Afbeelding met tekening

Automatisch gegenereerde beschrijving

© Laurentii.be, 2026

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

Inhoud (hoofdmenu)

 

·         Blog

·         E-boeken (pdf)

·         Gezinsreconstructies (per gemeente)

·        Genealogie (deze reeks)

·         Indices (zoekfunctie)

·         Startpagina (Home)

·         Thematisch

·         Verhalen (chronologisch)

·         Verwante families

________________________

Verwante stamlijnenontstaan

Voornaamste stamlijnen, datum ontstaan familiewapen is bij benadering

[*] rechtstreekse voorouders auteur

 

 Lauwens / Lauwers Hombeek-Leest (Kleinbrabant)1568

 Lauwens / Lauwers andere van voorouderlijke lijn1568

^

Afbeelding met symbool, embleem, wapen, clipart

Automatisch gegenereerde beschrijving1468 Lauwereyns van Watervliet

Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met tekst, logo, symbool, tekenfilm

Automatisch gegenereerde beschrijving 1300 Afbeelding met symbool, embleem, wapen, insigne

Automatisch gegenereerde beschrijving1506  1540 Lauwereyns, Lauwerens, Lauwens, Lauwers

1571 Lauwers (graafschap Vlaanderen)

1550 Lauwers (Holland)

1636 Laureinsens

image0561464  Lauwereyns van Terdeghem

^

865-1247  Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)

________________________

 

 

BRUg I – 000001 - GEZIN Lauwereyns – Van Velthuysen 1247 Brugge [*]

Odin Lauwereyns  (Othon) van Diepenhede huwde omstreeks 1247 in Brugge met Johanna van Velthuysen. Zijn familienaam werd ook gespeld als Lauwerens, Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys en Lawrence. Hij was een zoon van Robert Lauwereyns Afbeelding met tekst, illustratie

Automatisch gegenereerde beschrijving [ZIE LANc – A01000001], was ridder[1] en hij was kruisvaarder tussen 1248-1254 in het gevolg van de Vlaamse graaf Willem “Gwijde” van Dampierre. Dat was de zogenaamde zevende kruistocht georganiseerd door de Franse, en later heilig verklaarde, koning Lodewijk IX. Odin overleefde dit avontuur niet. Hij overleed op de terugweg van de kruistocht in Cyprus in 1250 en zag zijn gezin met jonge kinderen in Brugge niet terug. We weten van twee zonen, geboren voor hij op kruistocht trok.

Odin Lauwereyns van Diepenhede was een nakomeling van de heren van Cadsant, met name van Laurens van Cadsant, via voorouders Lauwereyns in kust West-Vlaanderen en Engeland – waar de naam gelijkaardig werd uitgesproken, maar als Lawrence werd gespeld.

·         Willem Lauwereyns  (Willemar) werd geboren omstreeks 1247 te Brugge [ZIE BRUg II – 000010].

·         Jan Lauwereyns  (Jan) werd geboren omstreeks 1248 te Brugge [ZIE BRUg II – 000011]. Hij werd ook vermeld in Ieper in 1250 [*].

 

 

1248 - Odin, ridder van Vlaanderen en kruisvaarder in het gevolg van Gwijde van Dampierre

 

image005.jpgOdin Lauwereyns was heer van Diepenhede, een ridder die de Vlaamse graaf Willem (Gwijde) van Dampierre[2] vergezelde op de kruistocht van Lodewijk IX van Frankrijk tussen 1248 en 1254.

 

Koning “Saint-Louis” (1215-1270) en zijn leger vertrokken in 1248 vanuit Aigues-Mortes[3] dat toen nog aan de Middellandse zee lag. Odin trok in het gevolg van Willem van Dampierre via Cyprus naar Egypte. Odin was net voor de tweede keer vader geworden nadat hij omstreeks 1247 in Brugge met Johanna van Velthuysen was getrouwd. Op 6 juni  1249 veroverde het leger de Egyptische stad Damiate[4]. Doel was om Jeruzalem te heroveren op de Saracenen, die de stad in 1244 op de kruisvaarders hadden  veroverd, de zes eerdere kruistochten ten spijt.

 

Aigues-Mortes

Koning Lodewijk IX, de Heilige, kreeg van monniken uit de abdij van Psalmody een stuk zoutmoeras en liet er de stadskern tussen 1246 en 1272 bouwen. De stadsmuren werden er pas tussen 1272 en 1310 omheen gebouwd.

 

Afbeelding: uit een 14e -eeuws manuscript van Guillaume de Saint-Pathus. Koning Lodewijk IX met zijn leger onderweg in 1248 – ook wel bestempeld als “De aankomst in Nicosia”. Onder een kaart die de 7e Kruistocht van Aigues-Mortes situeerde via Cyprus en  Damiate tussen 1148 en 1254. Er werden acht kruistochten op aangegeven.

image006.jpg

Drie broers van Lodewijk IX namen deel: Alfons, graaf van Poitiers en Toulouse, Robert van Artois en Karel I, graaf van Anjou. Het leger bestond uit 1500 schepen en zo'n 25.000 tot 35.000 man, van wie 1500 ridders en 5000 kruisboogschutters.

Gedurende  tien maanden werd het Egyptische Damiate bezet [zie prent belegering Damiate in 1249, Jan Wagenaar, Vaderlandse Historie, 1800, onder publiek domein].

Sultan As-Salih Ayyub onderhandelde met Lodewijk en bood Jeruzalem aan in ruil voor Damiate, maar de kruisvaarderbaronnen besloten Alexandrië aan te vallen. Lodewijks broer Robert van Artois zette in 1250 een aanval in op Cairo en kwam hierbij om, samen met een groot aantal Tempeliers. Lodewijk wist met moeite zijn positie aan de Nijl aan te houden en het overlijden van sultan Ayyub en de zwakke positie van diens omstreden opvolger Al-Muazzam Turanshah speelden enige tijd in zijn voordeel.

image010.jpgEn toch keerde het tij. Ziekten in het moerassige Nijlgebied eisten een zware tol in het kruisvaarderleger. De moslims wisten tachtig schepen te veroveren en de opvarenden te doden. Van het leger dat aan de kruistocht was begonnen bleven steeds minder mensen over, geteisterd door ziekte en honger. Sommigen gingen terug naar huis, sommigen sneuvelden, anderen werden gevangengenomen door de Arabieren. De moslims brachten Lodewijk en zijn leger in het nauw en uiteindelijk konden de 'Franken' geen kant meer op, verslagen door het klimaat en de aanvallen van de Saracenen.

image012.jpgAfbeeldingen: Willem van Dampierre, zoon van Margaretha van Constantinopel en een zilveren anonieme denarius met gehelmd portret en dubbellijnig kruis, geslagen in het graafschap Vlaanderen onder Margaretha II, zuster van Hendrik II en dochter van Boudewijn IX, gravin van Vlaanderen tussen 1244-1278.

