startpagina genealogie

 

Gezin Lauwereyns – Van Vosmaer, 1270, Brugge

"Voor Scilt en Vrient"

 

 

 

Othon Lauwereyns.jpg

Ridder van Vlaanderen

Willemar Lauwereyns werd geboren omstreeks 1248 als zoon van Odin Lauwereyns en Johanna Van Velthuysen in het toenmalige Graafschap Vlaanderen.  Omstreeks 1275 huwde hij te Brugge met Katrien Van Vosmaer, een dochter van ridder Robert Van Vosmaer.  Zijn naam werd ook gespeld als Lauwerens, Lauwers, Laurin, Laurijn, Lauwerijn, Lauwereys. Hij overleed in 1292.

 

http://euregioscheldemond.westsite.be/uploadpics/Geschiedenis82.JPG

"Vervlaamsing" van de familienaam?

Nieuwe schrijfvarianten als Lauwaerts, Lauwaers en Lauwers komen vanaf deze periode voor in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen, en ze bleven ook als zodanig bewaard in sommige takken van de familie. Dit waren allicht meer "Vlaamsklinkende" varianten die fonetisch in de streektaal tot de dag van vandaag nog uitgesproken worden als "Lauwerts" en "Lauwers".

De (eerdere) schrijfvarianten als Lauwrens, Lauwerens en Lauwereyns, klonken fonetisch erg zoals het Engelse 'Lawrence' en dat lag gevoelig in deze turbulente periode. Frankrijk voerde immers oorlog met Engeland en de grafelijke gewesten waren hierin een speelbal.  Vlamingen hadden bovendien verschillende belangen afhankelijk van hun sociale positie, en dat zowel fiscaal als economisch, en het ging er soms gewelddadig aan toe.

 

 

 

 

 

 

Ouderlijk gezin

Odin (Othon) Lauwereyns huwde omstreeks 1247 te Brugge met Johanna Van Velthuysen

BRUg 0 – 000001

 

|

 

Huwelijk

Willemar (Guilielmus) Lauwereyns huwde omstreeks 1270 te Brugge met Katrien Van Vosmaer

BRUg I – 000010

 

|

 

Kinderen

·         Nn. (Simon?) Lauwereyns werd geboren omstreeks 1270 te Brugge

BRUg II – 000013

 

 

 

1270 – Willemar Lauwereyns van Diepenhede, ridder van Vlaanderen

vosmaer.gifWillemar Lauwereyns van Diepenhede was geboren omstreeks 1248 als zoon van Odin Lauwereyns en Johanna Van Velthuysen. Hij was ridder en heer van Diepenhede zoals zijn vader. Willemar heeft zijn vader niet gekend, want deze vertrok kort na Willemars geboorte met graaf Gwijde van Dampierre op kruistocht. Zijn vader overleed op de terugweg in Cyprus en zou nooit terugkeren naar zijn gezin in Brugge. Omstreeks 1275 huwde Willemar te Brugge met Katrien Van Vosmaer, een dochter van ridder Robert Van Vosmaer [1]. Katrien werd geboren te Zeeland, NL. Dit koppel kreeg één zoon geboren omstreeks 1275 te Brugge. Willemar voerde hetzelfde wapen als zijn vader, met drie zwanen. Hij overleed in 1292.

Afbeelding rechts: het familiewapen van Vosmaer

Een broer van Willemar, Jan, werd de stamouder van een andere tak van de familie. Bij de eerstvolgende generaties zijn de huwelijken van Jans nazaten niet volledig gedocumenteerd, al  hebben we wel een gedeeltelijk idee van de genealogie [2].

