaties eerder, voor de kruistocht van Odin Lauwereyns. Zijn wapen, met
de verwijzing naar de Heilige Drievuldigheid en eerdere kruistochtexploten,
was ouder dan Odin zelf.
Van
deze Robert Lawrence weten we dat hij per boot via
Cyprus naar Palestina trok en er deelnam aan het beleg van Akaba. Hij wist
zich te onderscheiden - volgens de legende omdat hij met vier anderen de
muren beklom en de stadspoorten opende, of omdat hij de eerste was om de
kruisvaardervlag te hijsen - waardoor hij door koning Richard in 1191 tot
ridder werd geslagen en in het bezit kwam van Aston Hall. Volgens nog een
andere bron werd deze Robert Knight-Banneret, een militair
ridderschap van de hoogste orde in de middeleeuwen.
Afbeelding: het wapen van de ridder
Robert Lawrence van Lancaster in 1191 nadat hij de Engelse koning Richard
"Leeuwenhart" vergezelde op de kruistocht van 1187. Het kruis
kwam later voor in een variant op het familiewapen Lauwereyns.
De
kruisridder Robert Lawrence van Lancaster voerde voor het eerst een
zilveren wapen met een keel (rood) kruis bestaande uit takken. De naam
"van Lancaster" kwam toen nog vaker voor dan de
familienaam Lawrence die pas in de 13e-14e eeuw in voege kwam.
Het
devies “Ad Laurum non aurum” (begin 13e eeuw – “Onversaagd
in moeilijke tijden”) van Odin Lauwereyns, zou in latere eeuwen bij de
familie ook onder de vorm “Virtus Inarduo” (einde 13e eeuw
- “Dapperheid in moeilijke omstandigheden”) behouden blijven. Dit
devies is gelijkaardig met enkele deviezen van Lawrence in Engeland, maar
het familiewapen van deze Lawrence families van Lancashire had een heel
ander uitzicht.
De koningen en prinsen van Wales
Een
populair lied van Dafydd Iwan "Yma O
Hyd" bezong dat het
volk van Wales nog steeds bestond sinds de tijd van Macsen Wledig in de 5e eeuw. Dit
was de Welshe naam van de Romeinse veldheer Magnus Maximus die
gouverneur was van Brittannië die het eiland verliet, waarna het rijk van 'Bretoense'
Wales ontstond naast het Germaanse Engeland en het Keltische Schotland.
Bretoense
koninkrijken overleefden enkel in Strathclyde, Cornwall en Wales en
van een eerste eengemaakt koninkrijk Wales kon allicht pas worden gesproken
vanaf Rhodri Mawr "de Grote"
(820-878), Huwel Dda "de Goede"
(890-950), Gruffud app Llywelyn (1039-1063), Llywelyn ap Iorwerth "de
Grote" (1194-1240) en Llywelyb ap Gruffudd (1248-1282).
Rhodri
Mawr was de eerste die de titel van koning voerde van Wales tussen 844-878,
kort nadat Egbert, koning van de West Saxen en later van Kent, de eerste
koning van de Angels werd tussen 829-830. Rhodri was een zoon
van Merfyn Frych en was aanvankelijk koning van Gwynedd, tot
844 na zijn vaders dood, koning van Powys tot 855 na de dood van zijn
nonkel en van Seisyllwg na de dood van zijn schoonbroer in 872.
Rhodri verdedigde zijn gebieden tegen de Deense Vikings en de Engelsen. Hij
werd gedood in 878 bij een veldslag tegen de Engelsen van Mercia. Zijn
kleinzoon Hywel ap Cadell ap Rhodri herstelde
de eenheid vanaf 904, en bij de unie met Gwynedd en Powys in 942 was Wales
bijna volledig terug verenigd met uitzondering van Glamorgan.
Hywel
zou vooral bekend blijven voor de manier waarop hij de wetten van Wales
consolideerde, ontstaan uit oude gebruiken, met bouwstenen als genade,
gezond verstand en de bescherming van de rechten van vrouwen en kinderen.
De
enige die alle oude koninkrijken van Wales wist te verenigen tussen
1055-1063, was Gruffudd ap Llywelyn (1007-1063) ondanks het feit dat
het Welshe volk al vijf eeuwen een gemeenschappelijke taal, cultuur,
geschiedenis, religie en wetgeving deelde. Hij was een zoon kleinzoon
van Maredudd ab Owain, de koning van Deheubarth, en
zoon van Llywelyn ap Seisyllt, die
over Gwynedd heerste. Hij veroverde andere delen van Wales en land
van Offa's Dyke op Engelsen die zich
daar hadden gevestigd. Gruffudd hield hof in Rhuddlan, maar zou
verslagen worden door Harold, graaf van Wessex. Hij werd
vermoord door een Welshman.
Llywelyn ap lorwerth (1173-1240)
zou ruim een eeuw later de grootste koning van Wales worden. Nadat hij in
1202 zijn voordeel had gedaan door de onderlinge strijd van zijn nonkels en
over Gwynedd heerste, volgden Deheubarth na de dood van Lord Hys,
en Powys. In 1205 huwde jij Johanna, de dochter van koning John van
Engeland, en trok hij met zijn schoonvader ten strijde tegen koning
Willem van Schotland. Koning John verraadde hem echter en trok Gwynedd
binnen, waardoor Llywelyn zich in de westelijke bergen moest verschuilen.
Doordat koning John onenigheid kreeg met zijn baronnen, en met de paus,
heroverde Llywelyn het noorden en in 1216 werd hij erkend als Overlord
door het Welshe parlement, ook door Hendrik III van Engeland in 1218.
Hij
zou de geschiedenis ingaan als een markant diplomaat en militair strateeg -
herziening van de wetten van Hywel Dda, verbetering van de
administratie in Wales, goede relaties met de paus en de Engelse kerk - en
zou sterven als monnik in het klooster van Aberconwy in 1240. De
laatste koning werd Llywelyn ap Gruffudd (1246-1288) die het rijk
aan zijn zoon Dafydd wilde overlaten. Dafydd werd echter tot overgave
gedwongen door de Engelse koning Hendrik III en Llywelyn ging de strijd aan
door Engelse bolwerken aan te vallen.
Llywelyn
nam in 1258 de titel "Prince of Wales" aan en werd hierin
erkend door de andere Welshe heersers. De overmacht van de
Engelsen was evenwel niet meer te ontkennen. Llywelyn verloor de
heerschappij over de landen ten oosten van de Conwy en werd in 1282
vermoord door Engelse soldaten. Llywelyns hoofd werd in Londen op een staak
geplaatst en tentoongesteld als verrader.
|
©
Foto's Viking Thing Elewijt, 2013 en viking helm replica, 2015 uit collectie
laurentii.be - bewerking kaart (c) Google maps, 2013 onder
gebruikslicentie - Schilderij turfstekers, 1540 en bewerking prent en
kaarten Cadsand 900-1250 uit private
collectie (originelen onder Public Domain) - (c) gestyleerd familiewapen
van L. Lauwens, 2015 - Scan wapen de Baenst uit Boek D'hooghe, 17e eeuw en voorstelling wapen Lawrence
1191 onder Public Domain.
|

|