| Stamboom Lauwens & Lauwers > Verhalen > EPP VI - 0009 | 1602 - Elisabeth Lauwers, de heks van Eppegem | |||||||||
In Centraal-en Westeuropa was poppenspel tot in de middeleeuwen een instrument voor religieuze instructie. Poppenspel was de zichtbare bijbel van de analfabete gelovigen. De Franse term marionet is dan ook afgeleid van Marie, de heilige maagd. Vanaf de middeleeuwen verspreidde het poppentheater zich vanuit Frankrijk en Spanje over heel Europa. De poppenspelers, graag gezien op marktplaatsen en in herbergen, werden één van de eerste professionele figuren in de amusementswereld. Hoewel geliefd bij het volk, ondervonden deze poppentheaters nu en dan tegenstand van het geestelijk en wereldlijk gezag. Het poppenspel was dan verboden, dan weer toegelaten. In de periode dat het de Rederijkers verboden werd toneel te spelen werden mensen door poppen vervangen en ging het poppentheater niettemin een lange bloeitijd tegenmoet. Oorsprong van de naam van het Poppentheater 'De Spiegel' uit Kontich Poppentheater De Spiegel, opgericht door Felix Van Ransbeeck in Kontich in 1965, ontleende zijn naam aan de herberg ‘De Spiegel’, waar in 1602 poppenspeler Jaspar Cobeniers en zijn vrouw werden berecht op last van hekserij en toverachtige praktijken. De echtgenote van Felix Van Ransbeeck, Virginie Willems, stamt af van de familie die in 1601-1602 de herberg 'De Spiegel' bezaten in Eppegem. Toelichtingen Eugène Peeters in De Brabantse folklore nr. 204, 1974 Jos Lauwers in De Semse Kroniek nr. 1, jaargang 20 Marijke Ryckmans in "De dorpsgemeenschap Eppegem in de late middeleeuwen en de nieuwe tijd (tot 1654)", verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis Geschied-en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, Eug. De Seyn, Brepols, Turnhout Nationale Archieven, Albertinabibliotheek Brussel A. Goovaerts in "poppenspel, tooverij, pijniging. Een zonderling proces in 1601-1602 voor de vierschaar van de schepenbank van Eppegem", 1895
|
Volgens de overlevering waren zij zeer vaardig in de "conste van de camerspeelderijen" en genoten overal grote bijval. De eerste avonden verliepen de zaken goed. De inwoners kwamen genieten van het schouwspel van de "mennekens". Tot het gerucht de ronde deed dat de drossaard3 van Putte, Merten Cuytens, Elisabeth Lauwers beschuldigde een tovenares te zijn en haar als heks zou aanklagen bij de rechtbank. Nog dezelfde nacht vluchtten Jaspar en Elisabeth naar Eppegem. "Naar alle waarschijnlijkheid", schrijft de Perkse ex-secretaris Jos Lauwers4, "wilde zij niet aan de begeerten van Merten Cuytens voldoen." Dit kan de aanleiding zijn. Wij vermoeden dat er (ook) een politieke reden meespeelde: Elisabeth Lauwers was verwant met de vroegere meier Gheert Lauwers [KAP II - 0001]5 die in de streek in dienst werkte van de hertogen van Brabant ("de heren des cooninckx"). Die lagen al langer in conflict met de heren van Grimbergen, voor wie de aanklagers in dit proces werkten. Beide partijen hadden tegenstrijdige belangen in de streek. 16 juli 1601 - In beschuldiging gesteld te Eppegem In Eppegem waanden zij zich op veilige bodem. Jaspar Colveniers deed er alles aan om zijn vrouw van alle verdenking vrij te stellen. Hij daagde Merten Cuytens voor de schepenbank van Eppegem "in materie van injurie". Hij zou bewijzen dat de betichting van de drossaard van Putte louter laster was. Een eenvoudige poppenspeler zou echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen dan een drossaard. Merten Cuytens was behalve drossaard van Putte, ook heer van Beersel en meier6 van Zemst en Weerde. Op 10 juli 1601 kwam de "vierschaer extraordinaire" van het Eppegemse schepencollege bijeen onder het voorzitterschap van Hendrik Verbeke. Alle schepenen waren aanwezig. Jaspar Colveniers