Het leger van de kruisridders werd ten slotte in april 1250 verslagen bij Al Mansurah (Egypte) in 1250, waar een van de commandanten de latere sultan Baibars was.

Lodewijk IX, zijn ridders en zijn leger werden gevangengenomen. Frankrijk moest voor Lodewijk de enorme losprijs betalen van 400.000 livres tournois[5]. Daarna werden Lodewijk en diens leger vrijgelaten. De meeste militairen keerden terug naar huis, maar Lodewijk IX voer naar Syrië. Daar wachtte hij vier jaar op versterking en verdedigde de kuststeden.

Foto rechts: replica van een stalen handgesmede Viking helm met maliënkolder naar een vondst van +- 800. Het stalen neusstuk was typisch voor Noormannen. Ook kruisridders gebruikten dit soort helmen. (Privé collectie Laurentii)

Hij stuurde de Vlaamse franciscaan Willem van Ruysbroeck naar Möngke, de koning van de Mongolen, om een einde te maken aan het bondgenootschap met de moslims. Toen dit mislukte keerde ook Lodewijk IX terug naar Frankrijk omstreeks 1254.

Van Willem van Dampierre weten we dat hij werd gevangen genomen in Damiate in 1250, vervolgens werd vrijgekocht, en dat hij terugkeerde naar Vlaanderen. Toen Willem met twee broers Alfons en Robert werd vrijgekocht voor 8000 pond, werd slechts de helft daarvan betaald door de Franse koning. Als waarborg voor de betaling van de andere helft[6], lieten zij heel wat edellieden die hen hadden vergezeld als gijzelaar achter.

Odin Lauwereyns keerde op dat moment niet mee terug naar Vlaanderen. Volgens Franse bronnen was hij één van de achtergebleven gijzelaars en maakte hij de veldtocht in Syrië nog mee in het gevolg van Lodewijk IX. Hij overleed op de terugweg, in Cyprus, en keerde nooit terug naar Vlaanderen.

Willem van Dampierre, die wel was teruggekeerd, zou op 5 mei 1251 overlijden tijdens een ongeval op het tornooi van Trazegnies[7].

Het familiewapen van Odin Lauwereyns bestond uit drie zwanen, niet gebekt en gepoot, zgn. “merlettes”. Zijn wapendevies was “Ad laurum non aurum”, wat letterlijk vertaald “Voor de eer, niet voor het goud” betekende, en het werd vertaald als “Onversaagd in moeilijke tijden[8]. De oorsprong van het wapen werd aangewezen als afkomstig van een Deense Viking, leenman van de graven van Vlaanderen, aangesteld om het rijk te verdedigen tegen andere Vikings[9]. De tak van de heren van Diepenhede ontstond aan het begin van de 13e eeuw, residerend in Brugge tot omstreeks 1560, waarna ze verhuisde naar Duinkerken en Sint-Winoksbergen in Frans-Vlaanderen. De erkenning in de Franse adel gebeurde in juni  1719 door koning Louis XV, in navolging van de erkenning onder de graven van Vlaanderen, de hertogen van Boergondië en de koningen van Spanje.

 

De precieze kleuren van zijn wapen waren gekend. Het ging om zilveren merlettes op zwart met daaronder een rode ondergrondgrond die zichtbaar kwam bij beschadiging van de bovenste laag, en deze rode onderlaag was herkenbaar in latere varianten van het familiewapen. Odin Lauwereyns was één van de oudste gedocumenteerde stamouders van onze familie in het toenmalige Graafschap Vlaanderen en voerde een wapen met drie zwanen, met de spreuk "Ad laurum non aurum" of "Voor de eer, niet voor het goud".

Zogenaamde merlettes werden soms toegekend aan ridders die zich verdienstelijk maakten tijdens de kruistochten. Wanneer ze met drie voorkwamen, hield dit een verwijzing in naar de Heilige Drievuldigheid. Bij het familiewapen Lauwereyns ging het aanvankelijk om merlettes van zwanen. Al in de 11e eeuw waren er familiewapens met merlettes bekend.

Afbeelding onder: verzameling kruisvaarder munten (voor- en achterzijde) uit Cyprus, 13e-16e eeuw (© laurentii.be uit private collectie, 2018).

image027.jpgimage029.jpg

 

De heren van Cadsant, voorouders van Odin Lauwereyns van Diepenhede

 

Het familiewapen gevoerd door Odin Lauwereyns van Diepenhede in 1247, werd eerder gevoerd door de heren van Cadsant. De precieze achtergrondkleur van het wapen werd niet beschreven, en dus nakomelingen gingen er onterecht van uit dat dit keel (rood) was. Dat was de kleur die in latere wapenschilden werd overgenomen. Het wapen van de heren van Cadsant had als achtergrondkleur nochtans sabel (zwart), maar de onderlaag bestond uit keel. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het verduurde oorspronkelijke wapen tot de latere interpretatie van een keel achtergrond leidde.

 

De drie zilveren zwanen kwamen voor in het oudste schild van Lauwereyns. De heren van Cadsant droegen een gelijkaardig wapenschild van sabel (zwart) met drie zilveren zwanen al vanaf het begin van de 10e eeuw. Andere bekende takken als Heindericx en de Baenst namen de zwanen eveneens over. De zilveren zwanen duidden op adel en het aantal drie op de Drievuldigheid.

 

Afbeeldingen: het wapen van Odin Lauwereyns van Diepenhede in 1247 in Brugge, en het wapen van de familie de Baenst in Brugge.

 

De familie de Baenst voegde een dwarsbalk toe en plaatste de drie zwanen erboven (zoals later ook  bij Lauwereyns). Het hof van St.-Joris te Brugge werd door Jan III de grootvader van Margaretha de Baenst gebouwd. Zij verkocht het in de 15e eeuw aan Hieronymus Lauwereyns van Watervliet. De wapenschilden van de Baenst werden noch door Hieronymus noch door zijn nazaten verwijderd. Dit wees er op dat er respect was tussen de families en dit verwees naar de bloedband. Hieronymus had verder de dijkrechten van de Waterlanden gekocht aan de vader en de achterneef van Margaretha toen Anthony stierf. Zijn project met de dijkrechten van Assenede tot Cadzand was te groot geworden. Het lag in de lijn van verwachtingen dat bij voorkeur aan familie werd verkocht. Voor dergelijke werken was immers veel samenwerking nodig. De Lauwereyns familie behield relaties met Cadzand. In 1494-1496 was Jacques Lauwereyns schatbewaarder van o.m. Koksijde en Cadzand.

 

De heren van Cadsant stamden volgens de overlevering in rechte lijn af van de koningen van Wales, en er was een onmiskenbare relatie met Vikings. De eerste heer van Cadsant werd door de graaf van Vlaanderen omstreeks 820 op het eiland geïnstalleerd om de noordergrens te beschermen tegen (andere) invallende Noormannen. De titel Heer van Cadsant werd opgeheven begin 13de eeuw en de kinderen kregen nieuwe familienamen.

