|

© Laurentii.be, 2026
|
Genealogie Laurentii
Numquam
solus incedes
|
|
|
|
|
Inhoud (hoofdmenu)
·
Blog
·
Gezinsreconstructies (per gemeente)
·
Genealogie
·
Indices (zoekfunctie)
·
Thematisch
·
Verhalen (Lauwens en Van Praet)
·
Verwante families
________________________
Verwante
stamlijnenontstaan
Voornaamste stamlijnen,
datum ontstaan familiewapen is bij benadering
|
Lauwens/ Lauwers
Hombeek-Leest (Kleinbrabant)1568
Lauwens/ Lauwers
andere van voorouderlijke lijn1568
|
^
^
|
865-1247Lauwereyns van Diepenhede (+ heren van Cadzand)
|
________________________
|

© Kaartbewerkingen © Google, 2023, onder gebruikslicentie – © foto’s
Vismet Dax Geyskens, 2023. – © Colourized photo Herman Teirlinck,
laurentii.be, 2023, origineel uit 1905 onder Publiek Domein (Bron: AMVC
Letterenhuis).
|
|
Verhalen - 1900 – Op 25 augustus huwde Marie
Mathilde Lauwens in Sint-Jans-Molenbeek met Herman Teirlinck
|
“Je bent een komediant”, klinkt
meestal niet zo fraai in de oren. Toch was de vader van Mathilde Lauwens
net dat, een cabaretier en herbergier. Per
definitie was dat iemand die in een vorm van amusement voorzag via komedie,
zang, dans en poëzie, en dat gebeurde in de 19e eeuw niet alleen
in theaters, maar ook in de kroeg. “Cambret”
of “Cabaret” betekende oorspronkelijk net “kroeg” of “wijnhuis”, en
deze vorm van volksvermaak kreeg aan het eind van de 19e eeuw
een gunstiger klank als een vorm van “kleinkunst”.
Foto: het Sint-Katelijneplein te Brussel.
Nr. 24 bevond zich links van wat in 2023 restaurant De Vismet is.
Net
zoals kroegen, werd een “cabaret” of “cambret” ook wel eens geassocieerd
met een verdoken huis van lichte zeden. Daar kunnen we op zich ook niet aan
voorbij. In het Parijs van de 15e eeuw vonden we al cabarets,
waar men kon eten, drinken en naar een optreden kon zien. Schrijvers,
acteurs en artiesten troffen er elkaar. In de 18e eeuw sprak men
ook over café chantants in Parijs, als er gezongen werd. Cabarets
hadden een bedenkelijke naam bij machthebbers omdat ook scherpzinnige
politieke satire er thuishoorde. Ook in Brussel ontstonden vanaf het eind
van de 19e eeuw dergelijke kleine theatertjes.
Mathilde
Lauwens, dochter van cabaretier en herbergier Felix Lauwens aan het Katelijneplein in Brussel, was
evenwel naar we mogen aannemen een zedige vrouw. Zij maakte kennis, en
huwde, met de Brusselse ambtenaar en amateur toneelspeler Herman
Teirlinck die de volkskunst tot een hoger niveau wilde tillen.
|
Marie
Mathilde Lauwens werd geboren op 2 augustus 1878 in Sint-Gillis,
Brussel, als dochter van Felix Lauwens en Marie-Thérèse Mallinus. Zij huwde
in Sint-Jans-Molenbeek op 25 augustus 1900 met Herman Louis Cesar
Teirlinck.
Herman
Teirlinck was geboren op 24 februari 1979 in Sint-Jans-Molenbeek als zoon van
Isidoor Teirlinck en Oda Marie Delphine Van Nieuwenhove. Een
dochter Stella Hermina werd geboren op 17 juli 1900 in Brussel, goed
een maand voor het huwelijk, en zij werd door Herman erkend bij het huwelijk.
Stella zou in 1963 in Kinshasa overlijden, 63 jaar oud. Dochter Magda ‘Madeleine’
Teirlinck werd geboren op 30 januari 1906 in Linkebeek. Zij zou op 16
september 1974 overlijden in Brussel, 68 jaar oud.
Marie
Mathildes vader was van geboorte van Doel, waar hij het daglicht zag op 2
september 1846.
Zijn ouders waren Charles Louis Lauwens en Jeanne Marie Nonneman en zij waren
in Doel verzeild geraakt als dagloners. Vader Felix verhuisde naar Brussel
met zijn ouders en het gezin woonde in de rue de la Fiancée, in het
Nederlands de Bruidstraat, nabij de Brouckère. Felix ging als
magazijnier aan de slag in Sint-Gillis. Hij was op 7 juli 1877 in Brussel
gehuwd met Marie-Thérèse Mallinus, geboren op 18 april 1855 in Leuven
als buitenechtelijke dochter van Jeanne Mallinus. Felix werd
herbergier en cabaretier en vestigde zich op het Sint-Katelijneplein 24.
Dat
was niet ver in vogelvlucht van het ouderlijk adres via het De
Brouckèreplein. Deze zijde van het Katelijneplein werd vanaf 1850 gedempt.
