|
|
Verhalen - 1561 –
Lauwers/Lauwerey(n)s en de inquisitie in Vlaanderen Doopsgezinde
Nicolaas Lauwers eindigde op de brandstapel In april 1561 waren op de heerlijkheid
van Sint-Donaat in Hondschoote[1]
Nicolaas “Colaert” Lauwers
Prent: Hondschote in 1641 in
Flandria Illustrata [afbeelding onder publiek domein]. Portret van een beruchte beul Pieter Titelmans (1501-1572)
was een berucht inquisiteur en hij was weinig geliefd bij de burgerlijke
overheden. Hij was geboren in Hasselt als zoon van brouwer Aert Titelman en
Heylken van Musel, en had zijn vader in 1505 en zijn moeder in 1515
verloren. Hij werd grootgebracht bij zijn nonkel Peter van Musel en studeerde
in 131 in Leuven af als meester in de kunsten, en in 1536 als licentiaat in
theologie of ‘godgeleerdheid’. In 1539 was hij deken geworden van het
Sint-Hermeskapittel in Ronse. Onder meer door de publicatie van boeken van
zijn broer Frans Titelmans manifesteerde hij zich als een trouw
aanhanger van de officiële gezaghebbers en dat legde hem geen windeieren voor
zijn persoonlijke carrière. Hij had het toen vooral begrepen op het morele
wangedrag van lagere geestelijken en had de naam onverbiddelijk en
compromisloos te zijn.
Prent: spotprent van zijn
tijdgenoot Pieter Breughel de Oude (1525-1569) in “De Keisnede[6] of de deken van
Ronse” [afbeelding onder publiek domein, bewaard in Brussel]. Pieter
Breughel was afkomstig uit Grote Brogel bij Peer, waar hij was geboren op de
pachthoeve ‘Het Ooievaarsnest’. De vervolging van de
doopsgezinden Andere beschuldigden waren erin gelukt te vluchten,
zoals Pieter de Bontwerckere die uitweek naar Londen, maar die
er alsnog om zijn geloof zou worden verbrand. Colaert Lauwers moet een afstammeling zijn geweest
van Colaert Lauwereyns
Het ging om een kleine Gentse gemeenschap die
relaties onderhield met gelijkgezinden in Brugge, Kortrijk, Poperinge,
Hondschote, in Zeeland, en in Aalst[8].
De genoemde Lauwereyns Aan
de oorsprong van het gerechtelijk optreden tegen de dopers in Vlaanderen lag
vermoedelijk de arrestatie en de terechtstelling van Jacob du Cellier
in Gent begin 1538. Deze moet tijdens zijn gevangenschap, waarschijnlijk
onder foltering, gegevens hebben losgelaten over geloofsgenoten en over de
auteurs van omstreden nota’s die bij hem in een boek werden gevonden. Eén van
de beschuldigden was Maarten Valcke die dan, na zijn
arrestatie, uit angst was gaan praten. Zijn
inlichtingen en die van Du Cellier brachten op verscheidene plaatsen het
gerechtelijk apparaat in beweging, wat voor de doopsgezinde broederschap
noodlottig zou worden. In de rekening over zijn activiteiten in 1538
vermeldde de procureur-generaal van Vlaanderen: „Item voor dat hy verleit heeft voor de montcosten van eenen ghenaemt
Martin Valcke, denunchiateur van diverssche herdoopte, die metten zelven procureur reysde vander stede van Ghendt naer Wincle Zudorp;
Axele ende daerontrent hy nachte hem tooghende de huusen waer zekere herdoopte woonden". Samen
met de verklikker en een uitgebreide politiemacht had de procureur zich zo
snel mogelijk ter plaatse begeven om er een grootscheepse razzia te houden. Er
was nochtans tijdig alarm geslagen. De doopsgezinden hadden een
waarschuwingssysteem dat al vroeger zijn goede diensten had bewezen. Enkel
drie vrouwen konden gepakt worden: de echtgenotes van Lieven van Haverbeke
in Sint-Kruis-Winkel, van Jacob Loys in Zuiddorpe en van Jacob
Dauwere in Axel, die allen herdoopt waren. De mannen hadden met Adriaan
Brael uit Sint-Kruis-Winkel met de boot van schipper Jacob Loys tijdig de
vlucht genomen naar Zeeland.