 

De nazaten van Willem van Cadsant die op het kasteel Baenst woonden, werden "de Baenst" genoemd, de nazaten van Hendrick van Cadsant zouden de naam Heindericx aannemen en de nakomelingen van Laurens van Cadsant namen Lauwereyns, in het Engels gelijkaardig uitgesproken maar gespeld als Lawrence, aan.

 

Afbeelding: het vroegere eiland Cadzand in de 9e eeuw.

 

Op de kruistocht van 1096 met Godfried van Bouillon vergezelde Antonie van Cadsant Robert van Vlaanderen. Dit was 150 jaar of 6 generaties eerder dan de kruistocht van Odin Lauwereyns. Antonie was volgens sommige bronnen een afstammeling van 'een lerschen koning' [de koningen van Wales nvdr.], die in de 9e eeuw, na een geschil met een der koningen van Engeland, was uitgeweken, en die in Rodenburg (nu Aardenburg in Zeeuws Vlaanderen) voet aan wal zette. De voorouder van Antonie ('Iago ab Cadfan') kreeg van Liederik de Buck, 'den forestier van Vlaanderen' [zie afbeelding: Liederik II afgebeeld in de Flandria illustrata uit 1641], goederen in Casant (Cadzand), waar hij een slot bouwde en het recht ontving om munt te slaan. Bij de strooptochten van Noormannen werd dit ‘kasteel’ verwoest omstreeks 874 en de zoon (Frederik) en kleinzoon (Acturus), toen heer van het eiland Casant, werden gevangen weggevoerd door de verwante Deense Viking Rollo [zie prent ‘Cadsant 865’, van Albert Robida uit 1895, onder Publiek domein].

 

De (klein-)zoon, vader van Antonie, werd door Rollo afgestaan aan de koning van Frankrijk en huwde de dochter van de hertog van Suffolk. De oudste zoon van Antonie zou het slot, eerder een versterkte hoeve, heropbouwen. Er was melding van de bouw van een hoeve op Cadzand tussen 1050 en 1112 met de naam BurggravensteenAntonie voerde naar verluid in zijn wapenschild een dwarsbalk, met drie merlettes in het schildhoofd en nam later dat van een door hem overwonnen Saraceens kampvechter aan, zijnde een rode arm of mouw, de hand gevuld met een zon of maan.

 

In de lijst van edelen in het graafschap Vlaanderen onder Lodewijk van Male (1346-1384) komen voor: Meester Eustaes Lauwaert, Messire Jehan de Baenst, Jan van Casant (Cadzand). De naam Lauwereyns/Laurin kwam in die schrijfwijze enkel voor in documenten van de Franse adel.

 

De geschiedenis van Cadzand tussen de 8e en de 16e eeuw

 

Cadzand (West-Vlaams: Kezand) was een dorp, gelegen in het uiterste westen van de provincie Zeeland in Nederland. Het dorp telde 790 inwoners in 2010. In 1970 hield de gemeente Cadzand op te bestaan. Ze werd opgenomen in de gemeente Oostburg. Sinds 2003 is Cadzand een deel van de gemeente Sluis. Tot Cadzand behoort ook Cadzand-Bad.

 

Situering: NL, Provincie Zeeland, deelgemeente van Sluis

 

De geschiedenis van Cadzand ging terug tot de vroege Middeleeuwen, toen het Oude Land van Cadzand al was bewoond. Dit was een min of meer rond eiland dat omsloten was door zeegeulen en dat geleidelijk werd uitgebreid werd met nieuwe polders die om het eiland heen lagen. Het cirkelvormige dijkenpatroon is nog altijd herkenbaar.

 

Oorspronkelijk groeide het eiland als een zandplaat in de luwte van de eilanden Wulpen en Koezand die zich zeewaarts ten opzichte van het huidige Cadzand bevonden. Wulpen zou al omstreeks 700 bewoond zijn. De eerste bewoners van het Eiland van Cadzand hebben zich er vermoedelijk omstreeks 1050 gevestigd. Het was een domein van de Graven van Vlaanderen. Deze gaven de opdracht tot bedijking. Deze vonden plaats door middel van kaden, dijkjes van slechts 1 meter hoog. Het eerste poldertje heette Roffoelkin en daaromheen ontstonden nieuwe poldertjes. Tussen 1050 en 1112 werd de hoeve gebouwd die Burggravensteen heette.

 

Enkele jaren voor 1089 werd de parochie Cadzand gesticht vanuit Aardenburg. Een houten Mariakerk moet omstreeks 1100 aanwezig zijn geweest. In 1177 sprak men van de Kerkpolder. De kerk was ondergeschikt aan de Sint-Baafsabdij van Gent. De abdij bezat  het patronaatsrecht en het tiende recht. De stenen kerk moet vanaf 1250 zijn gebouwd maar van haar vroegste geschiedenis is weinig bekend. In 1231 werd een verzoek gericht aan de Sint-Baafsabdij om naast een pastoor ook een kapelaan aan te stellen, want Cadzand had geen geestelijke wanneer de pastoor het eiland had verlaten en stormweer zijn terugkomst had verhinderd.

 

In 1111 was er een stormvloed, en in 1112 werden de kaden verhoogd tot dijken van 3,50 meter hoog. Om dat te doen, moest aarde van het vasteland worden aangevoerd. De naam Oudelandpolder kwam in zwang voor het omdijkte gebied. Men maakte zo onderscheid met nieuwere polders die in de latere Vierhonderdpolder en Tienhonderdpolder waren aangelegd.

 

Vanaf 1115 hadden de abdijen interesse in deze landaanwinst. Dat waren de Abdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen van Koksijde, de Onze-Lieve-Vrouweabdij van Broekburg, de Abdij Ter Doest van Lissewege, de Sint-Pietersabdij van Oudenburg en de Sint-Nicolaasabdij van Veurne. In 1189 schonk Leonius van Cazant zijn leen aan de Sint-Baafsabdij van Gent.

 

In opdracht van de Sint-Baafsabdij werd vanaf 1250-1300 een eenbeukige Romaanse kerk gebouwd in gele Vlaamse baksteen. In deze periode waren er berichten over veerdiensten die werden onderhouden tussen Wulpen, het Eiland van Cadzand, en het vasteland. Het Sint-Marie Veere was gratis.

 

Op 30 mei 1213 werd Damme door de Fransen geplunderd. Daarna verloren de Fransen een zeeslag tegen de Engelsen in de Sincfal, tussen Knokke en Cadzand. In de daarop volgende jaren vonden er stormvloeden plaats. In 1295 was er een conflict tussen graaf Floris V van Holland en de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre over de heerschappij over Zeeland. De Hollanders verwoestten toen Sluis en Cadzand.

 

Op 28 maart 1303 leidde Willem 's-Gravenzoon een plundertocht naar Walcheren. Willem III van Holland nam wraak en trok vanuit Arnemuiden op naar Terhofstede op het eiland van Cadzand. Brugge had soldaten gestuurd om Cadzand te verdedigen, maar van een aaneengesloten dorp was nog geen sprake. De troepen van Willem vertrokken dezelfde dag weer.

