Bewerking
historische prenten uit private collectie onder Public Domain: prent "Plundering Antwerpen door Spaanse muiters"
van Frans Hogenberg, 1576 - prent "Verwoesting van Antwerpen"
van Hans Collart, 1577 (zie ook Wikimedia) - prent George Gascoigne, 1571 -
houtsnede Antwerpen 1515 (facsimile edition 1925). - ets
“Plundering van Antwerpen” uit 1596 van Michaël Aitzinger en Frans Hogenbergh
onder Public Domain. © Bewerking
kaart Francesco Valgio, 1596 onder Public Domain. |
|
Verhalen
- 1576 - Joos Lauwers getuigde
over de Spaanse Furie in Antwerpen Op
31 december 1576 legden enkele Antwerpenaren een verklaring af over de
diefstal van goederen tijdens de Spaanse Furie bij een weduwe. De
getuigen waren Joos Lauwers Diezelfde
dag waren er wel meer geschriften over de gevolgen van de Spaanse Furie in
Antwerpen. Arnoult
De Bont solliciteerde naar de vrijgekomen job
van stadspeelman omdat tijdens de inname van de stad door de Spanjaarden één
van de vijf stadspeellieden, Jennyn Verhoeven, was vermoord. Zijn
weduwe had het kostbare zilverwaren van de speelman weten te verbergen (“de
kostelijke "silvere bruecke
die de speeluyden op henne eerlucke dagen gewoon zyn te draghen").
Zij had daarbij hulp gekregen van Adriaen Bammelroye, de twintigjarige
leerjongen van haar man. Als beloning voor die hulp diende zij een verzoek in
om hem het poorterschap van de stad te geven. Joos
Lauwers Dezelfde
dag was er een rechtszaak tegen Herman Janssens, een boekdrukker die
verboden boeken in zijn bezit had. Door geldgebrek van de Spaanse koning waren de troepen aan het muiten
geslagen en trokken ze uit de noordelijke Nederlanden naar het rijkere
zuiden, en vooral Antwerpen. Volgens getuigenissen ging het er wreed aan
toe begin november 1576: vrouwen werden verkracht, mannen werd het hoofd
ingeslagen, en honden deden zich tegoed aan het bloed van de doden in de
straten. Het Antwerpse stadhuis werd met andere gebouwen in brand gestoken [zie
prent hierna: brandstichting in het Antwerpse stadhuis op 4 november 1576].
Het aantal slachtoffers was niet exact bekend, maar men sprak van duizenden
doden.
George Gascoigne zag dat de Spaanse soldaten in het geheel niet letten
op leeftijd of geslacht, tijd of plaats, persoon of afkomst, ambacht of
religie, sterk of zwak. Zij “triomfeerden
genadeloos en bloeddorstig, en niets of niemand kon hen weerstaan”.
Kleine kinderen en nog meer vrouwen van boven de tachtig moesten het
ontgelden. De razernij duurde tot tien dagen na de inval. Hij vergeleek hun respect voor de kerk als “zo groot als dat van een slachter voor zijn slachthuis”, alle
huichelachtige praat over het katholieke geloof ten spijt. Vriend noch vijand
werd gespaard. Onder de slachtoffers waren ook Portugezen en Turken en
religieuze groeperingen zoals Jezuïeten. Alles moest worden ingeleverd wat in
klinkende munt kon worden omgezet. De rijke werd geplunderd omdat hij
iets bezat, de arme werd opgehangen omdat hij niets bezat. De gruwelen gingen
verder lang nadat alle weerstand was gebroken. Gascoigne sprak van stapels lijken in de loopgraven die vaak hoger
waren dan manslengte, heel wat mensen die verdronken waren in het nieuwe
stadsdeel waar men “de menselijke
doodstrijd in net zoveel vormen kon aanschouwen als Michelangelo er heeft
geschilderd in Het Laatste Oordeel” [zie
ets hieronder “Plundering van Antwerpen” uit 1596 van Michaël Aitzinger en Frans Hogenbergh
die de gebeurtenissen op 4 november 1576 uitbeeldde].