Jaques de ChatillonVan het leven van Willemar Lauwereyns is niet veel bekend, maar we weten heel wat over de omstandigheden waarin het gezin leefde te Brugge. Brugge was omstreeks 1275 een belangrijk handelscentrum in Noord-Europa, en Vlaanderen was toen één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Vanuit Brugge werd het Vlaamse laken, kwalitatief hoogstaande wollen stof, over heel Europa uitgevoerd. In deze eeuw telde Brugge tussen de 40.000 en de 45.000 inwoners. In de stad werd niet alleen het al vermelde Vlaamse laken geproduceerd, ook allerlei andere (kunst)ambachten konden er zich ontplooien. De inkomensverschillen tussen de volksklasse (de "ambachtslieden") en de kooplieden (de "patriciërs") waren zeer groot, niettegenstaande de talrijke middenstand. De "Grote Moerlemaaie", een gewelddadige opstand in 1280, werd hardhandig onderdrukt. Brugge voerde in deze periode een eigen koers. Er was afhankelijkheid van Frankrijk, maar economisch gezien was de afhankelijkheid van Engeland door de wol- en lakenhandel veel sterker. Toen Frankrijk 1302_Brugse_Metten.jpgin 1294 een oorlog begon tegen Engeland, kozen de Vlamingen de kant van Engeland blijkens een verdrag van 7 januari 1297. Frankrijk viel vervolgens het graafschap Vlaanderen binnen en veroverde één voor één de Vlaamse steden. Engelse troepenversterkingen mochten niet baten. De Engelsen trokken zich terug in maart 1298 ondanks het verdrag van de Engelse koning Edward I met Gwijde van Dampierre, de graaf van Vlaanderen. Deze laatste werd kort daarna met zijn oudste zoon en een aantal ridders gevangen gezet door de Fransen.

Afbeelding boven: Jacques de Saint-Pol, door Filips de Schone benoemd op 18 mei 1300, een lieutenant du roi, in feite een gouverneur die in de naam van de koning Vlaanderen rechtstreeks zou besturen. De keuze viel op Jacques de Saint-Pol, beter gekend als Jacques de Châtillon, een oom van de koningin, Johanna van Navarra. Afbeelding rechts: middeleeuwse prent van de zgn. "Brugse metten"en onder afbeelding van de "Slag van de Guldensporen" in de Grandes Chroniques de France, 14e eeuw.

Copyright Koninklijke Bibliotheek Brussel, Ms. 5, fol. 329De Franse landvoogd Jacques de Châtillon bestuurde van toen af het graafschap Vlaanderen, en in mei 1301 hield de Franse koning een 'Blijde Intrede' in de Vlaamse steden. Dit leidde tot afschaffing van belastingen, maar enkel de Fransgezinde patriciërs deden daar voordeel mee en de ambachtslieden, aanhangers van de graaf van Vlaanderen, kwamen in opstand. Eén van hun leiders, Pieter Coninck, een populaire wever uit Brugge, werd daarbij eerst verbannen uit de stad als oproerkraaier. Een opstand volgde en de Bruggelingen bestormden eind april 1302 het kasteel van Sijsele en het kasteel van Male, waar het garnizoen en de bewoners werden vermoord. De Fransgezinden moesten de stad ontvluchten. Een gewapend escorte dat de Châtillon begeleidde, trok Brugge binnen op 17 mei maar werd in de nacht van 18 mei 1302 afgeslacht tijdens de zogenaamde "Brugse metten" [3]. De landvoogd kon op het nippertje ontkomen. Een nieuw gewapend treffen kon niet uitblijven.

In juni 1302 vertrok een Frans leger van 8500 man richting Vlaanderen. Nabij Kortrijk kwam het tot een treffen met een Vlaams leger van 9000 manschappen waarvan 400 edelen te paard, op 11 juli 1302. In de opstanden van 1302 koos de volksklasse de kant van de Vlaamse graaf tegen de koning van Frankrijk en de bezittende klasse. De strijd achter de Grote beek en de Groeninge beek in Kortrijk, waarin Brugge een vooraanstaande rol speelde, leverde een overwinning op voor de ambachtslieden en de Vlaamse graaf in de bekende "Guldensporenslag".

Willemar Lauwereyns kon geen rol van betekenis spelen in het strijdtoneel, want hij overleed in 1292. Wij vermoeden dat zijn zoon dit wel zou doen, dat deze Simon heette, en zijn familienaam als Lauwaerts [4] werd vermeld in de hoedanigheid van grafelijk baljuw [5]  van de stad Brugge [6] in dienst van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. In deze periode was naar wij vermoeden zijn nonkel Jan "Lauwaert" koninklijk baljuw te Gent in dienst van de Franse koning Filips De Schone [7].