 

De 14e eeuw was onrustig omdat zowel de Franse als de Engelse vloot regelmatig binnenviel. In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog en vielen de Engelsen Frankrijk vanuit het noorden aan. Ze bezetten het Eiland van Cadzand en versloegen tijdens de Slag bij Cadzand het daar samengetrokken Franse leger onder leiding van Lodewijk II van Nevers. Daarna werd Cadzand geplunderd. Het was de periode dat er wisselende loyauteit was van nakomelingen Lauwereyns die of voor de Franse koningshuis tekenden, of voor de (van kamp wisselende) Vlaamse graven, of voor het Engelse koningshuis.

 

Ook in 1338 vonden plunderingen door de Engelsen plaats. De Vlamingen kozen de Engelse zijde om de toevoer van Engelse wol veilig te stellen. Op het eiland van Cadzand werden opnieuw Franse troepen gelegerd om de Engelsen tegen te houden. Op 24 juni sneuvelden 25.000 soldaten. De Engelsen wonnen, samen met de Vlamingen, en hingen de Franse leider op, Nicolas Béhuchet, aan een scheepsmast. Uit wraak sloegen de Fransen aan het moorden, verkrachten en plunderen op het eiland.

 

Meerdere opstanden, zoals de Opstand van Kust-Vlaanderen van 1323-1328, bleken desastreus voor de economie. In 1384 landden de Engelsen opnieuw op het eiland om Gent te ontzetten dat werd belegerd door Brugge, Sluis en Aardenburg. In 1404 landden de Engelsen op het Eiland van Cadzand om van daar uit het Brugse Vrije aan te vallen. Vanaf het eiland organiseerden ze plundertochten. Nog in 1405 vonden plunderingen plaats, na een vergeefse poging van de Engelsen om Sluis in te nemen.

 

De situatie verbeterde er niet op, onder meer door dijkdoorbraken in 1394 en 1398 en door stormvloeden zoals de Sint-Elisabethsvloed van 1404 en de stormvloeden van 1471, 1477 en 1497. Ondanks deze tegenslagen, werd er nog ingepolderd en herdijkt. De Tienhonderdpolder in 1402, de Vierhonderd Beoosten Terhofstedepolder in 1404, de Strijdersgatpolder in 1415 en de Zandpolder in 1423 werden (her-)aangelegd. Het darinkdelven[10] maakte de schade bij de stormvloeden evenwel groter.

 

Afbeelding: darinkdelvers aan het werk, De verschillende stappen in dit proces, dat ook wel selnering wordt genoemd, zijn afgebeeld op een schilderij uit ca. 1540 in het stadhuis van Zierikzee

 

De militaire situatie bleef ongunstig. Men begeleidde vissersboten met konvooischepen om de Engelse en Franse kapers te bestrijden. Nadat Filips de Goede getracht had om de Engelse basis van Calais te veroveren, sloegen de Engelsen terug en vielen ze Sluis opnieuw aan. In 1439 sloot Filips vrede met de Engelsen. In 1453 landden dan de Fransen opnieuw op Cadzand. Tijdens de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan (1482-1492) werd Cadzand in 1491 ingenomen door Maximiliaan I van Oostenrijk om de handel over het Zwin stil te leggen. De troepen plunderden en stichtten brand. In 1492 werd de Vrede van Cadzand getekend. De economie ondervond verder niet alleen hinder van stormvloeden, maar ook door de aanvallen door Schotse zeerovers.

 

Hierna ving de Tachtigjarige Oorlog aan. In 1572 namen de Watergeuzen Vlissingen in en begonnen van daar uit te plunderen. Oorspronkelijk door Spaanse troepen bezet, hielden de Geuzen uit Vlissingen regelmatig rooftochten op het eiland, die landgangen werden genoemd. In 1582 werd vanuit Cadzand verzocht om een predikant, maar sinds 1587 had Parma de streek weer op de Staatsen veroverd en was ook Cadzand weer Spaans. Door de inundatie van 1583 liepen vele van de polders onder water en werd het Oude Land van Cadzand weer geheel door zeegeulen omgeven.

 

Pas decennia later werd er op grote schaal heringedijkt. Het eiland van Cadzand raakte ontvolkt. Er huisden wolven. De Spanjaarden bouwden in 1593 een fort in Cadzand en in 1598 werd Fort Terhofstede opgericht. In 1602 werd de Grote Sint-Annapolder drooggelegd en werd het eiland van Cadzand met dat van Groede verbonden.

 

 

1247 - van Velthuysen en van Gelre

Afbeelding met tekst, schets, tekenfilm, schaakstuk

Automatisch gegenereerde beschrijvingWe weten niet hoe de familie van Johanna van Velthuysen in Brugge terecht kwam. De familie kwam oorspronkelijk uit het Gelderland en er waren in ieder geval banden met het graafschap Vlaanderen via het geslacht van Gelre.

Afbeelding: het familiewapen Velthuysen omstreeks 1250 (Bron: Veluwse geslachten, afbeelding onder publiek domein). Merk de gelijkenissen met het familiewapen de la Tour in 1400. Het wapen werd gevoerd door Evert van Velthuysen, die een gelijknamige hoeve bewoonde in Ede in de het Gelderland (Gelre), in Nederland.

 

De familie van Velthuysen was leenplichtig aan de graven en hertogen van Gelre tussen de 12e en de 14e eeuw, en aan van Gelre van Egmont in de 15e eeuw. Vermoedelijk waren zij schildboortige ministerialen (dienaren in krijgsdienst[11]) die in de ridderstand waren verheven of tot (schild)knaap[12]. Ook de families van Rheden, van den Bergh en van Baer waren bannerheren die net als van Velthuysen tot de oude geslachten in Gelre behoorden.

Afbeelding met kunst, verven, fotolijst, Beeldende kunst

Automatisch gegenereerde beschrijvingDe stamouder van het geslacht van Gelre was Gerard Flamens van Antoing[13], een Vlaming die in 1033 het graafschap Vlaanderen was ontvlucht nadat Boudewijn, de graaf van Vlaanderen, hun domein had veroverd op het Heilig Rooms Rijk. Hij was door bemiddeling van keizer Hendrik II heer van Wassenberg[14] geworden. Tegelijk werd zijn broer Rutger de eerste heer van Kleef (van Cleve). Aan het eind van de 11e eeuw verhuisde de familie van Wassenberg naar Gelre en werden zij de heren van Gelre.

