Afbeelding met tekening

Automatisch gegenereerde beschrijving

© Laurentii.be, 2026

 

Genealogie Laurentii

Numquam solus incedes

 

Inhoud (hoofdmenu)

 

·         Blog (deze reeks)

·         E-boeken (pdf)

·         Gezinsreconstructies (per gemeente)

·         Genealogie

·         Indices (zoekfunctie)

·         Startpagina (Home)

·         Thematisch

·         Verhalen (chronologisch)

·         Verwante families

________________________

 

 

Blog – 1926 - De familie Van Praet in Leest

 

 


Foto: Op de foto herkennen we van links naar rechts: Edmond Van Praet (°1921, 5 jaar), Virginie Van Praet (°1911, 15 jaar), Marie Francine Van Praet (°1909, 17 jaar), Pieter Gerard (°1907, 19 jaar), Melanie Van Praet (°1913, 13 jaar), en Angèle Van Praet (°1916, 10 jaar) [generatie 5].

 

De kinderen Van Praet poseerden trots in Leest voor de woning van hun "tante Lique en nonkel Kobe" aan de oude Tisseltbaan met hun broer Pieter Gerard Van Praet bij zijn 19e verjaardag op 20 oktober 1926. Pieter Gerard had een nieuwe fiets, gekocht bij Frans Paridaens in Hingene. Daar had Pieter Gerard Maria Cools[1] leren kennen, die bij haar nonkel werkte als secretaresse. Zij kregen nadien verkering tijdens de kermis op De Wolf in Liezele, op een dansant in een spiegeltent. Ongeveer zes jaar later dan deze foto, op 22 oktober 1932, zouden zij in het huwelijksbootje stappen in Liezele. 

 

Foto: Pieter Gerard Van Praet in 1926 in Leest, op zijn negentiende verjaardag. Zijn fiets beschikte al over een “dynamo” die elektriciteit opwekte voor verlichting.

 

Angelique “Lique” Maes, was een zus van (stief-) moeder Leontine Maes. Zij was geboren op 8 januari 1889 in Leest en was gehuwd met Jacques "Kobe" Muyldermans, geboren op 17 augustus 1889 in Kapelle-op-den-Bos[2]. Het gezin woonde aan de Oude Tisseltbaan 1, naast broer Alfons Maes en Marcella Vroman(s) (nr. 2), tegenover het gezin Van Praet-Maes. Dit was de Kleine Heide aan wat later de Juniorslaan werd, tegenover wat in 2019 het "Tuincentrum Van Praet" was. Na het overlijden van Theofiel Maes zou deze woning worden toegewezen aan Constant Van Alsenoy uit het verdwenen Wilmarsdonk, een dorp dat verdween bij de uitbreiding van de Antwerpse haven. Dit gebeurde met steun van de Belgische staat als compensatie. De familie Alsenoy kreeg verder boerderijen toegewezen in de Winkelstraat, in de Tiendeschuurstraat, aan de Oude Tisseltbaan in Leest, en in de Molenstraat van Heffen.

 

Niet alle kinderen stonden op de foto. De oudste zus Bertha Van Praet, geboren in 1899, was anderhalf jaar eerder op 21 februari 1925 in Wilrijk gehuwd met Jozef Demuylder en het gezin woonde in Ottenburg. Zus Marie Van Praet, geboren in 1901, en Tinneke, geboren in 1905, ontbraken eveneens op de foto. Zij waren kinderen uit het eerste huwelijk van Charel Van Praet [generatie 6]. Marie zou op 23 juni 1929 in Leest huwen met Alfons Peeters, en het gezin vestigde zich in Houtem bij Vilvoorde. Tinneke zou op dezelfde dag als haar zus in Leest huwen met Jaak Eeraerts. Zij weken uit naar Kapelle-op-den-Bos. Dat maakte dat alle nog levende kinderen uit het eerste huwelijk buiten Leest gingen wonen, ook Pieter Gerard in 1932, net zoals hun oudste zus Bertha in 1925[3].

 

Enkele kinderen waren vroeg overleden, zoals Gerard Jozef (1898-1899), Edmond (1902-1903), Gusta (1904-1904) en Barbara (1906-1906). Pieter Gerards moeder, Melanie Diddens, was in het kraambed gebleven bij zijn geboorte en als kind was hij opgevoed in Tisselt door Pelagie Van Praet [generatie 6], een ongehuwde zus van zijn vader Charel Van Praet, tot Charel Van Praet in februari 1908 hertrouwde met Marie Leontine Maes. Er was ook Marie Odile Van Praet (1919-1920) uit het tweede huwelijk die jong was overleden. Edmond huwde met Maria Spruyt; Virginie huwde met Frederik De Rooster; Francine huwde Edmond Van Rompay; Melanie huwde Jules Geens; Angèle huwde Pol Piessens [allen generatie 5].

 

Alle kinderen op de foto, behalve Pieter Gerard, waren uit het tweede huwelijk van vader Charel Van Praet met Leontine Maes. Pieter Gerard was het laatstgeboren kind uit het eerste huwelijk van Charel Van Praet met Melanie Diddens. Emiel Van Praet, uit het tweede huwelijk, ontbrak eveneens - hij was toen amper 2,5 jaar oud en de tweeling Theofiel en Richard (°1927) waren nog niet geboren [allen generatie 5].