Talloze Alemanen (Duitsers) werden verbrand in hun harnas.
Van sommigen waren de ingewanden verkoold, maar de rest van het lichaam was
nog gaaf. “Soms waren hoofd en
schouders weggebrand en kon men in het lichaam kijken om de geheime anatomie
van de natuur te bestuderen. Bij andere was het onderlichaam weggebrand,
zodat zij vanaf hun middel rechtstonden. Bij anderen was alleen het bovenste
deel van de kruin verteerd, terwijl de rest van het lichaam kronkelde in
onmenselijke pijnen.” Hij zag een weerzinwekkende vervuiling - doordat de ingewanden van
paardenkadavers her en der op straat lagen en omdat de lijken niet begraven
werden - “die over de stad hangt en al
wat nog leeft aantast”. De opzettelijke verbranding en verwoesting van
het stadhuis en alle papieren en archieven van de stad, en hoe meerdere
vrouwen van aanzien en maagden werden verkracht, vond hij te veel om in
woorden te vatten. De herinnering van een arme Engelse koopman die het eigendom van zijn
heer had gekocht voor 88 gulden liet hem niet los. De man werd opgehangen tot
hij halfdood was omdat hij niet nog eens 55 gulden kon opbrengen. Toen de man
werd neergehaald, smeekte hij zijn belagers op zijn knieën en bitter wenend
of hij zijn vrienden in de stad mocht opzoeken om de rest van het geld voor
de schaamteloze eis in te zamelen. En bij zijn terugkeer – en hij maakte geen
haast omdat hij er niet in geslaagd was voldoende geld te vergaren – hingen
zij hem opnieuw op. In een plotselinge vlaag van “vriendelijkheid” vorderden
ze een monnik op om hem te begraven. Volgens Gascoigne waren 5 op de 17
slachtoffers vermoord omdat zij niet genoeg geld hadden om hun eigendommen
vrij te kopen. Men kon beter ook geen Waal geweest zijn, want tien dagen na de inval
werden alle vermeende Walen onmiddellijk en zonder proces gedood. Gascoigne
ontsnapte zelf ternauwernood aan de dood toen men hem op zondag de 11e
voor een Waal aanzag. Drie mensen die als Waal werden aangewezen, werden
vermoord in zijn bijzijn en één van hen bleek een arme ambachtsman te zijn
die al acht jaar in de stad woonde, nooit had gevochten, en er slechts zijn
ambacht had uitgevoerd.
De gebeurtenissen gaven aanleiding tot de pacificatie van Gent op 8
november 1576. |
|
Verhalen - 1577 - Willem Lauwens vervoerde goederen naar
het huis "De Drie Kroonkens" (Antwerpen) Op 25 mei 1577 verklaarden Willem Lauwens De hopman Menninck werd in deze periode
vermeld als eigenaar van het huis de “Dry
Croonckens”. Hopman Menninck was hoofd van een vendel of een ‘compagnie’
van de Antwerpse stadswacht[5]. Kaart: impressie van de stad Antwerpen van Francesco
Valgio, Venetië, in 1596
|
||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||
|
|
|
[1] Meer over Joos Lauwers, de eigenaar van het "Huis
van Almarous" in de Eerste Wijk die onder de bescherming viel van
het vendel (gewapende mannen of "gens d'armes") van
kapitein Isaac Gherst, in het verhaal over de volkstelling van Antwerpen
in 1584.
[2] Lijwatier, lijnwadenier = handelaar in
/verkoper van lijnwaad, linnen of linnengoed.
[3] Zie ook de bewerking in het tijdschrift “Historia” nr.2 van februari
2010 en “Eyewitness to History”, Avon Books, 1997.
[4] Geciteerd in P. Génard,
“La furie Espagnole. Documents pour
servir à l'histoire du sac d'Anvers en 1576”, Antwerpen, 1876.
[5] De naam
zou afgeleid zijn het Duitse woord Hauptmann
voor kapitein.