Afbeelding met tekst, boek, wapen, kunst

Automatisch gegenereerde beschrijvingAfbeelding met kleding, verven, kunst, Profeet

Automatisch gegenereerde beschrijvingAfbeeldingen: wapen van Jan IV van Melun, heer van Antoing (1397-1448) dat zich in de Sint-Romboutkathedraal van Mechelen bevond, een ridder van het Gulden Vlies (© laurentii.be, mei 2024). Grootvader Jan I van Melun (zie afbeelding rechts) was in 1329 gehuwd met Isabeau van Antoing, waardoor zijn nakomelingen de titel voerden. Ook Johan I, hertog van Kleef (1419-1481) en Adolf van Kleef, heer van Ravenstein (1425-1492) waren ridders van het Gulden Vlies (zie wapenbord Johan van Kleef onder). De voormalige en toenmalige heren van Antoing troffen elkaar in dezelfde ridderorde vier eeuwen na de vlucht van Gerard Flamens.

Kleinzoon Gerard III van Wassenberg (1022-1068) was geboren als zoon van Gerard II Flamens en Adela van Hamaland, en hij was gehuwd met Margaretha van Leuven, een dochter van de Hendrik I van Leuven. Een jongere broer Willem was in 1024 geboren en werd op canonieke leeftijd in 1053 tot bisschop van Utrecht benoemd. En de verder vermelde Dirk van der Veluwe was nog een broer van Gerard III. Een nakomeling van Gerard III, achter-achterkleinzoon Otto van Gelre (1150-1207), nam deel aan de kruistocht van Richard Leeuwenhart in 1188-1192, waaraan ook Robert Lauwereyns / Lawrence, een voorouder van Odin image006.jpg [15] had deelgenomen. Gerard III had overigens ook een dochter Judith die  in 1108 huwde met Walram van Limburg en een dochter Jolanda die in 1106 huwde met Boudewijn van Henegouwen. De familie was goed geconnecteerd.

Achterkleinzoon Gerard IV van Gelre (1207-1229) “de Lange” was gehuwd met Margaretha van Dampierre, een dochter van Gwijde van Dampierre, tante van de Willem van Dampierre waarmee Odin Lauwereyns van Diepenhede op kruistocht trok in 1248-1254. Willem was overigens gehuwd met een dochter van Hendrik II van Leuven, een kleinkind van de hoger vermelde Hendrik I van Leuven.

Afbeelding met kunst, doos

Beschrijving automatisch gegenereerd met gemiddelde betrouwbaarheidAfbeelding: het praalgraf van Gerard III van Gelre en Zutphen (1185-1229) en zijn echtgenote Margaretha van Brabant (overleden in 1231) in de Munsterkerk van Roermond, naar een tekening ui 1869.

Een achterkleinzoon Reinhoud van Gelre (1295-1343) was in Mechelen in 1378 gehuwd met Sophia Berthout, een dochter van Floris Berthout, heer van Mechelen, en Mathilde van der Marck. De broers van Gerard IV “de Lange” waren Hendrik van Kriekenbeek, Goswin van Heinsberg[16] en Dirk van Kleef, de opvolger van Rutger van Kleef als graaf van dat gebied.

 

Andere familiewapens met zwanen in de omgeving van Brugge

Afbeelding: voorbeelden van familiewapens met zwanen merlettes uit Brugge (afbeeldingen uit het Handschrift De Hooghe, Brugge, 1700, onder publiek domein).

image013.jpg

Merlettes in het familiewapen van De Vrient in de 16e eeuw

image014.jpg

Merlettes in het familiewapen Hellinck, 17e eeuw.

image015.jpg

Merlettes in het familiewapen Lauwers vanaf 1500.

 

976 - Oorsprong van de naam Diepenhede

We weten verder dat Lauwereyns in 1247 de titel "heer van Diepenhede" voerde. Diepenhede is een afleiding van Diepenée/Diepene, één van de drie gebieden van het voormalige eiland Zaamslag (Saemslagh). Het eiland bestond drie gebieden: Othene, Diepene en Aendyke. Het deelgebied Diepenhede bestond uit opgeworpen en gewonnen polderland. Het lag volledig aan de Schelde en behoorde in de 13e eeuw aan de heren van Cadzand, de voorouders van Odin Lauwereyns. Het eiland werd verzwolgen door het water en nooit echt hersteld, toen in 1404 de dijken om oorlogsredenen werden doorgestoken om Zaamslag te vernietigen.

 

Etymologisch, of naar de betekenis van de naam, zou Diepenhe(e)de een verwijzing zijn naar een "plaats aan het diepe water"[17]. In essentie ging het om weidegrond voor schapen. Deze gronden werden vermeld in een brief van de paus uit 976 waarbij hij de eigendommen van de Sint-Baafsabdij bevestigde in de Pagus Scaldis (de bocht van de Westerschelde). Ook abt Othelbold van de Sint-Baafsabdij (1019-1030) beschreef in een brief aan gravin Otgiva, het eigendom Depena als de schaapsgronden gelegen aan de Diopa: "Tongrot inter duos et Buoclaca  Diopa." Tussen de Diopa (de Otheense kreek) en de Buoclaca (Boekhoute, nu de Braakman) lag Tongrot (Terneuzen).

 

Kaart onder: situering van Diepenhede op het voormalige eiland Zaamslag (kaartbewerking Google maps onder gebruiksvoorwaarden, 2016).

 

image044.jpg

 

Dit leidde tot de aanwijzing dat Diepenhede pal ten noorden van Othene lag, en dat het na de onderwaterzetting om militaire redenen, verdwenen was in de bocht van de Westerschelde.

 

Andere vermeldingen waren Depana (1003), Diepena (1040) en daarna Diepene en Diepenee. Aan de overkant[18] van de Diopa lag Hoek, waar de heerlijkheid van Steelant was gelegen aan de nog bestaande kreek Braakman. Diepenee was oorspronkelijk eigendom van de heren van Cadsant. Zowel in Axel als in Borsele bestaat er nog een Diepeneestraat.

 

image046.jpg

Afbeelding: kaart met meldingen van voorouders rond de Viking-tijd. Uit de moederparochie Aardenburg kwamen Cadesant, Hannekenswerve (bij Draaibrug) en Lammensvliet (het latere Sluis) voort.  Deze parochies waren enkele jaren vóór 1089 gesticht.

 

 

Zaamslag

 

De Torenberg was het kasteel van Zaamslag, gebouwd/herbouwd in 1193. Men houdt er rekening mee dat de motte van de Torenberg gevormd is in de vroege middeleeuwen. Dat zou ongeveer in de Vikingtijd vallen. Eén van de indicaties van blijvende verwantschap van Lauwer(eyn)s met de heren van Saemslagh, vinden we bij meisenier ('vrije man') Rombout Lauwers  die in 1620 in Grimbergen huwde met Katrien Verlinden. Rombout werd vermeld als "colonus di Saemslagh".

 

In 1620 was Zaamslag al lang niet meer in handen van de oorspronkelijke familie, en in de 16e eeuw was het land in handen gekomen van de familie van Heetvelde (die in het hertogdom Brabant resideerden) en achtereenvolgens door huwelijken van dochters in handen van de families de Quarré, de Fourneau. Zaamslag verdween door oorlogshandelingen onder de golven en werd in 1646 als verdronken land verkocht aan Jan Melis, de heer van Saeftinghe.