 

Blog – 1926 - Leest in “Moderne Tijden”

 

 

Eén van de grootste veranderingen in het dorp Leest in het Interbellum, na de Eerste Wereldoorlog, waren nieuwe nutsvoorzieningen zoals elektriciteit en telefonie[4]. Op de foto van 1926 was op de achtergrond een paal te zien van het nieuwe elektriciteitsnetwerk. Eind 1926 telde het dorp 1747 inwoners en alle woningen zouden worden voorzien van ‘moderne’ elektriciteit en telefonie. Dat bleek geen sinecure. Ook het openbaar vervoer en de ‘moderne’ gezondheidszorg zouden in deze jaren gestalte krijgen.

 

In 1922 had de maatschappij “Electricité du Nord de la Belgique” een grondplan opgesteld voor elektrische leidingen aan de Molenstraat, het Dorpsplein, de Scheerstraat, de Koestraat, met 12 lampen van 50 bougies elk, met extra 26 lampen voor wegenis- of “openbare” verlichting langs de Tisseltbaan, de Blaasveldstraat, tot aan de woning van Pieter Jan Diddens. In november 1924 ging de gemeente het contract aan.

 

In november 1925 werd besloten elektrische verlichting te laten aanbrengen in de Bist, de Kapellebaan, de Alemstraat, de Grote en de Kleine Heide, en gedeeltelijk aan de Tisseltbaan. Dat jaar telde de gemeente 312 huisgezinnen. In 1925 telde de elektriciteitsvoorziening 121 cliënten in Leest met een verbruik van 7384 kWh, en 1410 kWh voor openbare verlichting. Dat kwam neer op 5 kWh per cliënt per maand, met, in juni 1925, 49 aangesloten huizen. Dat aantal liep op tot 357 cliënten met 37823 kWh in 1935 (3544 kWh voor openbare verlichting), tot 439 cliënten met 102813 kWh in 1945 (1928 kWh voor openbare verlichting), tot 494 cliënten met 208924 kWh in 1955 (13824 kWh voor openbare verlichting).

 

Afbeelding: de filmparodie “Modern Times” uit 1936 was een satire op de industrialisatie en ‘modernisatie’, waarbij het individu ten onder ging in de anonimiteit en de mechanische monotonie[5].

 

In 1923 werd een Leestse pachter gedood bij een ongeval met een auto in Hombeek. In 1924 werd de koepokinenting georganiseerd voor 200 leerlingen. Datzelfde jaar kreeg het schoolhoofd een verzoek om zijn kippen en eenden niet meer op de speelplaats van de jongensschool te laten lopen voor en na de schooluren omwille van de uitwerpselen.

Hygiëne, veiligheid en gezondheidszorg kregen de nodige aandacht.

 

Er waren in 1924 drie bezitters van personenmotorvoertuigen in Leest: Frans Piessens aan de Blaasveldstraat, Hendrik Verbeeck aan de Tisseltbaan en Jan Frans Selleslagh aan de Bist[6]. Er waren daarnaast ook vrachtauto’s in gebruik. Datzelfde jaar werd toestemming gegeven om bovengrondse telefoonlijnen aan te leggen voor Frans Piessens aan de Blaasveldstraat en voor vlashandelaar Charel Van Praet aan de Tisseltbaan. Voorwaarde was wel dat de palen zo dicht mogelijk bij de grachten werden geplaatst om de wegenis niet te belemmeren.

 

Zij waren niet de eersten in Leest: al in 1922 kreeg handelaar Alfons Apers een soortgelijke toelating. In 1924 werd er onderhandeld met het “Bestuur van Telegrafen en Telefonen” over de plaatsing van telefoonpalen en met de Elektriciteitsmaatschappij over het plaatsen van cabines. Tegelijk waren er klachten over de bezoedeling van de Zenne en de geurhinder die dit meebracht. Er werd met een beschuldigende vinger gewezen naar de grote stad Brussel, die de rivier als open riool gebruikte. Die klachten waren er overigens al van voor de Eerste Wereldoorlog.

 

In mei 1925 had Adolf Masure uit Tisselt de toelating gekregen om een autobusdienst tussen Mechelen en Breendonk te organiseren, over Hombeek, Leest en Tisselt. De bus reed van 6 uur ’s morgens tot 20 uur ’s avonds. Het ging om een Ford rijtuig van 22 PK met 16 zitplaatsen. Werknemers van het Arsenaal in Mechelen maakten er gretig gebruik van, maar ook de landbouwers van Leest om hun witloof naar de groentemarkt in Mechelen te brengen. De “Maatschappij van Buurtspoorwegen” zou in 1926 de uitbating overnemen. In maart 1925 reed een auto op een verlichtingspaal bij een uitwijkmanoeuvre in de Koestraat, in de richting van het dorp. Datzelfde jaar werd de Tiendeschuurstraat voorzien van elektrische verlichting.