had voor zijn verdediging advocaat Van Den Eede aangesteld. Jaspar verscheen zelf voor de rechtbank als echtgenoot en voogd van de beschuldigde Elisabeth Lauwers. Uiteindelijk moest Merten Cuytens toegeven dat hij geen bewijzen had, en herriep hij zijn beschuldiging. Hij verklaarde dat het hem speet en dat hij Elisabeth Lauwers beschouwde als "een vrouwe van eere en deugt". Daarmee zou de zaak echter niet van de baan zijn. De drossaard van Eppegem, jonker Antoon Longin, tekende beroep aan en nam formeel de verwijten voor eigen rekening. Daardoor werd Jaspar van aanklager beschuldigde. Hij werd met zijn vrouw opgesloten in de burcht van hertog Wenceslas7 te Vilvoorde. Destijds behoorde het land van Grimbergen aan prins Philippe-Willem van Oranje. Behalve Eppegem, omvatte het gebied Beigem, Londerzeel, Meise, Strombeek, Boom, Willebroek en Ruisbroek. Het beheer van het land van Grimbergen was in handen van drossaard Longin8. De ordonnantiën van Philips II om de hekserij te beteugelen werden met harde hand toegepast. Jaspar en Elisabeth werden "pedo ligato", met gebonden voeten, met ijzers aan de wand geklonken. Ditmaal was Elisabeth formeel beticht van hekserij door de schepenbank op aantijging van de drossaard van Eppegem. In de originele tekst van de beschuldigingsakte werden Jaspar en Elisabeth verweten dat zij personages ten tonele hadden gevoerd als Sint Pieter en Sint Pauwel met een zotskap op het hoofd, een minderbroeder, een vrouw, de kwade geest van de duivel, een moor en een moorse, waarmee schandaleuze spelen op diverse kermissen en feesten werden gevoerd "by maniere van tooverije". De akte vermeld verder dat deze personages, zoals de minderbroeder, dansten met de duivel en de vrouw, en dat het erger werd naar het einde van de voorstelling toe wanneer de minderbroeder werd onthoofd in een gevecht met andere personages. De personages van Sint Pieter en Sint Pauwel gingen zelfs een ongehoord gevecht aan om de vrouw "Jouffrou Margriete" te hebben, kusten haar en betasten haar buik, en omarmden zelfs elkaar. Dit alles werd als zeer onkuis en schandalig beschreven, en het was een openbare bespotting van de heilige apostelen en de orde der minderbroeders. Er werd aan toegevoegd dat dit alles bovendien geschiedde door middel van tovenarij met behulp van de duivel. "Dit behoorde in een land van justitie niet getolereerd te worden, maar tot voorbeeld van anderen bestraft". November-december 1601 - Het proces voor de vierschaer van Eppegem Jaspar en Elisabeth verschenen op 28 november 1601 opnieuw voor de "vierschaer extraordinaire" te Eppegem, in aanwezigheid van meier Verbeke en de schepenen. Advocaat Van Den Eede die hen in juli nog verdedigde, trad nu op voor de drossaard van Eppegem. Een andere advocaat Esdeuren, stond de poppenspelers bij. Esdeuren verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling van Jaspar Colveniers, onder verbintenis van zijn persoon en goederen. Dit werd door de rechtbank toegestaan mits het betalen van een borg van 100 pond. Elisabeth Lauwers moest echter terug naar de gevangenis en werd opnieuw in de ijzers geslagen. Wij nemen aan dat het eerste deel van het proces plaatsvond in de herberg "De Spiegel" te Eppegem. Mogelijk genoten de poppenspelers er teveel bijval van dorpsgenoten, zodat men het verdere proces op een andere plaats liet doorgaan. In 1601 was bovendien Willem Lauwers [GRI VI - 0007]2, verwante van Elisabeth, schepen te Eppegem. Procureur Van Den Eede vertegenwoordigde opnieuw de aanklager in het proces. Waar dit in juli nog Jaspar Colveniers was, trad deze keer jonker Longin als aanklager op. Tussen 5 en 22 december verschenen Jaspar en Elisabeth opnieuw voor de vierschaer, maar dit maal op grondgebied van de vrijheid Ter Borght te