Het paalde aan het vroegere Kraanplein, het meest noordelijke deel van het
voormalige Katelijnedok (een kleine binnenhaven) waar een grote houten kraan
stond voor het lossen van schepen.
Kaart: de Bruidstraat in
Brussel nabij de Brouckère in hartje Brussel dat de Nieuwbrugstraat verbindt
met de Circusstraat. Hier woonden de grootouders van Maria toen haar vader
Felix op 7 juli 1877 huwde met Marie-Thérèse Mallinus.

Maria
Mathilde had een jongere broer Rémi Felix Lauwens die in april
1880 in Brussel was geboren. Rémi Felix Lauwens overleed in tragische
omstandigheden op 17-jarige leeftijd. Hij werd “dood gevonden” op 28 maart
1898, net geen 18 jaar oud. De aangifte gebeurde door de 41-jarige Félix
Bruynincks, door François Lenaerts, een 23-jarige lakenhandelaar
uit Sint-Jans-Molenbeek, en Emile Bruylant. Ook Jean Lauwens ,
geboren op 10 juli 1881 in Brussel, en Felix junior Lauwens ,
geboren op 17 juni 1883 in Laken, waren jongere broers. Van Felix junior
weten we dat hij op 16 juni 1906 in Laken huwde met Jeannette Alardin,
geboren in 1882 in Laken als dochter van Gustave Alardin en Marie
Cathérine Pevenagie. Een dochter van dit koppel was Maria Lauwens ,
geboren op 20 september 1913. Zij werd lerares en schooldirectrice.
Andere
kinderen in het gezin waren Adeline Lauwens ,
die met Willem Gijssels huwde, Guillaume Lauwens ,
die technisch tekenaar was en op 23 november 1908 in Sint-Jans-Molenbeek
huwde met kantwerkster Elisa Van Bruijssel.
Herman Teirlinck
Herman
Teirlinck was een Belgische roman- en
toneelauteur én dichter [zie
foto: Herman Teirlinck in 1905]. Hij kreeg het schrijverschap
mee in zijn genen van zijn vader, toneelschrijver en volkskundige Isidoor
Teirlinck, en van zijn moeder onderwijzeres Josephine Van Nieuwenhove.
Nochtans wilde zijn vader dat Herman arts werd, maar de studies in Brussel
waren geen succes.
Hij
studeerde vervolgens Duitse taal- en letterkunde in Gent, maar brak ook deze
studie af. Hij was ambtenaar bij de gemeente Brussel toen hij Mathilde
Lauwens leerde kennen.
Als
ambtenaar vertaalde Herman de verslagen van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg
in het Frans en dat inspireerde hem zowel voor toneel als om de “volksschouwburg”
tot een hoger peil te verheffen. Hij speelde zelf amateurtoneel en zong, en
stelde zich als 23-jarige tevergeefs kandidaat om, samen met acteur Laroche,
directeur te worden van de KVS.
In
1903 was hij mede-oprichter van het tijdschrift “Vlaanderen”, de
opvolger van “Van nu en straks”. Ook zijn schoonbroer Willem
Gijssels schreef voor dit blad. Hij was onder meer Belgisch correspondent
voor het “Algemeen Handelsblad” vanaf 1906, vestigde zich in 1909 in
Linkebeek waar hij aansloot bij de plaatselijke politiek, publiceerde in 1909
zijn essay “De kunst van het theater”, en was van 1910 tot 1936 leraar
Nederlands aan de stedelijke jongensnormaalschool van Brussel.
|
Willem
Gijssels
… was
geboren op 23 april 1875 in Dendermonde als zoon van marmerhouwer Gijssels
en Constance Hiel– zij was een zus van de schrijver Emmanuel Hiel
-. Het gezin was na de dood van de vader in 1888 naar Brussel verhuisd, en
Willem volgde er van 1889 to 1891 middelbare school. Hij werd in 1892
leerjongen en klerk in een kunstbloemenzaak, was enige tijd tolk in de Liverpool
Street Station in Londen en schreef er het gedicht “’t Zijn weiden
als wiegende Zeeën” dat bekend werd nadat het in 1912 door Renaat
Veremans op muziek werd gezet.
Tot
aan de Eerste Wereldoorlog werkte hij als beambte voor de Britse Spoorwegen.
Hij was een Belgische dichter, librettist, vertaler en ambtenaar en was
vooral bekend als flamingant. Tussen 1893 en 1895 publiceerde hij onder de
schuilnaam “Willy Wielants” in lokale bladen zoals de “Gazette
van Dendermonde”, het Turnhoutse weekblad “De Waarheid”, en het
Brusselse weekblad “Vlaamsch en Vrij”. Als gelegenheidsdichter
schreef hij onder het pseudoniem W. Strybits een gedicht bij
de veroordeling van Borms in 1919, voor de opening van de Antwerpse
Scheldetunnels in 1933. In het Antwerpse satirische weekblad “Tybaert de
Kater” schreef hij onder het pseudoniem “Salamander”. Hij
was de schrijver van het “Lied van het Algemeen Nederlands Verbond”,
getoonzet door Emiel Huilebroeck in 1908, van het lied van de
IJzerbedevaarten “O Kruis van den Ijzer”, getoonzet door Jef Van
Hoof in 1924, en liederen die door Veremans op muziek werden
gezet voor de film “De Witte” in 1934.