 

In 1926 was er een tekort aan steenkool in Leest. Dat jaar sloeg ook de besmettelijke ziekte “mond- en klauwzeer” toe bij bewoners in het dorp. Het begon in de Kleine Heidestraat, waar de ziekte al in 1924 en in januari 1925 was vastgesteld bij vee door veearts Van Passen[7], en breidde uit tot de Bist en de Kouter. In augustus 1926 diende landbouwer Theo Van Aken uit de Kleine Heide klacht in tegen de elektriciteitsmaatschappij omdat een melkkoe aan een “ijzeren staak van de hoogspanningslijn” aan de verf had gelikt en moest worden afgemaakt. Veearts Van Passen verklaarde dat de koe een handelswaarde van 4000 frank had. Eerder die maand was één van de werklieden die met de schilderwerken bezig was, dodelijk geëlektrocuteerd toen een zekering ketting de elektriciteitsdraad had geraakt.

 

In oktober 1927 was Victor Troch, een landbouwer aan de Mechelbaan, met zijn gespan tegen een verlichtingspaal gereden in de Molenstraat.

 

Op de gemeenteraad van 3 december 1927 kwamen klachten aan de orde over de gebrekkige verlichting. Men meende dat het lag aan de cabine aan de wijk “De Knip”, waar een fout zou gemaakt zijn. De maalderij van Leonard Lauwers maakte gebruik van elektrische drijfkracht, en men meende daar de oorzaak te moeten zoeken. In 1927 werden ook de pastorij, de onderwijzerswoning[8] en de schoollokalen voorzien van elektrische verlichting en lokale bedrijven zoals de maalderij Lauwers[9] en de schrijnwerkerij Teughels kregen toelating om een elektrische motor in gebruik te nemen. 1927 was ook het jaar dat de gemeente een bewaarschool oprichtte tegenover de meisjesschool en waarin Victor De Laet, stichter van de plaatselijke Boerengilde, de burgemeesterssjerp overnam van Theo Verschueren, medestichter van de fanfare Sint-Cecilia (1924-1942). In april 1927 werd melding gemaakt dat het gemeentehuis nog steeds niet beschikte over telefonie en in 1928 telde de jongensschool 101 leerlingen, de meisjesschool 92, en de bewaarschool 55. Niet alle ouders namen het nauw met de schoolplicht. In 1923 werd al eens genoteerd dat ““Verschillige gezinshoofden werden veroordeeld voor onregelmatige schoolbijwoning hunner kinderen.”

 

In oktober 1928 gaf het schepencollege toelating tot de plaatsing van 13 telefoonpalen langs de Kleine Heidestraat, de steenweg naar Kapelle-op-den-Bos, aan de steenweg naar Tisselt. In november kwamen daar nog eens 9 palen bij vanaf de Zennebrug tot aan de woning van Frans Piessens in het dorp. Deze laatste had in februari dat jaar toestemming gekregen om een huis te bouwen tussen de meisjesschool en de Sint-Jozefskapel. Nog in 1928 kreeg Jozef Maes gunstig advies om een autobuslijn te starten over Mechelen, Hombeek, Leest, Tisselt en Willebroek op markt-, feest- en kermisdagen. Het ging om een Chevrolet rijtuig met 28 zitplaatsen. In januari 1929 kantelde een autobus tussen Leest en Battel bij het uitwijken van een fietser. De 20-jarige fietser kwam onder de bus terecht en werd met een wonde aan het hoofd met de auto van dokter Lindemans naar de kliniek aan de Vaartstraat in Mechelen gevoerd. Datzelfde jaar werd extra verlichting voorzien aan de Zennebrug en aan de Tisseltbaan.

 

 

 

 

 

 



[1] Zie ook stamboom van de verwante families Cools en Paridaens.

[2] Angelique Maes zou overlijden op 14 februari 1970 in Leest. Jacques Muyldermans zou overlijden op 26 januari 1980 in Londerzeel.

[3] Zie ook stamboom van de verwante familie Van Praet.

[4] Bronnen: onder meer “De Kronieken van Leest” van de hand van Marcel Van Hoof.

[5] © Foto’s uit het familiearchief Van Praet, 1924-1929 (met dank aan Godelieve Van Praet). – Filmposter “Modern Times”, 1936, uit private collectie, onder Public Domain (Bron: Wikimedia/ More or Less Bunk). Met bijzondere dank aan Hugo en Rik Lauwens en Leontine Geens voor opzoekwerk over foto’s uit 1926.

[6] In 1923 werden twee autobezitters vermeld: Jan Frans Piessens bezat een overdekt voertuig, en Hendrik Verbeeck een niet-overdekt voertuig.

[7] Hij was afkomstig van Willebroek en op 8 december 1906 aangesteld als gemeentelijk vleeskeurder in Leest, in vervanging van Slachmuylders.

[8] De onderwijzerswoning werd tot dan met petroleumlampen verlicht cf. o.m. meldingen van voor 1914.

[9] Nog in 1922 had hij toelating gekregen voor het gebruik van een gasmotor. Die verving toen een stoommachine. Lauwers ging duidelijk mee met zijn tijd.