Tijdens
een nieuwe razzia die enkele dagen later werd geleid door deurwaarder Ydrop
Oste in overleg met de plaatselijke koster Joris Godschalk, bleken
ook Copkin Everwijn en Martine de Meyer hun heil te hebben
gezocht in Zeeland. Navraag
bij hun verwanten in Assenede, in Zelzate en in Ertvelde kon de vlucht van de
jeugdige verdachten enkel bevestigen. Voor
Martin Valcke was er nu geen weg terug geweest. Hij moest de
procureur-generaal vergezellen naar Brugge en hij moest daar de huizen van
herdoopten aanwijzen. Zeven doopsgezinden werden er gearresteerd. Allen
werden ze, na een proces voor de stedelijke overheid, tussen 17 en 28
augustus 1538 in Brugge terechtgesteld. Valcke verklikte ook de
doopsgezinden van Oostburg en Breskens, maar het bevel van de overheid van
het Brugse Vrije tot inhechtenisneming van de verdachten kwam hier veel te
laat, en daar was ongetwijfeld rekening mee gehouden. Er
werden drie rekeningen bewaard over de razzia's [ARA,
AL, 452], o.m. van deurwaarder Ydrop Oste en één van
de procureur-generaal. Die rekeningen als andere documenten uit de Raad van
Vlaanderen, zegden niets over een mogelijke bestraffing van de gearresteerde
vrouwen [Zie ook Verheyden, “Het Brugsche Martyrologium”, p.
31-33]. Uit de rekeningen bleek toch dat alle
terechtgestelden vrouwen waren. Twee onder hen, de echtgenote van Jan
Inghels en Magdalena de Vos, zwoeren hun overtuiging af en werden
daarom niet verbrand maar levend begraven (…). De
mannen hadden tijdig de wijk genomen, zoals Pieter de Bontwerckere die
uitweek naar Londen, maar die werd er alsnog om zijn geloof verbrand. |
|
Prent:
de bestraffing van doopsgezinden in Nederland. Verbranding was een gruwelijke
bestraffing voor de ‘afvalligen’ van het katholieke geloof. |
||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
[1] in het Nederlands gespeld als Hondschote, gelegen in
Frans-Vlaanderen in de “Franse Westhoek”.
[2] Uit bronnenonderzoek bleek dat
hij zelf geen doodvonnis uitsprak, eerder een veroordeelde ‘overdroeg’ aan de
burgerlijke machten, met het gekende gevolg. Dat veroordelingen tot de
doodstraf leidden, was de inquisiteur dus bekend. Tegelijk kon hij mensen die hun
doopsgezindheid afzwoeren begenadigen en werd meermaals opgetekend dat hij zich
‘smeet’ in debatten om daarbij te helpen (…). 88,7% niet-veroordeelden van de
gedocumenteerde 1120 gevallen, wisten aan zijn greep te ontsnappen of werden
door hem tot andere gedachten gebracht.
[3] In de procedure tegen de
Antwerpse poorters Nicolaas du Vivier en zijn vrouw Antoinette de
Béhault, moest hij bakzeil halen. Dit koppel was oorspronkelijk aangeklaagd
in Doornik in 1553 maar was verhuisd naar Antwerpen in 1557 waar zij in 1559
waren ingeschreven als poorters. De zaak leverde ook een precedent. Antwerpen
werd de jaren nadien een toevluchtsoord voor geloofsvluchtelingen. Alsnog
leidde dit niet tot de afschaffing van de inquisitie. Op 24 maart 1562 waren in
de preekstoel van de kerk van Hondschote overigens pamfletten gevonden waarin
Titelmans met de dood werd bedreigd.
[4] Ook het jaar van de
beeldenstormen.
[5] Op 3 april 1568 hadden een
twintigtal doopsgezinden ingebroken in de gevangenis van Ronse om
geloofsgenoten te bevrijden. Daarbij werd de cipier vermoord.
[6] De
‘kaasschaaf’.
[8] Arent Latau uit Ronse
werd in juli 1556 in Aalst ingerekend met een pakket brieven uit Emden bestemd
voor Ronse.
[9] Bronnen: De Poperingenaar Martin Valcke. Zie ook o.m. SAG, BC 1538-1540, f° 3 v°,7 - 7 v°, 9
v°; A. L. E. Verheyden, De doopsgezinden te Gent, p. 102.; Le
martyrologe courtraisien, p.