Tussen
1897 was hij lid van een Antwerpse groep waartoe ook Lode Baekelmans
en Ary Delen behoorden, publiceerde in “Onze Vlagge”
(Antwerpen), “Alvoorder”, “Ontwaking”, “Nieuwe Arbeid”
en “Vlaanderen” (tijdschrift van Herman Teirlinck). In 1900
was hij lid van het Brusselse literaire genootschap “De Distel”
waartoe ook zijn oom Edgar Tinel behoorde. In 1903 was hij
medestichter van de kunstkring “Doe stil Voort” die kort voor de
Eerste Wereldoorlog werd ontbonden. Willem was er in 1912 uitgezet wegens flamingantisme,
maar trad bij de heroprichting onder de bescherming van de Raad van
Vlaanderen in 1917 opnieuw toe als voorzitter, in het gezelschap van Felix
De Boeck, Prosper De Troyer, Victor Servranckx, Jan
Cockx, Jos Leonard, Jozef Peeters en Edmond Van Dooren.
De kring werd echter met Duits geld gefinancierd, en in 1918 nam Willem de
vlucht naar Nederland.
In
november 1911, tijdens het bezoek van koningin Wilhelmina van Nederland, was
Willem in opspraak gekomen omdat hij aan het Vlaams Huis een spandoek had
ontrold met “Spreek uw taal”. De plechtigheid verliep immers in het
Frans. In 1916 had hij de redactie op zich genomen van “Vlaamsch Leven”
waarin de vernederlandsing van de Gentse universiteit de nodige aandacht
kreeg – debuterende jonge dichters als Victor Brunclair, Gaston Burssens,
Marnix van Gavere, Paul van Ostaijen, Maurice Roelants, Urbain van de
Voorde en Marnix Gijsen schreven voor dit tijdschrijft.
In Nederland
werd Willem Gijssels proeflezer van het dagblad “La Gazette de Hollande”,
en hij gaf er privéles Frans. Hij kwam berooid terug in Antwerpen in 1921,
en was klerk bij een scheepvaartbedrijf tot 1931. Vervolgens was hij
bediende bij de Antwerpse stadsbibliotheek tot 1944. In december 1944 werd
hij geschorst omdat hij tot de begunstigde had behoord van de zogenaamde Bormscommissie.
Willem Gijssels overleed
op 5 februari 1945 in Antwerpen. Op Antwerpen Linkeroever werd in 1953 een straat
naar hem vernoemd, en zijn graf werd in 1955 overgebracht naar het Erepark
Schoonselhof. Adelina Maria Stephania Lauwens overleed in 1958 on 75-jarige leeftijd.
|
In
1919 werd Herman Teirlinck lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor
Taal-en Letterkunde en dat werd een doorbraak. Hij werd Vlaams leraar aan het
Koninklijk Hof en was raadsheer voor Kunst en Wetenschap voor drie koningen: Albert
I, Leopold III en Boudewijn. Hij doceerde Nederlands aan de Academie
voor schone Kunsten in Antwerpen tussen 1925 en 1938, en aan de Stedelijke
meisjesnormaalschool van Brussel tussen 1928 en 1936. Herman Teirlinck was
één van de stichtende leden van de “Vlaamse Club voor kunst, wetenschap en
letteren” in Brussel.
Tussen
1912 en 1926 was hij zelfs even directeur geweest van een meubelfabriek en in
die hoedanigheid secretaris van de werkgeversbond voor de Belgische
houtindustrie. Die functie bracht hem ook naar het toenmalige Belgisch Kongo.
Al
van in 1928 was Herman verbonden aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouw-
en Sierkunsten als docent “techniek van het toneel”. In 1938 werd hij
er directeur.
In
1928 was zijn echtgenote Mathilde Lauwens overleden. Hij bouwde in 1929 een villa in
Sint-Idensbald en vond opnieuw geluk bij zijn tweede echtgenote Johanna
Hoofmans die hij in 1931 huwde. In 1936 verhuisde het koppel naar
Beersel, waar hij, opnieuw weduwnaar geworden in 1963, net voor zijn 88e
verjaardag zou overlijden op 4 februari 1967. Zijn huis in Beersel (Lot) werd
ingericht als Teirlinck museum tot 2013, om in november 2021 heropend te
worden als museum en cultuurcentrum onder de naam “Huis van Herman
Teirlinck”.
Na
de Tweede Wereldoorlog, in 1946, was Herman medeoprichter van het “Nieuw
Vlaams Tijdschrift”, waarvan hij directeur werd. In hetzelfde jaar
richtte hij de “Studio van het Nationaal Toneel” op in Antwerpen. Deze
zou later bekend worden als de Studio Herman Teirlinck.

|
|
|