 

Afbeelding onder: kaart met meldingen van voorouders rond de Vikingtijd. Uit de moederparochie Aardenburg komen CadesantHannekenswerve (bij Draaibrug) en Lammensvliet (het latere Sluis) voort.  Deze parochies waren enkele jaren vóór 1089 gesticht.

 

 

Verwantschap met Lawrence van Engeland

 

"Lauwere(y)ns" klinkt als een Vlaamse variant op het Engelse "Lawrence". We weten dat er relaties waren met Engelse families. Onder meer de achterkleinzoon van Odin, ridder Robert Lauwereyns Afbeelding met tekst, symbool

Automatisch gegenereerde beschrijving, vermeld in Brugge in 1330, vertrok naar Engeland. Ook een vergelijkend DNA-onderzoek wijst op een mogelijke genetische verwantschap met de Lawrence families van Lancashire. In deze periode is er in de stamboom van Lawrence onzekerheid over de afkomst van een Robert Lawrence[19]. Op de kruistocht met Richard Leeuwenhart in 1187 is er sprake van een Robert Lawrence (van Lancaster) in het gevolg van de Engelse koning. Dit was 60 jaar of 2 generaties eerder, voor de kruistocht van Odin Lauwereyns. Zijn wapen, met de verwijzing naar de Heilige Drievuldigheid en eerdere kruistochtexploten, was ouder dan Odin zelf.

 

Van deze Robert Lawrence weten we dat hij per boot via Cyprus naar Palestina trok en er deelnam aan het beleg van Akaba. Hij wist zich te onderscheiden - volgens de legende omdat hij met vier anderen de muren beklom en de stadspoorten opende, of omdat hij de eerste was om de kruisvaardervlag te hijsen - waardoor hij door koning Richard in 1191 tot ridder werd geslagen en in het bezit kwam van Aston Hall[20]. Volgens nog een andere bron werd deze Robert Knight-Banneret, een militair ridderschap van de hoogste orde in de middeleeuwen.

 

Afbeelding: het wapen van de ridder Robert Lawrence van Lancaster in 1191 nadat hij de Engelse koning Richard "Leeuwenhart" vergezelde op de kruistocht van 1187. Het kruis kwam later voor in een variant op het familiewapen Lauwereyns.

 

De kruisridder Robert Lawrence van Lancaster voerde voor het eerst een zilveren wapen met een keel (rood) kruis bestaande uit takken. De naam "van Lancaster" kwam toen nog vaker voor dan de familienaam Lawrence die pas in de 13e-14e eeuw in voege kwam.

 

Het devies “Ad Laurum non aurum” (begin 13e eeuw – “Onversaagd in moeilijke tijden”) van Odin Lauwereyns, zou in latere eeuwen bij de familie ook onder de vorm “Virtus Inarduo” (einde 13e eeuw - “Dapperheid in moeilijke omstandigheden”) behouden blijven. Dit devies is gelijkaardig met enkele deviezen van Lawrence in Engeland, maar het familiewapen van deze Lawrence families van Lancashire had een heel ander uitzicht.

 

De koningen en prinsen van Wales

 

Een populair lied van Dafydd Iwan "Yma O Hyd"[21] bezong dat het volk van Wales nog steeds bestond sinds de tijd van Macsen Wledig in de 5e eeuw. Dit was de Welshe naam van de Romeinse veldheer Magnus Maximus die gouverneur was van Brittannië die het eiland verliet, waarna het rijk van 'Bretoense' Wales ontstond naast het Germaanse Engeland en het Keltische Schotland[22].

 

Bretoense koninkrijken overleefden enkel in Strathclyde, Cornwall en Wales en van een eerste eengemaakt koninkrijk Wales kon allicht pas worden gesproken vanaf Rhodri Mawr "de Grote" (820-878), Huwel Dda "de Goede" (890-950), Gruffud app Llywelyn (1039-1063), Llywelyn ap Iorwerth "de Grote" (1194-1240) en Llywelyb ap Gruffudd (1248-1282).

 

Rhodri Mawr was de eerste die de titel van koning voerde van Wales tussen 844-878, kort nadat Egbert, koning van de West Saxen en later van Kent, de eerste koning van de Angels werd tussen 829-830. Rhodri was een zoon van Merfyn Frych en was aanvankelijk koning van Gwynedd, tot 844 na zijn vaders dood, koning van Powys tot 855 na de dood van zijn nonkel en van Seisyllwg na de dood van zijn schoonbroer in 872. Rhodri verdedigde zijn gebieden tegen de Deense Vikings en de Engelsen. Hij werd gedood in 878 bij een veldslag tegen de Engelsen van Mercia. Zijn kleinzoon Hywel ap Cadell ap Rhodri herstelde de eenheid vanaf 904, en bij de unie met Gwynedd en Powys in 942 was Wales bijna volledig terug verenigd met uitzondering van Glamorgan.

 

Hywel zou vooral bekend blijven voor de manier waarop hij de wetten van Wales consolideerde, ontstaan uit oude gebruiken, met bouwstenen als genade, gezond verstand en de bescherming van de rechten van vrouwen en kinderen[23].

 

De enige die alle oude koninkrijken van Wales wist te verenigen tussen 1055-1063, was Gruffudd ap Llywelyn (1007-1063) ondanks het feit dat het Welshe volk al vijf eeuwen een gemeenschappelijke taal, cultuur, geschiedenis, religie en wetgeving deelde. Hij was een zoon kleinzoon van Maredudd ab Owain, de koning van Deheubarth, en zoon van Llywelyn ap Seisyllt, die over Gwynedd heerste. Hij veroverde andere delen van Wales[24] en land van Offa's Dyke op Engelsen die zich daar hadden gevestigd. Gruffudd hield hof in Rhuddlan, maar zou verslagen worden door Harold, graaf van Wessex. Hij werd vermoord door een Welshman.

 

Llywelyn ap lorwerth (1173-1240) zou ruim een eeuw later de grootste koning van Wales worden. Nadat hij in 1202 zijn voordeel had gedaan door de onderlinge strijd van zijn nonkels en over Gwynedd heerste, volgden Deheubarth na de dood van Lord Hys, en Powys. In 1205 huwde jij Johanna, de dochter van koning John van Engeland, en trok hij met zijn schoonvader ten strijde tegen koning Willem van Schotland. Koning John verraadde hem echter en trok Gwynedd binnen, waardoor Llywelyn zich in de westelijke bergen moest verschuilen. Doordat koning John onenigheid kreeg met zijn baronnen, en met de paus, heroverde Llywelyn het noorden en in 1216 werd hij erkend als Overlord door het Welshe parlement, ook door Hendrik III van Engeland in 1218[25].