Vilvoorde. Jaspar Colveniers verklaarde er hoegenaamd niet zinnens te zijn enigerlei kosten te doen om zijn vrouw te helpen. "De zaak van zijn vrouw ging hem niet aan," staat in de verklaring van de advocaat, "en hij moest zich niet verantwoorden en geen geld tot vervolging van de rechtspraak voorschieten." Daar werd wel aan toegevoegd dat hij van zijn vrouw hield met eer. Vermoedelijk probeerde Colveniers de zaak te doen splitsen en voor beiden een mildere straf te bekomen. Uit het verdere verloop van de gebeurtenissen zou blijken dat Jaspar zijn vrouw bleef steunen waar hij kon. Voor Elisabeth Lauwers betekende het wel dat zij voor de rechtbank moest verschijnen zonder hulp of steun. 2 januari 1602 - Het geding ten gronde Op 2 januari 1602 werd eindelijk het geding ten gronde opgeroepen. Jonker Longin verzocht de vierschaar tot een "vonnis interlocutoir", waarin werd vastgesteld dat de zaak tegen Elisabeth Lauwers niet met definitief vonnis kon worden beslist. Verdere informatie diende ingewonnen om de aanklachten met nieuwe bewijzen te staven. Elisabeth kreeg daardoor ook tijd haar verdediging voor te bereiden en de aantijgingen te weerleggen. Bij elk verhoor had Elisabeth heftig geprotesteerd en haar onschuld staande gehouden. Jaspar Colveniers werd veroordeeld te voorzien in de voedingskosten gedurende het proces. Omwille van het schandaal, moesten de poppen in aanwezigheid van de eigenaar worden verbrand. De vierschaar stelde vast dat Jaspar en Elisabeth twintig jaar waren getrouwd [EPP VI - 0009], dat de vrouw doorging voor een heks en dat Jaspar daartegen nooit had geprotesteerd noch de lasteraars aangeklaagd had bij het gerecht hoewel zijn bezorgdheid bekend was voor zijn goede naam en faam. Men stelde dat Elisabeth haar toverijen had geleerd bij haar eigen man en dat deze zich niet voor haar borg wilde stellen. Jaspar zou hebben verklaard "het hart van zijn vrouw niet te kennen net zomin als de vader het hart van zijn kind kent." Daarin zag men het bewijs dat Jaspar Colveniers niet zo zeker was van de onberispelijkheid van zijn echtgenote. Men hield voor waarachtig wat beide poppenspelers ten laste werd gelegd en dat dit enkel met de hulp van de duivel had kunnen gebeuren. Het zag er niet goed uit voor hen. De Vierschaar vond de drossaard dan ook gerechtigd de aangeklaagde tot de galg te laten veroordelen en hun goederen in beslag te laten nemen de gunste van de Prins van Oranje, heer van het land van Grimbergen. Jonker Longin verklaarde zich bereid zich neer te leggen bij de rechtspraak. Jaspar Colveniers toonde zich behendig in zijn verdediging. Hij verzocht op vrije voeten te worden gesteld op grond van het vonnis van 28 november en een akte van 5 december 1601, waarin was aanvaard door de drossaard dat de bewering als werd zijn vrouw door elkeen voor een tovenares gehouden, onwaarschijnlijk en ongegrond was. Jaspar had toen verklaard geen weet te hebben van dergelijke geruchten, dus de lasteraars niet voor het gerecht te kunnen dagen, en dat hij nooit in twintig jaar huwelijk één of andere criminele praktijk had opgemerkt bij zijn echtgenote. Hij haalde aan dat, zogauw hij wist dat Merten Cuytens zijn vrouw van hekserij had beticht, hij deze voor de rechtbank van Eppegem had gedaagd en dat deze zijn beschuldigingen had herroepen. Jaspar voerde aan dat dit alles moest volstaan om zijn vrouw van alle verdenkingen vrij te stellen en dat hem niet kon worden verweten dat hij haar zonder hulp had gelaten. "Het betaamde niet," haalde hij aan, "dat hij als ingezetene die al jaren banden had met Brabant zich borg moest stellen in deze zaak." Jaspar verklaarde dat zijn poppen door hem zelf uit eenvoudig hout waren gesneden, dat hij en zijn vrouw ze eigenhandig versierden en kleedden, en dat