 

[1] "Vosmaer" zou een verwijzing zijn naar de plaats Oud-Vossemeer in de huidige gemeente Tholen in Zeeland. Oud-Vossemeer maakte eeuwen later deel uit van de heerlijkheid Oud- en Nieuw-Vossemeer en Vrijberghe. Het plaatsje Nieuw-Vossemeer werd pas in 1609 definitief drooggelegd nadat een eerste poging uit 1567 mislukte in 1583. Nieuw-Vossemeer maakte deel uit van de heerlijkheid tot 1809, toen Oud-Vossemeer en Nieuw-Vossemeer werden gescheiden. De plaatsen liggen thans respectievelijk in Zeeland en Noord-Brabant. Het Brabantse "Nieuw-Vossemeer" leverde de inspiratie voor de naam van het vakantiedomein "Vossemeren" in Lommel. In de 13e eeuw was "Oud-Vosmaer" een groot waddengebied met slikken, gorzen en aanwassen Zeeland en Brabant. Het werd oorspronkelijk gevormd door de stroom de Striene. De Striene die vermoedelijk ooit de hoofdstroom van de Schelde is geweest, liep van Strijenham, door Ee en Molenvliet over het gebied van het Vossemeer richting Steenbergen om door de latere Hoekse Waard uiteindelijk tegenover Rhoon in de Maas uit te monden. De toen bestaande gebieden ten westen van deze stroom, Scherpenisse, Westkerke, Poortvliet met Schoondorp, de eilanden Sint Maartensdijk en Stavenisse behoorden tot Zeeland ( het bisdom Utrecht). Het gebied van Schakerloo, Tholen en Vriezendijk (Oud Vossemeer) dat gedeeltelijk oostelijk van deze stroom lag, behoorde politiek en geografisch tot Brabant (het bisdom Luik). Dit stuk van Tholen zat nog vast aan het vasteland en omdat de ratio bij de bisschoppelijke indeling waarschijnlijk is geweest: de eilanden (Zeeland) aan Utrecht, het vasteland aan Luik, hebben Tholen en Schakerloo, Oud- en Nieuw-Vosserneer en Vrijberghe, tot 1559 bij de nieuwe bisschoppelijke indeling, aan Luik toebehoord. Kennelijk tot grote tevredenheid van deze uithoek van het diocees, gezien de vele protesten aan de nieuwe bisschop van Middelburg.  Op 23 februari 1213 maakte Godfried II van Breda bekend op welke wijze en op welke voorwaarden hij de halve scheepstol op de Striene en de Schelde alsook Schakerloo en Ossendrecht van hertog Hendrik I van Brabant in leen had ontvangen. Dit deel van Tholen was dan nog volledig Brabants. In 1220 trouwde graaf Willem I van Holland met Maria, de oudste dochter van Hendrik I, en weduwe van keizer Otto IV. Willem ontving, als een deel van de bruidsschat van zijn vrouw, de helft van Schakerloo in leen. Omstreeks deze tijd is de polder bedijkt, waarna o.a. als gevolg van een andere ligging van het 'wantij' de tol werd verplaatst naar de plaats waar de huidige stad Tholen ligt (dat zijn naam aan de tolheffing dankt). Willem I zou zelf deze bedijking zijn begonnen, daarbij geholpen door zijn Friese troepen die hem terzijde hadden gestaan bij het beleg van Damiate in 1219. Dit zou de verklaring kunnen zijn voor de naam Vriezendijkse moeren; de moeren langs de door de Friezen aangelegde dijk.

[2] o.m. de Dictionnaire de la noblesse de France

13020711_voorsciltenvrient.jpg[3] "Voor Scilt en vrient" - De strijdleuze van de Vlamingen bij Brugse Metten werd 's avonds na de slag van 11 juli 1302 opgetekend door de kroniekschrijver Li Muisis. Hij vernam het relaas de avond van 11 juli van de doodsbange Fransen die voor de gesloten poorten van Doornik toestroomden. "Quod nullo modo esset credibele omnibus, qui non viderunt" noteerde hij: wie het niet zag, kan het niet geloven. Li Muisis, die getuige was geweest van de plundering van Doornik door de Vlamingen, stond aan de Franse kant. Hij was het Vlaams niet machtig. Een andere scribent noteerde de woorden in het manuscript.