 

Hij zou de geschiedenis ingaan als een markant diplomaat en militair strateeg - herziening van de wetten van Hywel Dda, verbetering van de administratie in Wales, goede relaties met de paus en de Engelse kerk - en zou sterven als monnik in het klooster van Aberconwy in 1240. De laatste koning werd Llywelyn ap Gruffudd (1246-1288) die het rijk aan zijn zoon Dafydd wilde overlaten. Dafydd werd echter tot overgave gedwongen door de Engelse koning Hendrik III en Llywelyn ging de strijd aan door Engelse bolwerken aan te vallen.

 

Llywelyn nam in 1258 de titel "Prince of Wales" aan en werd hierin erkend door de andere Welshe heersers[26]. De overmacht van de Engelsen was evenwel niet meer te ontkennen. Llywelyn verloor de heerschappij over de landen ten oosten van de Conwy en werd in 1282 vermoord door Engelse soldaten. Llywelyns hoofd werd in Londen op een staak geplaatst en tentoongesteld als verrader.

 

© Foto's Viking Thing Elewijt, 2013 en viking helm replica, 2015 uit collectie laurentii.be - bewerking kaart (c) Google maps, 2013 onder gebruikslicentie - Schilderij turfstekers, 1540 en bewerking prent en kaarten Cadsand 900-1250 uit private collectie (originelen onder Public Domain) - (c) gestyleerd familiewapen van L. Lauwens, 2015 - Scan wapen de Baenst uit Boek D'hooghe, 17e eeuw en voorstelling wapen Lawrence 1191 onder Public Domain.

  

 

 

 

 

 

 



[1] Opgetekend in brieven aan de Griffie van het hof van het parlement van Vlaanderen op 27 juli 1719 en op het Bureau van Financiën & Domeinen van de Rijsel, FR, op 28 juli 1719. In de Dictionaire de la noblesse de France werd vermeld dat hij van een nobele familie was die van het begin van de dertiende eeuw in Brugge woonde.

[2] Hij was een zoon van de gravin van Vlaanderen, Margaretha van Constantinopel. Dit zou de 7e kruistocht zijn geweest en de eerste van koning (Sint) Lodewijk die het leven liet bij een volgende kruistocht. Willem II van Dampierre (1225 - 6 juni 1251) was sinds 1246 mederegent, met zijn moeder, over het graafschap Vlaanderen. Hij was ook bekend als Willem II van Vlaanderen. In het huis Dampierre was hij Willem III, heer van Dampierre. Willem was een zoon uit het huwelijk van Willem II van Dampierre, heer van Dampierre en de hoger vermelde Margaretha van Constantinopel. In juli 1246 werd hij door een scheidsrechterlijke uitspraak van Lodewijk IX van Frankrijk en bisschop Odo van Tusculum, de jure (van rechtswege) erkend als erfgerechtigde van Vlaanderen. Willem was in 1247 gehuwd met Beatrix, dochter van Hendrik II van Brabant en weduwe van Hendrik Raspe. Het huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed op 5 mei 1251 aan verwondingen opgelopen tijdens een tornooi te Trazegnies – naar verluid werd hij vertrappeld door de paarden van Henegouwse ridders die hem langs achter aanvielen. Zijn jongere broer, Gwijde III, tweede zoon van de regerende gravin Margaretha van Constantinopel, werd daardoor erfgerechtigde op de troon in Vlaanderen.

[3] Letterlijk vertaald “Dode wateren”. De stad was in de 13e eeuw gebouwd als uitvalsbasis voor de kruistochten voor de Franse koning, die liever niet in een vreemde haven als Marseille inscheepte. In die periode lag Aigues-Mortes nog direct aan de Middellandse zee en het was dus de eerste Franse uitweg voor scheepvaart. Koning Lodewijk IX, de Heilige, kreeg van monniken uit de abdij van Psalmody een stuk zoutmoeras en liet er de stadskern tussen 1246 en 1272 bouwen. De stadsmuren waren er tussen 1272 en 1310 omheen gebouwd.

[4] Havenstad in Dumyat, Egypte, 200 km ten noorden van Cairo. De kruisvaarders wilden met de verovering van deze havenstad de Nijl controleren, Egypte veroveren en doorstoten naar Jeruzalem.

[5] gouden munten

[6] Onder meer de Ieperlingen, waarvan er 482 waren mee gegaan in het gevolg van Willem van Dampierre, zamelden mee de nodige fondsen in voor de ander helft toen Margaretha van Constantinopel er op 18 maart 1250 met Willems echtgenote Beatrix van Kortrijk beroep deed op de bevolking om Willem en zijn broers vrij te kopen van “de sultan van Babylonië”. De families Boeteman en Paeldinck droegen het ruimst bij en verwierven daardoor de rechten op de vrije vismarkt van Ieper.

[7] Trazegnies is een deelgemeente van Courcelles in het Belgische Henegouwen. Henegouwen was in die tijd onder het beheer van de de Avesnes, kinderen uit het eerste huwelijk van Margaretha van Constantinopel, met wie de Dampierres uit het tweede huwelijk jarenlang een successieoorlog voerden. Bij het verdrag van Parijs onder Lodewijk IX in 1246, kregen de Dampierres het graafschap Vlaanderen en de de Avesnes het graafschap Henegouwen toegewezen (al bleef Margaretha op de troon van het graafschap Henegouwen). Pas bij de slag van Westkapelle op 4 juli 1253, waarbij Jan de Avesnes Gwijde van Dampierre versloeg met de steun van zijn schoonbroer Willem II van Holland, kreeg de familie de Avesnes definitief de rechten op het graafschap Henegouwen.

[8] Een gelijkaardig devies zoals dat door de Engelse Lauwereyns / Lawrence families werd gevoerd.