deze met zijn eigen handen en vingervlugheid werden bewogen. Dat sloot elke vermeende tussenkomst van de duivel uit. Hij verklaarde ook dat het poppenspel niet meer schandalig of verboden was dan wat men te zien kreeg in toneelspel dat wel overal werd toegestaan en verdragen. Er waren geen ordonnanties, plakkaten of charters waarin dergelijke spelen werden verboden! Jaspar verzocht daarom de vierschaar alle beschuldigingen ongegrond te verklaren en hem vrij te stellen van het betalen van kosten. Het vonnis was niettemin onverbiddelijk. De rechtbank oordeelde dat Jaspar Colveniers moest worden aanzien als schuldig aan een strafbare daad, dat de poppen moesten worden verbrand, en dat het Jaspar voortaan verboden was nog dergelijke spelen op te voeren. Hij werd veroordeeld tot een boete van 25 Rijnguldens ten bate van de heer van Grimbergen, ongeacht de kosten die reeds door de drossaard waren voorgeschoten ten behoeve van het proces. Jaspar moest dus niet naar de galg, maar Elisabeth bleef in de gevangenis onder de beschuldiging van toverij. Nu kon de vierschaar apart het onderzoek naar Elisabeth voortzetten. 1602 - Elisabeth Lauwers ter dood gefolterd Tussen december 1601 en 18 februari 1602 werd de lijst van getuigen ten laste en ten onlaste van Elisabeth vastgesteld. Eind februari 1602 werden deze opgeroepen. Op 15 maart 1602 werd Jaspar Colveniers beboet met 10 Rijngulden omdat hij ene Godevaert van Gulick een pot bier over zijn hoofd had gegoten en met een mes had bedreigd omdat deze de zaak tegen zijn vrouw had gedeponeerd. Jaspar had zijn ongelukkige vrouw dus niet volkomen aan haar lot overgelaten. Inmiddels sleepte het geding aan. De vierschaar moest er nog zeventien zittingen aan wijden, zonder voldoende bewijzen te kunnen vergaren. En toch zou deze geschiedenis een tragische afloop kennen. Op 4 mei 1602 werd Jaspar Colveniers veroordeeld tot betaling van 98 Rijksgulden voor de gerechtskosten betaald door de drossaard. Ondanks alle ontberingen die Elisabeth bij elk verhoor en in de gevangenis moest doorstaan, hield zij inmiddels hardnekkig staande volkomen onschuldig te zijn. Bij de schepenen groeide mettertijd evenwel de overtuiging dat zij werkelijk door de duivel was bezeten. De redenering was immers dat haar moedige weerstand wel door de duivel moest worden gesteund... men geloofde dat deze alle pijnen op zich nam. Op 27 november 1602 stelde meier Hendrik Verbeke voor om de betichte te onderwerpen aan een streng verhoor op de pijnbank. Dit werd door alle schepenen aanvaard, en zo belandde Elisabeth Lauwers op 1 december in de folterkamer.
Er was geen protocol voor de folteringen die Elisabeth moest ondergaan. Die gebeurden onder de volledige willekeur van de "officier crimineel". De beproevingen duurden de ganse dag tot laat in de avond. Uiteindelijk bekende Elisabeth uitgeput en waanzinnig van pijn "criminele commercie gehad te hebben met den quaden gheest." Dat betekende voor haar hoe dan ook het einde. Naar verluid vond men de volgende dag haar lijk in haar cel van de Vilvoordse gevangenis. Voor drossaard Antoon Longin was daarmee de zaak niet ten einde. Hij wreekte zich op het lijk van Jaspars echtgenote. Longins procureur Nicolaes van Leune eiste dat het stoffelijk overschot op de brandstapel tot as zou worden verbrand. De vierschaar trad deze eis bij. In de folterkamer had Elisabeth immers bekend een heks te zijn. Hoogst ongeloofwaardig werd genoteerd dat Elisabeth in de gevangenis zichzelf het leven had benomen... Het was ondenkbaar in een officieel stuk te verklaren dat zij dood was gefolterd of vermoord. Het lijk van Elisabeth Lauwers werd in het openbaar op de brandstapel tot as verbrand. Haar schamel bezit werd aangeslagen ten gunste van prins Philips-Willem van Oranje9. |