[4] Lauwaerts, Lauwaers en Lauwers waren meer "Vlaamsklinkende" varianten die fonetisch in de streektaal tot de dag van vandaag nog uitgesproken worden als "Lauwerts" en "Lauwers". Deze schrijfvarianten kom vanaf deze periode voor in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen, en ze bleven ook als zodanig bewaard in sommige takken van de familie. De (vroegere) schrijfvarianten als Lauwrens, Lauwerens en Lauwereyns, klonken fonetisch gelijkaardig als het Engelse 'Lawrence' en dat lag gevoelig in deze turbulente periode. Frankrijk voerde immers oorlog met Engeland en de grafelijke gewesten waren hierin een speelbal.  Vlamingen hadden bovendien verschillende belangen afhankelijk van hun sociale positie, en dat zowel fiscaal als economisch, en het ging er soms gewelddadig aan toe. Uit 1276 stamt de oudste ons bekende schrijfwijze "Lauwers". Het ging om Boudewijn 'Baudouin' Lauwers vermeld de 'Dictionaire des noms de familles en Wallonie et à Bruxelles'. De oudste ons bekende schrijfwijze "Laurens" stamt uit 1260-1290, bij de vermelding van Gielis 'Egidius' Laurens te Steenhuffel in het hertogdom Brabant, thans een deelgemeente van Londerzeel.

[5] Baljuw was de benaming voor de ambtenaar die de vorst vertegenwoordigde in de steden en in landelijke gebieden. Zijn ontstaan gaat terug op de Franse koning Filips II August die hen voor het eerst aanstelde. De benaming werd hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk gebruikt. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard (Brabant), amman (Brussel), meier (Leuven, Asse) en schout (Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Turnhout). Het woord baljuw (Frans bailli, Engels bailiff) is, via het Oudfranse baillif, afgeleid van het (middeleeuws) Latijnse baillivus of bajulivus = persoon belast met bestuursfunctie, op zijn beurt afgeleid van bajulare = torsen, dragen. 

[6] Op 1 april 1288 vermeldde een "regest" op de oorkonden van 1089-1300 ene Simon Lauwaert. Simon was grafelijk baljuw van de stad Brugge, en moest samen met de ridders Rogier van Ghistele (Gistel) en Wouter van Cokelare, en met Gillis van der Beerst als scheidsrechters voor de graaf van Vlaanderen uitspraak doen in een geschil tussen de stad Brugge en de sluismeesters van de wateringen van Hegensluis en Reinhervliete, over het herstellen van twee bruggen in de nabijheid van de Sinte-Clara abdij te Brugge. Dit vond plaats de vrijdag vóór Palmenzondag of "svrindaghs voer Palmesondach anno Domini milesime ducentesimo LXXX octavo". Simon was naar verluid ook grafelijk baljuw te Veurne, Gent, Kassel en Aalst.

[7] Jan Lauwaert probeerde  begin 1302 een oproer te bedwingen in Gent nadat de Gentse magistraten in opdracht van de koning een onpopulaire belasting, de bierassisen, opnieuw wilden heffen. Dit gebeurde met toestemming van Jacques de Châtillon. De patriciërs en Jan Lauwaert werden het Gravenkasteel gedreven en moesten bij het buitenkomen spitsroeden lopen. De Gentse volksklasse sloot vervolgens een verbond met het Brugse gemeen, dat intussen onder de leiding van Pieter De Coninck het verzet in Vlaanderen organiseerde. Een soortgelijke opstand in Brugge in juli 1301 was minder succesvol geweest. In Gent schreven de ‘bonnes gens du commun de la ville de Gand’ een brief aan Jacques de Châtillon waarin ze beloofden trouw te blijven aan de koning, al eisten ze dat de schepenen die de assisen (belasting) hadden ingevoerd nadat de koning die eerder had afgeschaft, ten eeuwige dage zouden uitgesloten worden uit de magistratuur.