[9] terwijl de Dictionaire de la noblesse de France “originaire de la Saxe” vermeldt. Zijn voornaam duidde evenwel anders: “Othon” was de Franse versie van “Odin”. Mogelijk was Odin een immigrant uit Engeland, wat de verwijzing als “Angelsaksisch” kan verklaren. Dat bleek ook uit eerdere en latere verwantschappen met Lawrence, de Engelstalige variant van Lauwereyns, in Engeland. De tekst in de Dictionaire de la noblesse de France vermeldde voluit: "Famille noble & ancienne, originaire de la Saxe, issue des Seigneurs de Diepenhede, & établie en Flandres dès le commencement du treizième sciecle. Elle a eu des emplois distingués, tant militaires que civils, au service des Comtes de Flandres, qui avoient alors leurs résidence à Bruges, où ils tenoient leur cour; & elle a occupé les premières charges de la Régence Magistrale dans cette ville, qui étoit dans ce tem(p)s une des plus célèbres de l'Europe, par l'immensité de son commerce, ses richesses & la grande population. Cette famille quitta Bruges en 1560, au commencement des troubles, & fixa son domicile à Dunkerque, & delà à Berg-Saint-Vinox." (Een nobele en oude familie, afkomstig van Saksen, heren van Diepenhede, en gevestigd in Vlaanderen aan het begin van de 13e eeuw. Zij hielden voorname posities aan, zowel militair als burgerlijk, in dienst van de graven van Vlaanderen die residentie hielden in Brugge, waar zij hun hof hielden; en daar de eerste functies van het magistrale regentschap in deze stad bekleedden, [stad] die in die tijd een van de beroemdste was van Europa, door de grootheid van de handel, zijn rijkdommen en de grote bevolking. De familie [Lauwereyns] verliet in 1560 Brugge, aan het begin van de troebelen, en vestigde zich in Duinkerken, en van daar in Sint-Winoksbergen [Frans-Vlaanderen].) Het familiewapen vertoonde sterke gelijkenissen met dat van de heren van Cadzand, een titel die sinds het begin van de 13e eeuw niet meer werd gevoerd. De kinderen kregen nieuwe familienamen. De nazaten van ene Willem die op het kasteel Baenst woonden werden de Baenst genoemd, de nazaten van Hendrick werden Heindericx genoemd. Er waren verwantschappen tussen de familie Lauwereyns en de familie de Baenst. De familie de Baenst voegde de dwarsbalk toe zoals bij Lauwereyns en plaatste de drie zwanen erboven. Het hof van St.-Joris in Brugge werd door Jan III de grootvader van Margaretha de Baenst gebouwd. Zij verkocht het aan Hieronymus Lauwereyns. De wapenschilden van de Baenst werden niet door Hieronymus en ook niet door zijn nazaten verwijderd. Hieronymus had de dijkrechten van de Waterlanden gekocht aan de vader en de achterneef van Margaretha toen Anthony stierf en het project (dijkrechten van Assenede tot Cadzand) te groot werd. De heren van Cadsant stamden naar verluid in rechte lijn af van de koningen van Wales, en de eerste heer van Cadsant werd door de graaf van Vlaanderen ca 820 op het eiland geïnstalleerd om de noordergrens te beschermen tegen de invallende Noormannen [zie stamboomonderzoek Rigo Hinderyckx].

[10] Darinkdelven is het afgraven van moer, ooit door de zee overspoeld veen, om daaruit door verbranding zout te kunnen winnen. De zoute laag in de bodem wordt darink genoemd, of ook wel 'derrie'. Deze grond werd los gestoken en verbrand, waarna de as werd gekookt zodat het zout achterbleef en kon worden verzameld.

[11] Dit was een uitloper vanaf de 11e eeuw van het zgn. Frankisch stelsel in Het Karolingisch Rijk in de 9e eeuw. Typische ministeriaal functies die meer betekenis kregen  tussen de 11e en de 14e eeuw, waren de maarschalk (paardenknecht, later ruiterij aanvoerder), de kamerling (kamerdienaar, later schatbewaarder). Hofambten in het feodale stelsel werden gaandeweg eervolle ambten in wat men als een nieuwe beroepsklasse kon beschouwen.

[12] Schildknapen, of in de Frans “écuyer” voerden de titel “jonker”.

[13] Een plaats bij Ename, thans een deelgemeente van Oudenaarde in Oost-Vlaanderen.

[14] Een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, vlak bij de Nederlandse grens. Het had een burcht die in 1020 door de Roomse keizer Hendrik II aan Gerard Flamens werd geschonken. Hiermee werd de grafelijke lijn opgericht, die vier generaties later vanuit de burcht Wassenberg de grondslag legde voor het graafschap Gelre en waar uiteindelijk de hertogdommen Gulik, Kleef en Berg ook aan verbonden raakten.

[15] Een dochter, Aleidis van Gelre, huwde graaf Willem I van Holland, en een dochter Mechtild van Gelre, huwde graaf Hendrik II van Nassau.

[16] Een zoon van Dirk van de Veluwe, die zes jaar na diens geboorte overleed in 1082 in gevangenschap van Godfried van Bouillon.

[17] Heede is afgeleid van "Eede" of "Ee" en betekent waterloop. Zie ook "Bouwstoffen en studiën voor de Geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands" (1950) waar Depena, Diepena, Dipanha, Diepenee werden vermeld als een verdwenen waterloop bij Zaamslag (Zeeland) en "Nederlandse waternamen" (1955).

[18] Gysseling (1993) situeerde Diepenhede foutievelijk aan de overkant.

[19] Zie stamboomonderzoek Lawrence van Somerby, die de vader mist bij de geboorte van een Robert Lawrence omstreeks 1350. Deze Robert huwde Margaret Holden, de dochter van Holden van Lancashire. Ook in Brugge is de voornaam van de vader van Robert Lauwereyns, gehuwd met Mathilde van Alsemberghe, niet bekend. De Engelse Robert Lawrence was er verwant met Edmund Lawrence, gehuwd met Alice van Cuerdale, een plaats bekend als vestiging van Vikings in Engeland van welk de naam zowel Angelsaksische als Noorse elementen bevat.

[20] Volgens de eerder geloofwaardige, want beter gedocumenteerde, beschrijving van Schuyler kwamen de Lawrences pas een eeuw na de kruistocht in het bezit van Ashton Hall, met een eerste vermelding in 1292 toen Lawrence van Lancaster aanspraak maakte op gronden in Skerton. In de aanspraak werden de eerste drie generaties vermeld, te beginnen met Roger van Lancaster, Lawrence en diens zoon Jan, die als eerste de familienaam aannam omstreeks 1324. De verwantschap met de eerder vermelde Robert Lawrence is zelfs niet aangetoond. Roger van Lancaster was volgens sommige bronnen de onwettige zoon van Gilbert FitzReinfrid, de zoon van Roger FitzReinfrid die aan het hof van de Engelse koning Hendrik II diende.

[21] "Nog steeds daar".

[22] Zoals beschreven door Bede in "Ecclesiastical History of the English People," omstreeks 730. Bede beschrijft daarin het ontstaan van de Engelse koninkrijken. De koninkrijken van Wales werden vermeld omstreeks 960 in de "Annales Cambriae", een werk waarin Welshe koninklijke families werden beschreven. In die tijd leefden de koninkrijken van Wales gescheiden van de Germaanse en Keltische volkeren die al in de tijd van Bede de meeste oostelijke landen hadden veroverd.

[23] In "Brut y Tywysogyon" werd hij beschreven als "The chief and most praiseworthy of all the Britons." Geen enkele andere Welshe koning verwierf de titel "Dda" ("De Goede").

[24] Hij veroverde Gwynedd en Powys en Deheubarth, Gwent and Morgannwg op zijn Welshe volksgenoten, zoals werd opgetekend in "De Nugis Curalium" (c.1180).

[25] Peace of Worcester in 1218.

[26] 1258 is daardoor een gedenkdag voor de Welsh die het idee dat de eerstgeboren zoon van de Engelse monarch deze titel mag aannemen, aanvechten. In 1301 zou de Engelse koning Eduard I besluiten deze titel toe te kennen aan zijn elfde kind, geboren op het kasteel van Caemarfon in Gwynedd in 1284 en daarmee werd de oorspronkelijke titel die volgens het verdrag van Montgomery in 1267 met Hendrik III nog enkel aan een echte Welshman zou toekomen, teniet worden gedaan.